James Last, 17 april 1929 – 9 juni 2015

Van James Last dacht je dat hij al jaren hemelde. Schuld van zijn muziek, waaruit hij alle leven had gefilterd. De ware dood, die van de ziel, liet hij herrijzen in zijn Happy Party Sound.

Zijn muzak dommelde zachtjes door de winkelcentra en de burgerhuiskamers van de jaren zeventig, toen ik als jongen de milieus van vriendjes opsplitste in ouders met en ouders zonder James Last. James Last-vrij waren wij, in James Last-doorzonkamers ging het anders toe. Het was er te warm, de zon scheen te fel, het bankstel heette zithoek, de boekenkast met slechts de Grote Oosthoek wandmeubel. De volgens thuis kleinburgerlijke moeders uit Lasts schlagerreservaat kwamen met Snoopy-keukenschortjes voor vragen of je ranja bliefde, die zo chemisch smaakte als het Robert Stolz-arrangement dat met schlagerachtig koper en kunstmatig opgepompte strijkers uit de Philips-speakers stroomde.

Wat werd ik wee van de muziek, het tot geluk gezandstraalde verdriet dat heile Welt heet. Gespeelde levenslust als pleister op de wond van een verdrongen doorzonlijden. James Last had alle linke spanningen eruit gehaald, geen wanklank mocht de burgerlijke vrede storen. De blazers toeterden goedmoedig consonant en seksvrij met de staart tussen de benen. De ritmes en de tempi – niet te dol, niet te langzaam – bleven voor de traagste geest bevattelijk, de dynamische extremen strak binnen de verwachte tolerantiegrenzen: niet te hard, niet te zacht. De bandleider zal hebben gezegd: ze moeten het nooit zachter hoeven zetten, dat is een handeling.

Er werd ook zelden gezongen in die hits van hem. In lied-covers verving de arrangeur de stem door een trompet, een fluit, galmende strijkers of een hummend koor. Tekst had het te persoonlijk gemaakt. Het gaat vreselijk mis als Last op een nu elf jaar oude live-plaat Tears in Heaven laat vertolken door een coverzanger die beseft dat hij niet Eric Clapton is. Het virus van een niet-bereikte hartstocht kruipt als zand in de autistische machine.

Lasts levenswerk hoor ik huiverend. Een beangstigende feelgood-show was het, een glasharde ontkenning van het kwade. Hij maakte muziek die het voortreffelijk had gedaan in een verfilming van Orwells 1984. Het was een gouden greep van Quentin Tarantino om Lasts onvergetelijk verwaten panfluitfhit The Lonely Shepherd voor Kill Bill te gebruiken. Het wegkijksentiment is pure horror. Dit is muziek die de geur aannam van de omgeving waar zij bloeide. De koelcel van de supermarkt waar ik werkte, met de geur van chemisch aangelengde kou die het bederf moest tegengaan. Ik ruik het als ik La Paloma hoor, dat ik daar sidderend doorstond voor vijf gulden per uur, mij uitbetaald door winkelchefs met platenkasten vol James Last, terwijl de Tarantino-types buiten terechte moordplannen beraamden.

Indrukwekkend niettemin wat hij met geestdodende volharding heeft bereikt. Toen hij nog Hans heette, was de contrabassist Last zijn carrière na de Tweede Wereldoorlog begonnen in dansorkesten. Hij moet een uitstekende jazzmuzikant zijn geweest, die in Duitsland drie maal werd uitgeroepen tot jazzbassist van het jaar. Wat hij ook goed kon was arrangeren. Dat deed hij al in opdracht van orkestleiders toen hij nog in de amusementsorkesten van Bremen en Hamburg speelde. In 1963 nam hij voor Polydor onder de naam Hans Last und die Rosenkavaliere zijn eerste grammofoonplaat op, Die Gab’s nur einmal Folge 1. Tien jaar later had hij honderd gouden platen.

Zo begon het succesverhaal dat Last met vallen en opstaan tot in deze eeuw zou voortzetten, ook omdat zakelijke miskleunen zijn solvabiliteit zo hadden aangetast dat hij tot ver na zijn pensioen moest blijven doorwerken. Zijn arrangeerwoede reikte van Bach tot Vangelis. Er kwamen thema-albums als Beach Party Vol. 1 t/m 4, Dancing à Gogo en Classic Touch, het laatste met een misdadige bewerking van Mozarts Figaro-ouverture, het ritme als een drumcomputer in de hihat. Speciale vermelding verdient zijn zeebonkencyclus met onder meer Käpt’n James bittet zum Tanz en Käpt’n James auf allen Meeren.

Lokale markten bediende hij behendig met James Last in Scotland, James Last in Scandinavia of James Last in Holland. Voor ons verhaspelde hij Kleine Jodeljongen, Huilen is voor jou te laat en In het kleine café aan de haven. Met het thema in de altijd wat Tirools klinkende blazers en gewaagd tremolerende strijkers, aangedreven door de doods tikkende ritmesectie die je als een wekker hoorde aflopen, op naar de volgende take. Last liet de nummers op de plaat direct op elkaar aansluiten om te verhinderen dat je hem af zou zetten. Hij wist wat hij deed.

Bij de dood van James Last denk ik aan zijn spelers, de anonymi achter de wereldhits. Voor zijn bands moest hij schnabbelaars hebben, huurlingen, studiomuzikanten en live-nomaden, musici die zich hun leven anders zullen hebben voorgesteld, mannen die moesten. Hij was goed voor ze, een vader als Rieu. In een dorp onder de rook van Hamburg bouwde hij een vakantiecentrum voor zijn mensen, met quadrofonische stereo-installatie, veel kamers en voor iedereen een eigen sleutel, een tempel van troost.

Maar ik betwijfel of het heeft geholpen. Het moreel van de bemanning hoor je terug in het geluid. Niemand wil echt. Alle vreugde, alle weemoed – alles imitatie, simulatie van goede zin. Je zou willen weten hoe achter die schone schijn van miljoenenhits, wereldtournees en televisieshows werkelijk is geleefd. Het verhaal van de trompettist, die op zijn achtste het trompetconcert van Hummel speelde, uit liefdesverdriet aan de drank raakte en niet meer kon. Dat van de violist, die na een tragische auditie bij de Hamburger Staatsoper maar bij Käpt’n Last had aangemonsterd, berustend in het drama dat het leven niet dat wonder is. Als die mensen echt hebben bestaan, moeten we hen herdenken.

Bij de dood van James Last denk ik aan zijn spelers, mannen die moesten