6 september 1920 –13 november 2009

Jacques-Yves le Toumelin

De Franse zeezeiler Jacques-Yves le Toumelin verkende zijn bestaan door middel van zijn kotter. Hij was kwader over de onderbreking van zijn plan in 1940 door de Duitse opmars dan over die opmars zelf.

‘IK WAS EEN BIJTERTJE, afkerig van onrecht, lichtgeraakt, verlegen, idealistisch, een bikkel. Ik kreeg geen leugen over mijn lippen, haatte leugenaars. Door mijn opvoeding had ik op mijn veertiende een handvol simpele principes die ik onaantastbaar achtte.’
Zeezeiler Jacques-Yves le Toumelin behoorde tot de laatste generatie voor wie eenvoud en godsvrucht nog geen clichés waren. De jonge Jacques-Yves geloofde alleen in God, Bretagne en zichzelf. En de zee zat hem in het bloed. Zijn Bretonse vader was kapitein op de laatste dwarsgetuigde handelsschepen, zijn moeder stamde uit het zeerovershol Saint Malo. Het ongeluk wilde dat hij in Parijs geboren werd, maar Jacques-Yves vluchtte zodra hij kon naar Bretagne.
Hij wilde als officier de fijne kneepjes van de zeevaart leren kennen, intussen geld sparen en dat gebruiken om in een eigen boot rond de wereld te zeilen. Op de muur van zijn kostschoolkamer hing het refrein van Espronceda’s Canción del pirata: ‘Mijn schip is mijn schat/ mijn god mijn vrijheid/ mijn wet, de stroming en de wind/ mijn enig vaderland, de zee’. Op zijn nachtkastje lag, naast de bijbel, de Franse vertaling van Sailing Alone Around the World, het reisverslag van de Canadees Joshua Slocum. die in de jaren 1895-98 als eerste deze krachttoer volbracht.
Toen de Duitsers in mei 1940 doorbraken naar Parijs en Duinkerken deed de negentienjarige Jacques juist toegangsexamen voor de zeevaartschool. Hij was kwader vanwege de onderbreking van zijn plan dan vanwege de Duitse opmars, schrijft zijn biograaf Donald Holm (The Circumnavigators, 1974). En hij zette door. Hij sprokkelde een stuurmansdiploma bij elkaar, spaarde van het karige loon dat hij als maat verdiende op vissersschepen en bouwde in 1943 een eigen schip. Dat was gezien de oorlogsschaarste geen geringe prestatie. Le Toumelin spaarde het geld voor het hout, de mast en het anker uit eigen mond. Toen hij eindelijk een kielbalk had bemachtigd moest hij die eigenhandig over straat van het station naar de werf slepen. Maar kort na de Geallieerde landing van 6 juni 1944 vernielden de Duitsers zijn schip. Alleen zijn sextant, een aandenken van zijn vader, wist hij te redden.
Na de oorlog bouwde Le Toumelin in alle rust een nieuw schip. De kotter Kurun (Bretons voor ‘donder’) mat 33 voet, de ideale lengte voor een zeewaardig jacht van die tijd. Een groter schip was niet te hanteren in een tijd dat rolzeilen en stuurbekrachtiging niet bestonden. Een kleiner schip was niet robuust genoeg om zware zeeën te doorstaan. De kajuit was even hoog als het gangboord, alle comfort was opgeofferd aan de lengte. Le Toumelin wist wat hij deed. ‘Lengte loopt’, zoals de uitdrukking onder zeilers luidt. Hoe langer de kiel, des te hoger de rompsnelheid. Die laatste wordt natuurlijk alleen gehaald als het schip het vereiste vermogen levert. Dat moest bij de Kurun van de zeilen komen, want een motor zat er niet in: Le Toumelin verachtte scheepsmotoren en weigerde er een in te bouwen. Radio had hij ook niet aan boord, evenmin als een radar, watermaker, gps en andere verworvenheden van de moderne zeezeilerij.
Toen hij op 19 september 1949 in zee stak vanaf de kade waar hij als kind had gespeeld, werd hij enkel uitgewuifd door zijn vader en een plaatselijke ship chandler. De goegemeente verklaarde hem voor gek, maar hij had maar één gedachte: je suis libre. Zijn reisverslag Kurun autour du monde, 1949-1952 is doortrokken van dit existentiële thema. Het verhaalt van zijn euforie toen hij na een overtocht van slechts zeventien dagen (‘Kurun liep als een renpaard voor de wind’) voor Martinique ankerde, zijn hardnekkige ruzies met de bemoeizuchtige Amerikaanse autoriteiten in het Panamakanaal, de verleidelijkheid van Tahitiaanse meisjes en zijn heimelijke trots toen hij onderweg toch maar een radio kocht die op van die ‘wonderbaarlijke Amerikaanse batterijen’ liep. Hij was verrukt toen hij in Natal een oude Mauritiaanse immigrante trof die als klein meisje had meegevaren op Slocums schip. In die naïviteit schuilt de kracht van zijn boek. Volgens Holm, die veel vergelijkbare scheepsjournalen bestudeerde, is Le Toumelins beschrijving van de Keeling Eilanden ‘de beste van alle zeezeilers’. Tegelijk voelde hij zich aan boord ‘heel bourgeois’, bekent hij in een vergeeld bioscoopjournaal van 1952 dat de Franse staatsomroep bovenhaalde: ‘Ik had mijn kleine huisje bij me, mijn meubeltjes; ik zette bij wijze van spreken bij het binnenkomen mijn schoenen op de deurmat.’
Toen hij in juni 1952 weer aanlegde in Le Croisic was hij dankzij de toenemende publiciteit een volksheld geworden en werd op de kade bevorderd tot ridder in de Orde van Maritieme Verdienste. Het kon hem allemaal weinig schelen. Hij had niet alleen zijn ‘weggegooide’ oorlogsjaren achter zich gelaten, heel Gods schepping was naar zijn gevoel zijn thuis geworden. Le Toumelin maakte nog een reis naar de Antillen, schreef er een tweede boek over en legde zijn schip voorgoed op. Hij begon een eenmanszaak in scheepsbenodigdheden, trouwde en kreeg drie kinderen. De rest van zijn leven verdiepte hij zich in oosterse filosofie.
Hij schuwde de publiciteit en weigerde lucratieve bijbaantjes in de opkomende jachtindustrie of bij zeilraces met namen als Louis Vuitton of Solidaire du Chocolat. ‘Le Toumelin hechtte absoluut niet aan geld of vertoon’, zegt zijn oude vriend Georges Viaud, voorzitter van de stichting Les Amis du Kurun, over de telefoon: ‘Hij had ook geen intellectuele pretentie, alleen een menselijke, en hij was een zeer gelukkig mens. Het schip was zijn middel geweest om zijn eigen bestaan, de toenadering tot anderen en de rest van de wereld te verkennen. Daaraan had hij een leven lang genoeg.’