Jacques tailleur, overlever ‘relaties, dat was het enige wat telde’

‘Kamp Westerbork was een grote gemeenschap waar alles net zo toeging als in de gewone maatschappij. Mensen die niets te vertellen hadden, kregen ook daar niets te vertellen. Geld telde er niet, maar wel relaties, dat noemden we vitamine R. Een voorbeeld daarvan was de centrale keuken. Als de vleesboer was gekomen, begon de kok aan al zijn vriendjes stukken vlees uit te delen. Voor de rest van het kamp bleef er niets over. Zo werkte die vitamine R.’

Jacques Tailleur wist vooral door die vitamine R in het doorgangskamp Westerbork te blijven en daar als jood uiteindelijk de oorlog te overleven. Maar veel gescheeld heeft het niet. Zeventien keer stond hij op de transportlijst. Een keer zat hij zelfs al in een van de beestenwagens, toen iemand die bij de Registratur werkte hem er op het nippertje uit liet halen.’
Jacques was zeventien jaar toen de oorlog uitbrak. Zijn ouders woonden in Overveen en behoorden tot de gegoede middenstand. Hij heeft daar een heerlijke jeugd gehad. Na 10 mei 1940 probeerden ze naar Engeland te vluchten, maar dat mislukte omdat alles was afgezet. Ze verhuisden naar Amsterdam-Zuid. In het begin van de oorlog was er voor joden nog niet zo veel aan de hand. Jacques, of liever Jaakie, zoals hij toen heette, werd jongste bediende bij een bonthandel. Hij moest ook elke week een pakket levensmiddelen sturen naar de zwager van zijn baas, die in Westerbork geïnterneerd zat. En daarmee, met die verzending van alle mogelijke heerlijkheden op kosten van zijn baas, begon naar zijn zeggen zijn de vitamine R te werken.
‘Dat was mijn eerste levensverzekering. Het eerste redden van mijn eigen leven. Ik had geluk. Op 2 mei 1941 ben ik bij een razzia opgepakt met driehonderd andere joodse jongens. We zouden naar Mauthausen worden gestuurd. Om een uur of zes werd er opeens omgeroepen: “Sind noch Leute unter achtzehn da?” Over een week zou ik achttien worden en ik zeg tegen mijn buurman: “Eruit!” We zijn vrijgelaten. Binnen twee maanden waren al die jongens die toen naar Mauthausen werden gezonden, dood.
Maar binnen twee maanden kwam er voor mij ook een oproep om te gaan werken in Diever, in Drenthe, in een werkkamp. Als ik mij niet zou melden, zou mijn familie worden opgepakt. In dat kamp werd je al dadelijk op je plaats gewezen: de ariërs die er ook werkten verdienden het dubbele van de joden.
De situatie in dat werkkamp was op zichzelf niet slecht. We moesten heide ontginnen: plaggen steken en diepgraven. Op een dag werden we opgehaald door de Nederlandse marechaussee om geïnterneerd te worden in het kamp Westerbork. We moesten lopen naar het ongeveer 35 kilometer verderop gelegen kamp. De koffers gingen er op de paardenwagen achteraan.
Toen we in Westerbork aankwamen, schrokken we, want we zagen overal Grüne Polizei, en die was voor ons het ergste wat er bestond. Westerbork bestond toen alleen nog maar uit lage huisjes en een paar barakken, verder was er helemaal niets. Voor de oorlog was dat op kosten van de joodse gemeenschap gebouwd als interneringskamp voor vluchtelingen uit Duitsland.
We moesten er een spoorlijntje aanleggen - nou ja, wisten wij veel waarom en wat daarmee te gebeuren stond. Na een drietal dagen kwam de zwager van mijn baas uit Amsterdam me opzoeken; ik wist niet wat ik zag. Hij zei: “Ik zal zorgen dat je ander werk krijgt.” En toen ging hij met de Barakken-Führer smoezen.
