Mens versus dier: Het wilde zwijn

‘Jagers vervangen de roofdieren’

Een broeierige donderdag, eind juni. De in het groen gestoken Joost Ploos van Amstel staat in het Leenderbos nabij Eindhoven en kijkt naar beneden. Hij zoekt naar de aanwezigheid van het wilde zwijn – oftewel het varken, zoals hij het dier liever noemt.

Ploos van Amstel ontdekt afdrukken in het zand. Het zijn verse sporen, maar of ze van varkens zijn, weet hij niet. ‘De grond is te droog.’ Dan tuurt de jager over de uitgestrekte open vlakte, midden in het bos. Geen beweging, geen wild zwijn te zien.

Maar schijn bedriegt.

In de Brabantse natuur zijn de dieren ruim aanwezig en zorgen voor overlast: ze vreten boerengewassen op, zorgen bij oversteken voor gevaarlijke verkeerssituaties en kunnen varkenspest overdragen.

Het aantal wilde zwijnen stijgt. Hoeveel er zijn, is niet bekend – in Nederland geldt het zogenaamde nulstandbeleid, wat betekent dat de zwijnen hier niet mogen zijn. Alleen op de Veluwe en het Limburgse natuurreservaat De Meinweg zijn ze gewenst.

Organisaties als Staatsbosbeheer, faunabeheer en de wildbeheereenheid Baronie van Cranendonck, waarvan Ploos van Amstel voorzitter is, zijn het erover eens: het zijn er te veel. Schoten de Noord-Brabantse jagers in 2005 elf dieren af, vorig jaar waren dat er meer dan vijfhonderd.

Vijftien jaar geleden begon het. Waar ze precies vandaan kwamen is onduidelijk, maar België is een goede gok, vertelt Ploos van Amstel. ‘Onze buurlanden tolereren het wilde zwijn wel en van landsgrenzen trekken ze zich weinig aan.’

Op de weg tussen Maarheeze en Soerendonk vond vorig jaar een ongeluk plaats met wilde zwijnen. We stoppen bij een maïsveld langs die weg, dat is afgezet met schrikdraad. Het houdt ze tegen. ‘Maar ze zijn slim’, zegt Ploos van Amstel. ‘Als ze een “lek” ontdekken, zijn ze er meteen bij.’

Ook elders in Europa heerst angst voor het zwijn: in het najaar wil de Deense regering een kilometers lang hek bouwen op de Duitse grens. De Denen zijn als de dood voor de varkenspest – het is funest voor de internationale handel. In Nederland klimmen jagers in hun hoogzitten – houten huisjes op palen waarvandaan ze de varkens schieten. In het schieten gaat veel tijd zitten. Veertig tot zestig uur per wild zwijn.

Aan de rand van het Leenderbos, vlak bij Valkenswaard, wacht boer Toine Maas ons op. We volgen hem richting een tarweveld. De wilde zwijnen zijn inmiddels gevlogen. Maas pakt een geknakte tarweplant. De zaden zijn opgegeten, de zaadschillen liggen op de grond. Ploos van Amstel informeert naar de schade. ‘Dit zijn plukjes van honderden euro’s’, antwoordt Maas. ‘Maar als ze het hele veld opeten, ben ik vierduizend euro kwijt, wat vorig jaar gebeurde.’ Over drie weken is de tarwe rijp. ‘Maar ik ben benieuwd hoeveel er dan nog over is’, verzucht de boer.

‘Stadsmensen denken: laat die zwijnen, het is de natuur’, weet Ploos van Amstel. ‘Maar er is echt veel overlast. Roofdieren om het natuurlijke evenwicht in stand te houden kent Nederland niet. Jagers vervangen hen in de top van die piramide.’