IM Jacques Derrida

Jacques Derrida 1930-2004

Met het overlijden van Jacques Derrida zijn we een van de grootste denkers van de twintigste eeuw kwijtgeraakt. Dat kun je zeggen, maar zijn wij hem ook werkelijk kwijt? Om iets kwijt te raken moet je het eerst gehad hebben. Het moet je eigendom geweest zijn. Dat laatste durft niemand te zeggen over het denken van Derrida zonder onmiddellijk een slag om de arm te houden. Bewonderaars en adepten als Simon Critchley, Robert Bernasconi en John Llewelyn haastten zich in het verleden om iedere suggestie van toe-eigening van Derrida’s denken te ontkennen, en nu, bij zijn overlijden, zal dat niet anders zijn. Er zal alleen «bij benadering» gesproken worden. Op gepaste afstand, zoals tijdens de vele lezingen die hij hield, het publiek ademloos luisterend naar een drie uur lange, onnavolgbare verhandeling over bijvoorbeeld «différance».Voorzichtig zal men zijn, zoekend naar woorden, zoals ook Derrida in zijn werk zocht naar woorden om te omschrijven wat zich niet laat omschrijven. Maar vooral zal men weer zijn woorden proeven. «Différance», «dissemination», «trace». Mooie, geheime, «versleutelde» woorden.

De bekendste van die woorden werd misschien wel «deconstructie». In een passage uit een brief aan de Japanse professor Izutsu omschrijft Derrida dit als «een weinig elegant woord dat tegelijk alles en helemaal niks is». Deconstructie is overal, een door alles doorwerkende kracht die taal openhoudt en op de toekomst gericht is en tegelijkertijd is deconstructie niets. «Het» bestaat als zodanig niet. Je kunt het niet aanwijzen en zeggen: daar, daar is deconstructie gaande. Dat men dit laatste zeker in modieuze academische en culturele kringen wel degelijk deed, was voor Derrida zowel een bron van ergernis als een reden tot hilariteit.

Jacques Derrida bracht weinig begrip op voor mensen die alles in zijn werk tot «deconstructie» terugbrachten en dit vervolgens omschreven als een methode waarmee men uiterste polen in een tekst tegen elkaar afzet om zo tot verzwegen betekenissen te komen. Hij kon ook smakelijk lachen om het te pas en te onpas gebruiken van het woord «deconstructie» door interessant doenerige kunstenaars. Waar hebben ze het over? vroeg hij zich dan af. Deconstructie doet wel iets, maar het is niet iets wat je kunt doen. Een kunstenaar die zegt dat hij met zijn werk dit of dat deconstrueert heeft er weinig van begrepen. Het is geen handeling waar een einde aan kan komen. Deconstructie is, in tegenstelling tot wat critici wel beweerden, nooit af.

Maar er kan niet ontkend worden dat Derrida misvattingen over zijn werk zelf in de hand werkte. Hij hulde zich vooral in zijn vroege werk in talige en typografische nevelen, waardoor hij soms aanleiding gaf voor wilde en zelfs kwalijke interpretaties. Hij kon die niet ontkrachten omdat hij dan zijn toevlucht zou moeten nemen tot datgene wat hij volgens zijn eigen opvattingen niet kon doen: een streep in het zand trekken. «Tot hier en niet verder» hoorde niet tot zijn vocabulaire, want dan zou hij ingaan tegen zijn in de loop der jaren omzichtig geformuleerde these dat iedere vastomlijnde duiding altijd een gewelddadige inbreuk is op de geschiedenis, de cultuur en de taal.

Begin jaren tachtig keerde hij zich tegen iedereen die hem van relativisme betichtte. Hij ontkende niet dat hij vaak uiterst omzichtig te werk ging, maar dit leidde volgens hem zeker niet tot relativisme. Sterker nog, in zijn latere werk bracht hij het begrip deconstructie steeds sterker in verband met rechtvaardigheid. «Deconstructie», zo schreef hij in 1989 in Kracht van wet, «is rechtvaardigheid». Volgens hem impliceerde zowel deconstructie als rechtvaardigheid een open gerichtheid op de toekomst. Van beide is niet te zeggen: kijk, daar is deconstructie, daar is rechtvaardigheid. Wat zij precies zijn, ontgaat ons, omdat beide begrippen bij uitstek niet te duiden zijn: zij zijn niet onderhevig aan deconstructie. Toch zijn beide een altijd aanwezige stuwende kracht die regels, structuren, wetten, normen en waarden op ieder moment openhouden voor discussie. Zo zet rechtvaardigheid ons aan tot discussie over de keuzes tussen het individu en algemeen geldende wetten. Zij dwingt ons dat hier en nu te doen. Rechtvaardigheid laat niet op zich wachten. Rechtvaardigheid breekt – in de terminologie van Derrida – een rigide navolging van wetten open, want een rigide navolging is altijd een calculerende navolging en calculatie ontkent de uniciteit van het individu en dat zou onrechtvaardig zijn. Tegelijkertijd moet er toch sprake kunnen zijn van calculatie, willen wetten voor iedereen geldig zijn. Juist rechtvaardigheid houdt deze wisselwerking in stand, buiten ons bereik, zonder oplossing, altijd een belofte van wat komt, maar nooit zal komen: een justice-à-venir.

Dat deze te-komen-rechtvaardigheid, evenals deconstructie, door Derrida omschreven wordt als «een kracht», is niet onomstreden. «Kracht» is een lelijk en beladen woord, zo gaf hij toe. Ook al liggen er volgens sommige critici semi-religieuze connotaties op de loer, voor Derrida verwees «kracht» toch vooral naar geweld: het geweld van het interpreteren van woord en wet, het geweld van en tussen culturen, het geweld in en tussen staten. Deze krachtsuitingen, zowel verbaal als non-verbaal, tegelijkertijd fysiek als non-fysiek, vond hij de belangrijkste uitdagingen van onze tijd. Daarom was Derrida in de laatste jaren voor zijn dood actief betrokken bij vele initiatieven waar men de nadruk legde op mondiale vraagstukken: het probleem van de vluchtelingen, internationale tribunalen, terreur en de oorlog in Irak. Een filosoof, schreef hij onlangs in een artikel, is iemand die zich actief bezig moet houden met deze vraagstukken.