Met grootsheid valt niet zo goed te leven. Gelukkig is er de krant om iedere dag ons wereldbeeld te bevestigen: ook helden zijn niet meer dan vermomde schurken. Wereldverbeteraar Zusenmezo blijkt bezig om de belasting te ontduiken, revolutionaire Whatshername gedroeg zich in gevangenschap als een verwende prinses, topkok Jeweetwel is al jaren de boel aan het flessen. Hè gelukkig. Fraude laat zich makkelijker verdragen dan brille, falen is beter te verteren dan succes.
Ook heel wat biografieën van zogenaamd grote geesten zijn vooral geschreven om de held van zijn sokkel te trekken. Beroemd staatsman, prachtig werk gedaan, alom geëerd en geroemd, en toch niet anders dan de weg van alle vlees gegaan. Groot schrijver, klassiekers geschreven vol wereldleed en mededogen, maar tuk op voordeeltjes en te beroerd om zelf ooit de rekening te betalen. Gevierd feministe, wereldberoemd geworden
met het standaardwerk over man-vrouwverhoudingen, maar gekoeioneerd en vernederd in de slaapkamer. En altijd dronken bovendien.
Lucht dat op?
Mij niet.
Vooral schrijvers vallen nogal eens ten prooi
aan overijverige letterklerken die jaren van hun leven besteden aan het doorgronden van dat van een ander. Door over een beroemd schrijver te gaan schrijven, groeit een biograaf van een nederige Uriah Heep uit tot zo ongeveer Charles Dickens himself. Hij lift een eindje mee en heeft een tijdlang allerlei personages en intriges onder zijn beheer. Hij is bij voorbaat verzekerd van aandacht en als het een beetje meezit van verkoopsucces. Het pleit voor zijn invoelendheid en intelligentie als hij erin slaagt de afstand tussen hem en de ander te verkleinen en dichter- en dichterbij te komen. Door de ander te verkleinen, vergroot hij zichzelf.
Vooral bij schrijvers is het resultaat vaak zo ellendig en onverteerbaar. Het bijzondere en het onbeduidende, het geschreven en het geleefde leven, moeten met elkaar in verband worden gebracht. En dat gebeurt dan op de meest tenenkrommende wijze. Ik herinner me het schelle klaroengeschal van Laure Adler die de biografie van Marguerite Duras schreef. ‘Duras slaagde erin om iedereen in de door haar verzonnen leugens te laten geloven’, tetterde ze triomfantelijk. Of ‘het monument voor een vriendschap’ dat werd opgericht door Paul Theroux voor V.S. Naipaul. Naipaul kan nog zulke mooie boeken hebben geschreven over gespleten samenlevingen en koloniale erfenissen, zelf was hij natuurlijk eigenlijk een ontzettende lul en een racist bovendien.
Juist voor bewonderaars zouden schrijvers uit de weg moeten gaan, want zij keren als teleurgestelde minnaars huiswaarts. Het kijkje achter de schermen van het schrijversleven heeft hun niet de aanblik geboden die zij verwachtten en dus stapelt in hun biografie de bewijslast zich op. Brontë-biograaf Juliet Barker rekende in haar lijvige biografie voorgoed af met het serene beeld van Charlotte Brontë, die uit jaloezie en frustratie de manuscripten van haar jongere zus Emily zou hebben vernietigd. Nadat zijn pogingen een biografie over hem te schrijven strandden op tegenwerking, publiceerde Ian Hamilton Op zoek naar J.D. Salinger, waaruit moest blijken hoe paranoïde en bekrompen de geniale schrijver was. Deirdre Bair, die in Simone de Beauvoir een voorbeeldige sterke vrouw gevonden dacht te hebben, deed in haar biografie een boekje open over het seksuele leven van De Beauvoir, dat aanzienlijk minder vrolijk was dan tot dan toe werd aangenomen.
Iedereen ongelukkig, mislukt en lelijk, zo, we kunnen weer rustig gaan slapen.
Het kijkje achter de schermen is het probleem niet. Niemand zit te wachten op een dodelijk saaie reconstructie van een leven, of op het toedekken van schaamteloos gesjoemel. Als er niets onthuld wordt, heeft biograaf noch journalist zijn werk goed gedaan. Het is de behoefte aan banalisering, en vooral de gretige en triomfantelijke toon die mij zo misselijk maken.
‘Zulke bijzondere boeken, en dan zo’n onbeduidend mannetje’, zei ooit een docent tegen mij over Louis Paul Boon naar aanleiding van diens optreden in een televisiedocumentaire.
Het was een zogeheten kernmoment in mijn bestaan, een van de zes tot nog toe. Ik hoorde het hem zeggen, zag zijn onbeduidende lippen bewegen, en íets van de geest van de Dalai Lama daalde op mij neer. Een fractie weliswaar, maar toch. Sinds dat
moment gun ik grote geesten alles. In
ieder geval gun ik Ingrid Bétancourt haar lichtblauwe matras. Bono zijn belastingvoordeel. Gordon Ramsey zijn leugens. Ruud Lubbers zijn handtastelijkheidjes. Gudrun Ennslin haar blikje cola in het Jordanese trainingskamp. Eveline Herfkens haar appartement op loopafstand. Hillary Clinton haar toegewijde stagiair. Alleen dat enorme verkoopsucces op voorhand van Saskia Noort… Daar werk ik nog aan.