Jacques

Hoewel niet eens bij de zeer opstandige ideeen onder te brengen, komt het toch om de paar dagen terug. Tikt van binnenuit, niet eens zo ver van de plaats waar ik ooit vermoedde dat de punt van een rode baksteen in mij was blijven steken (op de rontgenfoto’s was overigens niets te zien), en schiet een x aantal blafferige puntjes recht omhoog. Je moet er niet aan denken dat je het aan iemand anders zou vertellen: waarom maak je nu niet eens, in een verloren halve dag, een koffertje van gebraden gans.

Je bakt hem. Op de een of andere manier. Zorgt dat de huid goed knapperig blijft en in de zon op de stoep zittend eet je hem voorzichtig leeg. Laat er nog wat specifieke bewerkingen op los zoals vernis van junglehoning en dan hou je een knotsgoed koffertje over. Een bruingebraden valiesje. Als je daaraan likt, blijft je tong even plakken, dat kan best lekker zijn.
Daarna kun je het, om te beginnen, overal naartoe dragen. Iets eerder al je dagelijkse dosis herbed mayonnaise erin stoppen. Want er valt onderweg van alles op te poetsen. Maar ook een paar zalmhuidige handschoenen of dierlijke oordopjes (Littorea littorea L.).
Om de zoveel weken loop ik in een droom een bijzonder traject waar ik na het wakker worden in plaats van met heim- met wegwee aan terugdenk. Het bestaat niet en heeft niet bestaan. Soms is het een cirkelvormige kleine gracht in Amsterdam maar ook wel een vlekkerige maar o zo intieme markt in een nergens drijvend werelddeel.
Volgende keer neem ik mijn gebradenganzekoffer mee, want je loopt altijd wel de kans iets tegen te komen dat de moeite van het oprapen waard is. Wanneer ik het niet in de handel breng, doet een ander het wel. Het merk Holgersson is inmiddels beschermd. Of had ik toch Jacques moeten nemen? Een gegrillde mus als portemonnaie. (‘Heb jij nog een halve euro in je Piaf?’)