Jacob kohnstamm

ALS TWAALFJARIG jongetje had Jacob Kohnstamm een krantepagina met foto’s van Tweede-Kamerleden op zijn dartboard geprikt, zo vertelde hij toen hij zich als staatssecretaris aan de ambtenaren van Binnenlandse Zaken kwam voorstellen. Terwijl hij met zijn pijltjes op de hoofden van de hem niet welgevallige parlementariers mikte, wist hij het al: ‘Daar wil ik ook es een keertje bijhoren.’

Voor wie alleen twaalfjarigen kent die later drummer willen worden, en/of profvoetballer, lijken dat misschien vreemde gedachten. Maar Jacob Kohnstamm komt niet uit zomaar een nest. Hij is een nazaat van een Oude Familie, sinds jaar en dag deel van het Amsterdamse regentenpatriciaat, een geslacht dat generatie op generatie bankiers, industriëlen, hoogleraren en bestuurders voortbracht. Jacob is de zoon van drs. Max Kohnstamm, een invloedrijke Europeaan, adviseur van Jacques Delors, de voorzitter van de Europese Commissie. Zijn grootvader, prof. dr. Philipp Kohnstamm, was naast natuurkundige en onderwijsvernieuwer, kandidaat-kamerlid voor de vooruitstrevend-liberale Vrijzinnig Democratische Bond (VDB).
Jacob Kohnstamm (46), die zichzelf graag ‘eerste generatie eigen kweek D66’ noemt, grijpt vooral vaak terug op het gedachtengoed van zijn grootvader, al heeft hij die nooit gekend. In D66, waarin Kohnstamm in de loop der jaren tal van vooraanstaande posities bekleedde, zegt hij het individualisme, het pragmatisme en het emancipatiestreven van de VDB terug te vinden. Kohnstamm werd vijftien jaar geleden voor het eerst kortstondig kamerlid, maar toen de partij in 1982 van zeventien naar zes kamerzetels zakte, kon hij alweer terug naar zijn Amsterdamse advocatenpraktijk. Wel werd de toen 33-jarige Kohnstamm manmoedig voorzitter van het gedecimeerde D66.
In 1986 kwam hij opnieuw in de Kamer. Hij viel er op door zijn bevlogen en deskundige bijdragen in discussies over volksgezondheid, euthanasie en het politiebestel. Samen met de VVD'er Dijkstal, zijn huidige minister op Binnenlandse Zaken, bracht hij in mei 1994 de ministers Hirsch Ballin en Van Thijn ten val. 'De derde man van D66’ werd bij de totstandkoming van het paarse kabinet getipt als opvolger van fractievoorzitter Van Mierlo (maar ontkende later elke ambitie in die richting). Hij werd bovendien door velen gezien als kandidaat voor een ministerspost - Justitie, Volksgezondheid, Binnenlandse Zaken? Het werd uiteindelijk een staatssecretariaat op het laatste departement.
DE DROOM VAN de twaalfjarige pijltjesgooier lijkt uitgekomen, zo op het eerste gezicht. Jacob hoort erbij, bij de Haagse dames en heren. Hij zet de traditie van het geslacht Kohnstamm op waardige wijze voort.
Alleen bij nadere beschouwing hapert er iets. Het is een detail dat in kranteportretjes onzichtbaar blijft en dat louter door de zegeningen van het televisietijdperk tot ons komt. Want weliswaar heeft de vlotte open kraag (met uitzicht op T-shirtrand en halskettinkje) uit de begintijd van Kohnstamms kamerlidmaatschap inmiddels plaatsgemaakt voor een hagelwitte boord met strop, er is iets in het uiterlijk van de staatssecretaris dat hem doet afwijken van de gemiddelde Binnenhofbewoner.
Wat droeg Kohnstamm in de Tweede Kamer onder zijn colbert, tijdens de afgelopen algemene beschouwingen, en wat droeg hij onlangs bij de plechtige overhandiging te Eindhoven van een zak geld voor twaalf middelgrote steden? Hij droeg een spijkerbroek. Een spijkerbroek, als een Nieuw-Linkser uit de jaren zeventig, als wijlen Jan Schaefer, het boegbeeld van de sociale vernieuwing - terwijl het Kohnstamm daartoe toch aan het juiste postuur en de juiste tongval ontbreekt.
Het is een mooie, nieuwe, dure spijkerbroek, dat wel, en hij staat Kohnstamm goed, maar het kledingstuk maakt dat hij eerder oogt als een bevlogen jonge leraar (zo een waar alle meisjes verliefd op worden) dan als een vertegenwoordiger van de macht. Een mens zou er van gaan denken dat Kohnstamm helemaal geen vertegenwoordiger van de macht wil zíjn…
Dat zou dan wel verklaren waarom hij, als gerespecteerd kamerlid, dat minister of fractievoorzitter had kunnen worden, in hemelsnaam genoegen heeft genomen met de machteloosheid van het staatssecretariaat dat hij nu bekleedt. Want wat stelt zijn post uiteindelijk voor, als het om budget en bevoegdheden gaat? Kohnstamms voornaamste bezigheid bestaat uit coördineren - het coördineren van het grote-stedenbeleid. 'Het grote-stedenbeleid moet mogelijk worden gemaakt door herschikking van de financiële middelen van het kabinet’, zo heet het in het regeerakkoord. Anders gezegd, Kohnstamm moet het geld voor de grote steden zien los te peuteren van andere bewindslieden. Minister Ritzen van Onderwijs noemde de staatssecretaris zelfs eens per ongeluk 'wethouder Kohnstamm’, toen hij om geld kwam vragen.
