Jacques presser

In Contrapunt in De Groene van 17 mei schrijft Martin van Amerongen dat de kritiek van Jaap Meijer op Jacques Pressers Ondergang ‘wellicht’ door kinnesinne (jaloezie) was ingegeven, ‘omdat Presser inmiddels beroemd was, terwijl Meijer tot een voetnoot in de biografie van zijn stormachtige zoontje Ischa dreigde te verschrompelen’. Deze veronderstelling lijkt mij om meer dan een reden onjuist en onrechtvaardig.

Om met de laatste reden te beginnen: Jaap Meijer uitte zijn kritiek reeds direct na het verschijnen van Ondergang in 1965. Zijn zoon Ischa was toen pas 23 en nog allerminst beroemd. Ten tweede zijn er tegen Pressers Ondergang inderdaad vele bezwaren in te brengen. Een ervan is dat Presser, hoewel zoon van joodse ouders, in tegenstelling tot Jaap Meijer geen werkelijke kennis van of belangstelling had gehad voor de joodse gemeenschap in Nederland zoals die in de jaren voor 1940 was geweest, en evenmin voor die in de jaren na 1945. Zijn relaas begint op 15 mei 1940 en eindigt op 5 mei 1945. Hoewel zeer gedetailleerd heeft zijn verhaal geen oog voor bepaalde aspecten en gebeurtenissen van die jaren, of voor bepaalde groepen joden. Zijn relaas is verder subjectief, egocentrisch en soms irriterend, bijvoorbeeld door zijn gebruik van de woorden ‘deze historicus’ wanneer hij zichzelf bedoelt. Verder is zijn werk begrensd, niet alleen in tijd maar ook in plaats. Hij beschrijft alleen de gebeurtenissen in Nederland en de kampen, en alleen voor zover deze Nederlandse joden betreffen. Ten slotte is zijn werk wat betreft zijn veroordeling van de Joodsche Raad, hoewel hij zelf daarvan een Sperr aannam, sterk beinvloed door de in de naoorlogse periode in zijn kring heersende politieke opvattingen.
Zeer hinderlijk is mijns inziens dat Presser zichzelf beschrijft als degene door wie 'nog eenmaal’ de aanklacht van de omgekomenen gehoord zal worden, eraan voorbijgaand dat ook daarvoor deze aanklacht reeds was geuit en dat dit daarna nog talloze malen het geval zou zijn. Verder is het boek mijns inziens door zijn gedetailleerdheid zeer moeilijk leesbaar. Het verwondert mij daarom zeer dat niet minder dan 300 historici - ik wist niet eens dat er zoveel tot oordelen bevoegde historici in Nederland zijn - Pressers Ondergang tot het beste boek over de Tweede Wereldoorlog (in Nederland) hebben uitgeroepen.
Dat Jaap Meijer wegens zijn verblijf in Bergen-Belsen wellicht evenmin objectief had kunnen schrijven, zoals Martin van Amerongen veronderstelt, is niet juist. In tegenstelling tot Presser was Jaap Meijer zeer goed op de hoogte van de joodse geschiedenis door de eeuwen heen, en niet slechts van die in Nederland van 1940-'45.
Het is overigens aan latere generaties voorbehouden te oordelen wie het meeste 'formaat’ had: Jacques Presser, Ischa of Jaap Meijer. Mijn keuze is duidelijk.
Badhoevedorp, HENRIETTE BOAS