Ik werd Ordonnanz, boodschappenjongen. Dus ik bracht papieren heen en weer van de Nederlandse Kommandatur naar de Duitse Kommandatur. Dat baantje betekende dat je in zekere zin veilig zat en dat je niet hard hoefde te werken. Met de andere ordonnansen ben ik hecht bevriend geraakt.
Op 15 juli 1942 begonnen de transporten en in oktober 1942 werden bij de grote razzia in Amsterdam mijn ouders en zusjes gepakt en naar Westerbork getransporteerd. Mijn vader was zwaar suikerpatiënt. Ik heb hem gelukkig een baantje in de keuken kunnen bezorgen zodat hij op tijd voedsel kreeg. In het ziekenhuis reserveerde men insuline voor hem en men controleerde zijn lichamelijke toestand. Er was geen beter ziekenhuis in Nederland dan dat in Westerbork, geen ziekenhuis waar zo veel specialisten werkten. Na een jaar verblijf in Westerbork zijn mijn ouders en zusjes toch doorgestuurd en vergast.’
'Door vriendjes kreeg ik in die herfst van 1942 een baan als Ordonnanz bij de Duitse Kommandatur. De baas daar van de ordonnansen heette Michaelis. Hij knipmeste wel voor de Duitsers, maar nam ze ondertussen gewoon in de maling. Ik moest ook op het kantoor van kampcommandant Gemmeker en zijn maintenee, Frau Hassel, werken.
Die Frau Hassel was een heks, een echte antisemiet. Gemmeker was dat niet. Hij was een herige ambtenaar, een Duitser die daar voor zijn lijfsbehoud zat, dolblij dat hij niet naar het oostfront hoefde, zoals wij blij waren dat we door ons baantje niet op transport hoefden naar verre gebieden waarbij je niet wist of je er ooit nog levend vandaan zou komen.
Bij de transporten die naar Westerbork kwamen, zaten allerhande kunstenaars: muzikanten, acteurs, cabaretiers, costumiers, noem maar op. Gemmeker heeft de top onder hen zo lang mogelijk in Westerbork gehouden, zodat hij maatpakken kon laten maken en zich kon amuseren met muziek, toneel en cabaret. Er was een revue, een cabaret en heel veel muziekuitvoeringen, allemaal het puikje van de zalm. Ik heb nooit meer zo veel cultuur in mijn leven meegemaakt als daar in Westerbork.
De transporten gingen iedere week op dinsdag. Dus het was iedere week weer een zenuwslopende toestand om maar niet op de lijst geplaatst te worden of van de lijst te worden geschrapt. Mijn baantje was niet meer veilig genoeg, maar ik wist ervoor te zorgen dat ik werk kreeg bij het bouwen van een kippenfarm voor de kampcommandant. Later moesten we hokken maken uit in beslag genomen woonwagens van gedeporteerde zigeuners. We wisten niets van kippen fokken, maar we hadden vergunning om in de centrale keuken afval voor de kippen op te halen en dan hadden we vaak een emmer bij ons, die we per ongeluk in de suiker lieten vallen, dat had je weer voor de hele maand suiker.
We onderhielden ook een goed contact met de chef-kok, die ons ook wel pakjes boter toeschoof. Zo kwam je erdoor. Het was allemaal vitamine R, ofwel: relaties.
Je was bang voor het onbestemde, het onzekere. Ik had een kaartje van een vriendin uit Polen gekregen waarop stond: “Mit uns geht es gut.” Dat was het. Je hoorde eigenlijk niets. Ik luisterde wel stiekem naar de Engelse radio - maar dat was pas na Dolle Dinsdag - in het huis van Gemmeker als ik daar de ontbijtboel moest afruimen. Toen heb ik ook wel gehoord over de vernietigingskampen, maar dat was pas in de herfst van 1944.
Je wilde zo lang mogelijk in Nederland blijven, want je voelde wel dat het daarginder niet goed was in het onbestemde. Maar de moorden, de vergassingen? Dat kwam in geen normaal mensenhoofd op. Wij zijn pas achterdochtig geworden toen ook kleine, moederloze kinderen en stokoude mensen op transport moesten. Toen zijn we ons achter de oren gaan krabben.’