Een staatssecretaris zonder portemonnee, dat is Kohnstamm, en dan hebben ze ook nog een lulligheidje als 'het beleid inzake reisdocumenten’ in zijn dunne portefeuille gefrommeld. Lees: die eeuwige paspoorten, waarover een oude voorganger als Van der Linden in 1988 al struikelde.
ZELF BEWEERT Kohnstamm bij hoog en bij laag dat hij 'erg tevreden’ is met zijn staatssecretariaat. Bij zijn aantreden kondigde hij alvast aan dat het verwezenlijken van de plannen voor de grote steden (decentralisatie van bevoegdheden naar de gemeenten, minder verlammende regelgeving vanuit Den Haag) 'een taai en tijdrovend proces’ zou worden. 'Mijn ultieme ambitie is de steden niet voor de voeten te lopen’, sprak de nieuwbakken bewindsman bescheiden.
Toen er in de landelijke media een jaartje later werd gezeurd over het uitblijven van concrete resultaten, vond hij dat dan ook 'unfair’. Weliswaar twijfelde hij zelf ook wel eens ('Ben ik niet een te zachtaardige intellectueel voor deze baan?’) en vroeg zijn vriendin wel eens schertsend wanneer hij nu eindelijk een vaste betrekking zou gaan zoeken - maar hij had toch aangekondigd dat het allemaal wel even kon gaan duren? Ook collega-politici uit de coalitiepartijen vroegen zich echter hardop af of Kohnstamm niet te áárdig was om de voor het kabinet belangrijke grote-stedenklus te klaren. PvdA-voorzitter Rottenberg: 'Hij is bezig, maar hij moet de zaken meer op scherp zetten.’ VVD-fractievoorzitter Bolkestein: 'Hij is niet onverzettelijk en bruut genoeg voor deze baan.’ De Rotterdamse wethouder Simons (PvdA): 'Ik kan niet ontkennen dat hij vooral als een correcte bestuurder probeert over te komen. Er zal een moment komen dat hij met de vuist op tafel moet slaan.’
Kohnstamm zelf herhaalde nog eens enkele door hem geliefde dichtregels: 'Tussen droom en daad staan wetten in de weg, en praktische bezwaren.’ Hij achtte zich niet goed in het slaan met vuisten. 'Voor de coördinatie is meer een diplomaat nodig’, zo stelde hij. En, feller: 'Ik geef geen flikker om mijn eigen politieke positie.’
Ook ten aanzien van de verwezenlijking van andere D66-idealen toonde de staats zich bijna bovenmenselijk geduldig. Vernieuwing van het kiesstelsel, ook nog een kruimeltje dat binnen Kohnstamms portefeuille is gevallen, werd bijvoorbeeld door de Kamer in september getorpedeerd. Kohnstamms reactie: 'Soms heb je gelijk, maar krijg je het niet meteen.’
EEN CORRECTE bestuurder, inderdaad. In retrospectief valt dan ineens het hoge moreel-juridische gehalte van zijn betogen in de Tweede Kamer op, en de belerende toon ervan. Was het niet Kohnstamm die door zijn vriend en zijn weinige vijanden in 1993 voor scherpslijper werd uitgemaakt, omdat hij, enkele maanden voor de verkiezingen, maar door bleef drammen over de toenmalige staatssecretaris Simons van Volksgezondheid, die naar zijn mening moest aftreden na aankondiging van zijn aanstaande vertrek naar Rotterdam - omdat Simons toen niet meer tot aftreden te dwingen was door de Kamer? Was het niet Kohnstamm die in Trouw zo minzaam over euthanasie bleek te kunnen discussiëren met de GPV'er Van Middelkoop (eindconclusie: 'Ik denk dat we in de praktijk vaak heel dicht bij elkaar staan’)?
En wat was hij oprecht verontwaardigd toen CDA en PvdA in 1994 hun ministers Van Thijn en Hirsch Ballin overeind zouden proberen te houden. 'Dat is zo ontzettend mis. Dit soort dingen maakt, dat ik mijn werk als volksvertegenwoordiger met minder plezier doe.’ Zelfs noemde Kohnstamm in 1994 brekebeen Brinkman de beste politicus - alleen omdat die, terwijl alles om hem heen in duigen viel, nooit trappen onder de gordel naar collega-politici was gaan uitdelen. 'Dat vind ik knap.’
HET IS EEN klassieke observatie: de Amsterdamse patriciërs zijn altijd burgerlijk genoeg gebleven om de oude deugden van eenvoud en spaarzaamheid in ere te houden. Wie macht en rijkdom tentoonspreidt, maakt zich in die oer-Hollandse kringen ongeliefd.
Kohnstamm is wel geliefd. Hij is zelfs aardig. Hij zal zelf nooit vuile handen maken of vieze spelletjes spelen. In zijn spijkerbroek is hij het frisse jongmaatje, dat vanuit de underdog-positie waarheden verkondigt die de machtigen in Den Haag beschaamd doen staan over zichzelf.
Dat er inmiddels toch behoorlijk wat miljarden naar het grote-stedenbeleid zijn gegaan, is misschien wel aan die tactiek te danken. Of misschien vinden de echte machthebbers als Kok en Dijkstal de grote steden wel uit zichzelf zo belangrijk en hebben ze echt genoeg aan een coördinerende, beminnelijke projectminister om met geld over de brug te komen.
Kohnstamm is gelukkig ook te aardig en bovendien te onschuldig om te vallen over die vervelende paspoorten. We zullen hem nog vaak in zijn spijkerbroek ergens in het land zien, bij de start van weer een mooi nieuw grootstedelijk project.