Menno Hurenkamp

Jalalabad

Ik wilde al lang naar Jalalabad gaan. Eerst wist ik niet eens waar de stad lag. Ik dacht ervoor naar India te moeten reizen. Toen ik erachter kwam waar Jalalabad zich bevond, bleef het verlangen. Niet om de geschiedenis van de Afghaanse stad wilde ik gaan. (Jalalabad is vijfhonderd jaar geleden door de Moghuls gesticht als zomerverblijf.) Niet om door te reizen naar de beruchte Khyber-pas tussen Afghanistan en Pakistan, en ook niet om een gat in de opiumvoorraden te slaan. Niet om sinaasappels te plukken en niet om in de voetsporen van oude hippies te treden. Ik wilde naar Jalalabad gaan om de naam. Om de naam van de stad, die klinkt zoals een parfum zou moeten ruiken, die de langste schemering van de wereld belooft en ook houtskoolvuurtjes en ongrijpbaar diepzinnig denken.

Een verleidelijker stadsnaam kende ik niet. Daar zijn was het doel. Jalalabad, een stad die in het allerergste geval een hemels kuuroord zou zijn, maar dan tenminste zonder gepensioneerde Duitsers. Maar eenmaal daar in de buurt zei alles en iedereen tegen me: «Don’t go.» Dus ik ging niet.

Op de kaart zie je dat Afghanistan gebukt gaat onder sprookjesachtige namen. Shindand, Gereshk, Tora Bora. Tora Bora: de eeuwig witte bergen waar Bin Laden misschien verstopt zit, moeten alleen al door hun mysterieuze naam een zekere schuilplaats zijn. Toch is hun aantrekkingskracht beperkter, misschien door het wat traditionele eindrijm. Jalalabad is met zijn rijkdom aan a’s complexer. De a’s zijn, als enige klinker, ook zoveel betoverender in dat mooie woord. Ik heb jaren in de Frans Halsstraat gewoond en woon al tijden in de Waalstraat. Nooit was ik gelukkiger. De Hertogstraat, het Bikoplein, de Blauwburgwal, de Tolstraat en zo nog wat plekken — ik heb er geen zelfmoord gepleegd, maar dat was het zo’n beetje. Zoveel a’s in een plaatsnaam hebben altijd iets te betekenen gehad. Ze stelden me gerust. Beter dan met alleen maar a’s kon het wonen niet worden. Ik ken ook een meisje dat alleen maar a’s als klinkers in haar naam heeft. Haar achternaam bestaat zelfs alleen maar uit a’s. Dat heeft haar leven verregaand beïnvloed, zegt ze, en ik geloof haar.

Maar in Jalalabad werden de afgelopen weken journalisten gestenigd. Er zijn bommen gevallen. Niet alleen deze herfst, maar al jarenlang. Pakistan liet vijf jaar geleden Talibanstrijders los op de stad. Ze reden schietend vanaf pick-uptrucks de poorten binnen, tot tevredenheid van de handelaren die de smokkelroutes beheersen. Pakistan hielp in oktober van dit jaar de Amerikanen Jalalabad bombarderen. Zij vlogen over met clusterbommen, tot tevredenheid van diezelfde smokkelaars wier zaken tegen die tijd in de soep waren gelopen. Uit de kranten begrijp ik dat de overlevenden langzamerhand hun schouders ophalen over het geweld. Een kleine, bijna kinderlijk poëtische illusie sneuvelt. Het is alsof Marc Dutroux rondwaart door Pippi Langkous’ Villa Kakelbont. De sprankelende waterval aan a’s ontnam me het zicht. Het was hopen op een wonder tegen beter weten in. Tenslotte heb ik nooit naar Kandahar willen gaan en — dwarsstraat — naar Arafat luistert ook niemand.