James Joyce, Joseph Brooker, Kees Tamboer

James Joyces mars door de instituties

Joseph Brooker

Joyce’s Critics: Transitions in Reading and Culture

University of Wisconsin Press,

266 blz., € 31,18

Kees Tamboer

Bloomsday: Gids door Dublin en Ulysses van James Joyce

Bas Lubberhuizen, 192 blz., € 17,90

In een brief uit 1923 aan Harriet Shaw Weaver, een van zijn financiële schutsengelen, meldde James Joyce dat zijn Franse collega Valéry Larbaud zes maanden eerder de uitdrukking «inner lijke monoloog» had geïntroduceerd voor een in Ulysses toegepast procédé. In dezelfde brief drukte hij de hoop uit dat T.S. Eliot met een soortgelijke verbale vondst zou komen, want: «Nu wil men een nieuwe uitdrukking. Ze kunnen niet meer dan één zo’n uitdrukking per zes maanden aan – niet uit gebrek aan intelligentie, maar omdat ze haast hebben.»

In deze brief vangen we een glimp op van Joyce als onvermoeibaar propagandist voor zijn oeuvre. Hij was er steeds op uit interpretaties en debat, zo men wil «ophef en vertier», aan te moedigen, zolang het maar over zijn werk ging. Twee vroege studies in boekvorm over Ulysses, die van Stuart Gilbert (1930) en Frank Budgen (1934), zijn door hemzelf geïnspireerd en begeleid; beide au teurs waren persoonlijke vrienden. Toch lopen de resultaten van de samenwerking met de grote man sterk uiteen. Zoals uit Ulysses overvloedig blijkt, beschikte Joyce als een meester-buikspreker over veel meer stemmen dan één. In de interpretatie die op Gilberts naam is terechtgekomen, ligt het accent zwaar op het verband tussen Ulysses en de Odyssee van Homerus. In de woorden van Joseph Brooker, schrijver van de jongste geschiedenis van de Joyce-receptie: «Voor Gilbert schuilt achter Dublin steeds de Odyssee.» Het staat vast dat dit op gezag (zo niet op last) was van Joyce zelf, die niet alleen mythologie gebruikte als ordeningsprincipe, zodat de episodes van zijn roman en de Dublinse omzwervingen van hoofd persoon Leopold Bloom gebaseerd zijn op de dwaaltocht van Odysseus, maar die bovendien elke episode een eigen orgaan, uur en kunst wilde meegeven (brief uit 1920 aan Carlo Linati).

Dit alles lijkt Ulysses tot een esoterisch werk te stempelen, weinig aantrekkelijk voor wie niet is ingewijd. Maar Frank Budgen, Joyces andere vriend en interpreet, toont zich in zíjn boek vooral geïnspireerd door wat hij onbekommerd noemt het «populaire karakter» van Ulysses. Volgens Budgen lijkt het boek op «die oude volksliedjes die verhalen van tragische gebeurtenissen op een vrolijke deun en een klinkend refrein van toereloerelee.»

Gilbert was een uiterst reactionair man, zoals blijkt uit zijn gepubliceerde dagboeken. Budgen daarentegen was socialist. Hij wilde Joyce behoeden voor het verwijt elitair of mandarijn te zijn. Zijn werk fungeert dan ook als een uitnemend glijmiddel voor wie zich door de reputatie van Ulysses voelt afgeschrikt. Bovendien kan men het lezen in de wetenschap dat Budgen, niet minder dan Gilbert met zijn homerische parallellen, optrad als een van Joyces woordvoerders.

Joyce’s Critics biedt tegelijkertijd meer en minder dan de titel belooft. Méér, omdat zich hier de geschiedenis ontvouwt van Joyces mars door de in stituties: behalve door de literaire pagina’s tevens (vluchtig aangeduid) de gerechtshoven en (zeer uitgebreid) de universiteiten; minder, omdat de na druk overdreven zwaar op de academische milieus ligt.

Het moet gezegd dat de door Brooker geciteerde reacties in de Engels talige pers op Ulysses allesbehalve academisch van aard zijn. Het boek werd «ranzig» bevonden, «unprintable» en «unquotable», «een stompzinnige verheerlijking van niets dan vuiligheid». Opmerkelijk is het aantal verwijzingen naar door de lectuur opgeroepen fysieke reacties. Meer dan eens heette het werk een braakmiddel. Arnold Bennett voorspelde verlammingsverschijnselen: «Veel personen zouden het lezen van Ulysses niet kunnen voortzetten; ze zouden zich, louter door de schok, genoodzaakt zien het te laten vallen.» Deze sensaties mogen primitief aandoen, ze echoën nog na in een tekst uit 1974 van de stevig in de avant-garde wortelende essayiste Julia Kristeva, voor wie de tekst van Finnegans Wake een «gevaarlijke en gewelddadige smelt kroes» opleverde, met de confrontatie waarvan de lezer gevaar loopt zijn identiteit opgelost te zien in ritme.

Zoals bekend heeft een deel van de receptiegeschiedenis van Ulysses de vorm aangenomen van juridisch ge steggel over de «obsceniteit» die het werk werd toegeschreven. Bij een van de rechtsgedingen meende de Amerikaanse advocaat John Quinn aan te kunnen tonen dat de gewraakte tekst geen wellustigheid bij de lezer teweegbrengt door te wijzen op de boze, verre van wellustige aanklager. Hij had geen succes, ook niet met de door een van zijn getuigen (John Cowper Powys) ge geven beschrijving van de roman als «een veel te duister en filosofisch werk om op enigerlei manier te kunnen corrumperen». Nog in 1946 moest je, om in de bibliotheek van de universiteitsstad Toronto Ulysses te lenen, twee brieven bij je hebben: van een arts en van een geestelijke.

