Andre de Richaud, De wonde. Vertaling Jan Pieter van der Sterre, De Bezige Bij, 168 blz., f34,50.
Hoe kun je de oorlog in woorden vatten? Andre de Richaud (1907-1968) omschrijft in zijn eerste roman De wonde (1931) de frontgang van Franse mannen als waren zij ‘aangetrokken door het vuur’. Het is 1914. In de loopgraven van Noord-Frankrijk verbruikt ‘de wereld de laatste bedenksels van het menselijk brein’, in Zuid-Frankrijk blijven de vrouwen en kinderen achter, onder wie Therese Delombre en haar zoontje Georges. Ze wonen in een dorpje bij Avignon. De moeder speelt ‘de komedie van de rouw’ omdat haar man al vroeg in de oorlog is gesneuveld. De legerkapitein is uit ‘haar gedachten en vlees’ verdwenen. Ze wil haar zoon beschermen tegen de man die hij wordt, tegelijkertijd projecteert ze op hem een liefde die het incestueuze nadert: ‘over de moederliefde lag een laagje modder’. Georges is haar prooi.

Andre de Richaud schrijft over deze broeierige moeder-zoonrelatie in zeer lijfelijke, soms zelfs dierlijke termen, wat in de jaren dertig in Frankrijk een schok teweegbracht. De moeder laat zich niet leiden door verstand, of door wat het dorp voorschrijft, maar door haar instincten, haar lust, haar passie en jaloezie. ‘Het bloed joeg hun door de aderen als een beest dat wordt opgejaagd over de bospaden. Dit sombere woud dat het lichaam is; voor iedereen afgesloten binnen de bosrand van zijn huid, en waarin alleen de liefde doordringt en licht brengt.’
De wonde gaat over de loodzware duisterheid van een allesverterende jaloezie, de ogenschijnlijke lichtheid van de lichamelijke liefde. De Richaud vergelijkt moeder en zoon met romanhelden. Tegelijkertijd komen moeder en zoon niet los van de rollen die zij, dank zij hun lectuur, willen of moeten spelen. Sterker nog, De Richauds creaties 'bedrinken zich aan de rol die ze speelden’. In dat opzicht lijkt de lijdensweg van Therese Delombre op die van Madame Bovary. Niet alleen haar gerichtheid op hoe het in romans toegaat of haar grenzeloze passie die te groot is voor de kleine dorpsgemeenschap. Ook haar voornemen zelfmoord te plegen als haar minnaar Otto - een Duitse krijgsgevangene die in het dorpje verblijft - zijn vertrek aankondigt, verwijst naar Flaubert.
De breuk tussen moeder en zoon wordt belichaamd door het vluchtelingetje Olga. Op de zolder van het afgelegen huis, een veelbetekenende plek in de roman, vraagt Georges Olga 'haar glazen oog uit te doen’. De moeder betrapt hen als ze elkaars lichaam betasten. Ze gebruikt een leugen om haar concurrente het huis uit te werken. Ze groeien uit elkaar, Georges blijft achter met een 'lege, gekwetste ziel’ en de moeder gaat op in haar liefde voor de krijgsgevangene. De Richaud onderstreept die verwijdering door op cruciale momenten van het zoonvertelperspectief over te gaan op het moederperspectief. Daarboven zweeft de alwetende ik-verteller die de lezer aan zijn hand neemt, voorspellingen doet en mijmert over het verhaalverloop.
De ik-verteller past zeker in het verhaal, met al die verwijzingen naar het leven van romanhelden. De verteller is onderdeel van het rollenspel in De wonde. Zijn speelse, soms belerende toon zorgt ervoor dat de roman niet bezwijkt onder de loodzware last van het thema. De Richaud had de ik-verteller ongetwijfeld nodig om afstand te scheppen en om reflecties over het verhaalverloop en de personages in te lassen. Het vertellerscommentaar is niet moralistisch, ook daarin is de invloed van Flaubert merkbaar.
Andre de Richaud schreef zijn eerste roman op achttienjarige leeftijd. 'Als kind had ik dezelfde dwaze idee als bepaalde filosofen en priesters van duistere religies, dat woorden levende wezens waren of leven in zich droegen - zoals eieren - en dat er, als je ze brak, een wereld van onvoorspelbare dingen uit te voorschijn kon komen.’ Juist die onvoorspelbaarheid maakt de kracht uit van De wonde. In de woorden van De Richauds ik-verteller: 'Nee, het leven presenteert onverwacht van die fraaie reeksen gebeurtenissen die een ontvankelijk hart overvallen, doorboren en laten bloeden.’