'Het kamp werd bewaakt door zo'n dertig man, aanvankelijk door de Nederlandse marechaussee. Je kon wel vluchten, maar dan lieten ze je familie of vrienden ervoor boeten. Die moesten dan als vergeldingsmaatregel op transport, dus dat liet je wel uit je hoofd. Vluchten zonder anderen schade te berokkenen, was eigenlijk alleen maar mogelijk als je moederziel alleen in Westerbork aankwam en daar nog niemand kende. Later kwamen er van die politielui die hun training in de beruchte Schalkhaarkazerne hadden gehad: vreselijke lieden!
Je bent gewoon een vervolgde en je moet jezelf proberen te redden door op alle mogelijke manieren ervoor te zorgen dat je in Nederland blijft. Van gaskamers hebben we zelfs geen vermoeden gehad, maar ze zijn er toch geweest. Mijn hele familie is vergast, dat hebben we allemaal uit de papieren die de pünktliche Duitsers hadden bijgehouden, terug kunnen vinden. Op een oom en een tante na die ondergedoken waren in Blaricum en een broer van mijn vader die al voor de oorlog naar Amerika was geëmigreerd, bleek ik de enige overlevende te zijn.’
'In september 1944 ging het laatste transport uit Westerbork. Van de 2500 mensen mochten er maar vijfhonderd overblijven. Daarvan was ik er één, omdat ik voor de kippen moest zorgen. Dat laatste transport was een ramp: daar gingen je vrienden, je familie. Maar ja, ook daar moesten we ons overheen zetten. Het was jij of ik, anders was het niet.
Daarna was er geen gevaar meer en werd het leven in het kamp een stuk aangenamer. Wel kwamen er na Dolle Dinsdag op de vlucht geslagen NSB'ers binnen, maar daar had je weinig van te duchten, want die werden door de Duitsers helemaal met de nek aangekeken. Ik verzorgde mijn kippen en had met die NSB'ers niets te maken.
In april 1945 werden we in Westerbork bevrijd. Twee dagen daarvoor was Gemmeker in paniek gevlucht. Ik ben toen naar een vriend in Overveen gegaan. Ik kreeg wel een klap in mijn gezicht toen ik hem aantrof in het pak van mijn vader. Dat was naar!
De opvang was, om het zacht uit te drukken, niet bijster. Het eerste wat me gevraagd werd toen ik in Amsterdam kwam was: “Goh, hebben ze jou niet vergast?”
Voor de oorlog, dat proberen ze overigens te verdoezelen, was er wel degelijk antisemitisme in Nederland. Er waren veel bedrijven die geen joodse Nederlanders aannamen. In vergelijking met Polen viel het mee, maar het ontkennen van veel jodenhaat is niet terecht. Door de joden werd het doodgezwegen, maar overal had je scheldwoorden voor joden. Mijn vader zei altijd dat we ons gedeisd moesten houden en vooral niet op de voorgrond moesten treden. Maar dat was de foute mentaliteit. Na het afslachten van het Nederlandse jodendom heb ik dat dan ook radicaal bij mezelf veranderd. Ik heb mijn kinderen als zelfbewuste joden opgevoed.’
'Op het monument van Ralph Prins na, dat met de rails, was er van Westerbork niets meer over dan het terrein met bos eromheen waar de mensen tijdens een dagje uit zowaar gingen picknicken. Daarom hebben wij ervoor gezorgd dat het monument met die 102.000 steentjes er is gekomen. Die symboliseren de joden die niet terugkwamen. Wij hebben tot op de dag van vandaag contact en op initiatief van Louis de Wijze hebben we ervoor gezorgd dat dat tweede monument er kwam in Westerbork. De onthulling van dat monument hebben we ervaren als de verlate begrafenis van onze familieleden.’