Jacques presser

De jonge Jacques Presser, leerling van de Openbare Handelsschool te Amsterdam, kreeg van een gecommitteerde een ogenschijnlijk eenvoudige examenvraag voorgelegd: ‘Wanneer is Heinrich Heine geboren?’

Presser zei het niet te weten. De pen zweefde reeds over het papier, gereed om een dikke onvoldoende te noteren. De examenkandidaat sprak haastig enige toelichtende woorden: Presser wist het niet, omdat Heine het zèlf ook niet wist. Het kan 1797 of 1799 zijn geweest, terwijl de dichter zelfs eens heeft beweerd in de nieuwsjaarsnacht van 1800 ter wereld te zijn gekomen, zodat hij in feite als ‘een der eerste mensen van een nieuwe eeuw’ moest worden beschouwd.
De gecommitteerde betoonde zich onwillig tevreden. 'Ik wist er duidelijk driemaal zoveel van als hij’, zei Presser later.(De historicus Jacques Presser (1899-1970) gold bij leven en welzijn als de Heine-kenner van de Lage Landen. Hij dankt dit niet aan een mooie, doortimmerde, op vele geleerde voetnoten voortmarcherende Heine-studie, maar aan zijn prachtige en smartelijke inleiding op het door hem samengestelde bundeltje Heine-poezië (Ich weiss nicht was soll es bedeuten, 1956). Ik citeer de eerste zin: 'Tijdens de oorlog ben ik, behalve nog het een en ander, ook een nationaal-socialistisch gezangenbundeltje kwijtgeraakt en dat spijt me.’ Waarom? Omdat het boekje een curiositeit bevatte: Heines Loreley, een van de beroemdste Duitse klassiekers, door de nazi’s, speculerend op de vergeetachtigheid van het publiek, aan een 'onbekende dichter’ toegeschreven.
Zij haatten Heine natuurlijk en niet alleen omdat hij een 'verbummelte freche kleine deutsche Jude’ was (Adolf Bartels, Geschichte der deutschen Literatur, 1901/02). Het is maar een van de vele ongehoorde typeringen uit een haatcampagne die pas na de Tweede Wereldoorlog zou verstommen. 'Ik wil niet te grof generaliseren’, zei Presser, 'maar ik meen dat men onder zijn vijanden ongemeen veel plebejers, bekrompenen, kwakzalvers, schijnheiligen, mislukkelingen, fanatici aantreft, om mij tot deze zeer beknopte keuze even te beperken. Hij onthulde de laagste instincten van een deel van het Duitse intellect, van de horige hoogleraar tot de vlegelachtige corpsstudent; hij was de stoorzender in een atmosfeer vol zelfvoldaanheid en banaliteit; hij desinfecteerde de muffe alkoven der Duitse kleinburgers; met niets meer dan zijn pen in zijn hand en zijn lezers achter zich, bestreed hij maatschappelijk onrecht en politieke reactie, ontmaskerde hij de bourgeois-moraal zijner tijdgenoten, hun lafheid, ijdelheid, platvloersheid en zelfoverschatting.’
Is het niet fraai geformuleerd? Men hoeft zich niet af te vragen bij wie Presser het vak heeft geleerd.
Het waren, constateert Pressers biografe Nanda van der Zee (Jacques Presser, 1988), in feite loten van één stam: dichters, joden en veelschrijvers, stoorzenders, maatschappelijk bevlogenen, ademend 'in een wereld die hen tegenstond’, mannen met geest en stijlcultuur. 'Beiden zijn dol op woordspelingen en puntigheid, beiden eisten van zichzelf zorgvuldigheid in taalgebruik en beiden zijn meeslepend, moralistisch en ironisch.’
En als Presser weer eens Parijs bezocht, verzuimde hij nimmer een bloemetje op Heines graf - op het kerkhof Montmartre, vlak bij Stendhal - te leggen, een mooie gewoonte die ik, naar polderlandse maatstaven eveneens een soort Heine-kenner, dus maar na Pressers dood van hem heb overgenomen.