Interessant is de ervaring van F.R. Leavis, als hoogleraar in Cambridge enkele decennia lang een van de meest invloedrijke Engelse literatuurcritici. Leavis’ afwijzing van Joyce berustte vooral daarop dat in diens werk taal en woorden worden ontkoppeld van een directe en spontane expressie, dat wil zeggen van wat voor de purist en puritein Leavis hun wezenlijke functie was. Grotendeels door toedoen van Leavis is Joyces erkenning in het Britse intellectuele discours lang opgehouden, waar door Amerikanen als Harry Levin en Richard Ellmann de leemte konden vullen: de Verenigde Staten werden het on miskenbare centrum van de Joyce-industrie. Toen Leavis de autoriteiten verzocht één exemplaar van Ulysses te mogen invoeren, strikt voor studiedoeleinden, kreeg hij geen toestemming; wel ontving de plaatselijke politie opdracht hem in de gaten te houden.

Intussen hebben, vooral onder in vloed van aan de Sorbonne in de jaren zestig en zeventig ontwikkelde denkmodellen, ook de Britse academische in stellingen oog gekregen voor de mogelijkheden tot oeverloos theoretiseren waarvoor Joyces werk zich zo heerlijk leent. In een van de minder meeslepende hoofdstukken van Brookers toch heel leesbare en instructieve verhandeling wordt de lezer om de oren geslagen met termen als structuralisme, poststructuralisme, semiotiek, fenomenologie en zo meer. Brooker citeert met instemming de opvatting dat Jacques Derrida de Joyce-kritiek van de toekomst de juiste richting heeft gewezen. Hij concludeert ook dat Joyce onfeilbaar is voor Derrida, die lezers van Joyce als de gevangenen van een «netwerk van taal, schrijfkunst, kennis, en zelfs verhaalkunst» omschreef: «Op alles wat wij bijvoorbeeld over Ulysses kunnen zeggen, is reeds geanticipeerd (…) We zijn gevangen in dit net.»

Blijkbaar heeft deze bekentenis Brooker niet aan het wankelen ge bracht in zijn overtuiging dat de academische wereld «geleidelijk haar rol op zich neemt als de belangrijkste plek voor de productie van literaire kritiek».

Niet minder toegeeflijk is hij over de feministische stroming binnen de Joyce-receptie, dit terwijl een van de constateringen die daarin zijn gedaan (door Bonnie Kime Scott) toch lijnrecht tegenover die van Derrida staat: «De ervaringen van de werkende moeders en de vrouw buitenshuis, speciaal op een werkplek, worden in Joyces werken nooit geschilderd.» Maar de eigenzinnige Molly Bloom was altijd al een feministisch rolmodel en op een meer abstract niveau worden de individuele personages in Finnegans Wake uitgewist in polyinterpretabele identiteiten die de mannelijke en de vrouwelijke principes harmonisch incorporeren. Een verandering van geslacht was trouwens bij Leopold Bloom te zien in de Circe-episode van Ulysses.

Al eerder, namelijk ter gelegenheid van de honderdste Bloomsday, verscheen een Nederlands boek met die titel. Het betreft een introductie tot Ulysses en Dublin-gids in één. Kees Tamboers streven is sympathiek en het re sultaat is zeker lezenswaardig, maar hij had wel wat nauwkeuriger mogen zijn. Zo is het onzin te beweren dat veertig jaar geleden buiten een kleine coterie niemand in Dublin Joyce kende en dat diens boeken en de secundaire literatuur in die stad niet verkrijgbaar waren. Bij Brooker valt te lezen dat Ulysses in de vroege jaren zestig «gewoonlijk» te bestellen was bij Dublinse boekhandelaren; zelf kocht ik in 1963 in Dublin Stanislaus Joyces Dublin Diary nadat dit werk me uit een etalage had toe gelachen. Het gaat vooral over broeder James. Het «boekje» dat in Tamboers tekst de secretaresse van Blazes Boylan zit te lezen, is The Woman in White; de editie van Wilkie Collins’ roman bij mij op de plank telt meer dan vierhonderd dichtbedrukte bladzijden.

Het geboortehuis van Oscar Wilde ligt niet, zoals Tamboer zijn lezers twee keer wil doen geloven, aan Merrion Square. Anders dan Tamboer meedeelt was William Archer niet de uitgever van de Fortnightly Review en is een «jaunting car» geen koets (het betreft een open wagentje met twee zitbanken).

Ergens citeert Tamboer een scabreuze brief die Joyce schreef aan Nora, zijn in Triëst achtergebleven vrouw, toen hijzelf in 1909 korte tijd in Dublin was. Tamboer meldt dat een passage van de brief onvoltooid is gebleven en dat deze zinnen erop volgen: «Doorgaan is niet meer nodig! Je kunt wel raden waarom.» Hij noemt dit «enigszins raadselachtig». Hoezo raadselachtig? Joyce stelde zich niet alleen voor hoe Nora masturbeerde, die gedachte was ook voor hemzelf op windend. Voorafgaande aan het neerschrijven van de geciteerde woorden moet hij zijn pen hebben verruild voor ander gereedschap, met voorspelbaar gevolg.