New York, 1982 © Jack Mitchell / Getty Images

Zijn jeugd staat op YouTube. In een masterclass van de Hongaars-Amerikaanse maestro George Szell krijgt een jongeling een dirigeerbeurt. Het is Jimmy Levine, die op zijn tiende als pianist in zijn geboortestad Cincinnati debuteerde. Hij zal de populairste, best betaalde dirigent van de VS worden.

Je ziet veel niet. Niet de geheimen, niet de zachte en de boze dromen. Wat je wél ziet: die jongen kan het. Daar staat een aspirant-ster met een strakke hand, gekoesterd door de beste pedagogen van Amerika. Zijn mentoren zijn Walter Levin van het Lasalle Kwartet, pianopedagoge Rosa Lhévinne, pianist Rudolf Serkin en vervolgens Szell, die Levine bij het Cleveland Orchestra als assistent inhuurt. De joodse muziekelite, dankzij pogroms en/of Hitler de spil van de Amerikaanse muziekcultuur. In die half Russische, half Centraal-Europese traditie moet je hem plaatsen, zoals wel meer Amerikaanse muzieksterren van Gershwin en Bernstein tot Michael Tilson Thomas. Big sound, big thinking.

Zijn moeilijke bril en klunzig dikke lijf zullen Levine niet hinderen. In 1971 debuteert hij met Puccini’s Tosca glansrijk bij de Metropolitan Opera. Drie jaar later is hij music director van de ‘Met’. Hij zal er 2552 voorstellingen dirigeren en zonder kille ontslagrondes zowel orkest als koor tot topensembles kneden.

Iedereen wil hem hebben. Na zegetochten langs nationale toporkesten vinkt hij in Europa één voor één de bucketlist-engagementen af. Wiener en Berliner Philharmoniker, Salzburger Festspiele, Wagner op z’n Wagnerst in Bayreuth. Na de dood van Herbert von Karajan in 1989 wordt hij genoemd als troonopvolger in Berlijn. Van 1999 tot 2004 leidt hij de Münchner Philharmoniker, daarna tot 2011 het Boston Symphony.

De kleine meester is te groot voor Nederland, waar hij maar één keer optreedt. Voor de Levine-loze gewesten maakt hij voorbeeldige plaatopnamen van Verdi’s Otello en Puccini’s Tosca. In zijn magisch trage Parsifal bloedt alle pijn van de wereld grandioos. Dankzij zijn flair wordt de kapot gespeelde Orgelsymfonie van Saint-Saëns weer een meesterwerk.

Stapsgewijs trekt Levine zijn kwetsbare discipelen zijn dictatoriale wereld binnen

Zolang ik in het muziekleven rondloop hoor ik de verhalen zingen: jonge jongens, minderjarigen. Wat zegt dat gonzen veel over de fobische taboes… In de jaren tachtig is homoseksualiteit in de machowereld van de grote dirigenten nog pikant. De maestro is een alfa-man met boten, Porsches en iets blonds aan zijn zijde, Herberts Eliette von Karajan. Het is, ironie-alert, haast een verlossende gedachte dat Levine het redt ondanks die in zijn tijd verdachte smetten. Met de onverschilligheid van een bevrijde generatie dacht ik toen: Who cares?

Wat hem ongetwijfeld uit de wind houdt is zijn zonnige persoonlijkheid – en misschien erger, want opportunistischer van de kant van zijn broodheren: dat hij too big to fail is, de commerciële kurk waarop verdienmodellen drijven. Met de periodieke ontkenning van hardnekkige geruchten komt hij weg. Weinig daders weten hun geheimen zo behendig te verbergen als Levine. Musici, journalisten en talkshowhosts zien een joviale, tactvolle, intelligente boy next door. Hij kan meeslepend uitleggen waarom hij doet wat hij doet, bijvoorbeeld veel met orkesten praten, volgens een ongeschreven dirigentenreglement een doodzonde. Bullshit, vindt hij. ‘Ik wil dat ze weten wat ik wil. I’m a teacher-conductor.’

Hij is er een meester in. Bij de overgang naar de finale in de Vijfde symfonie van Beethoven licht hij sluw toe waarom hij daar niet theatraal wil hoeven zwaaien. De storm moet echt vanuit de buik van het orkest komen, anders staan hij en met hem zij voor schut. ‘Please do it yourselves. If I make gestures, the audience measures what they hear by what they see.’ Zangers en regisseurs prijzen zijn coöperatieve slag en feilloze gehoor.

Dan treden toch de slachtoffers naar buiten. De Boston Globe publiceert in maart 2018 een onthutsend verhaal over sektarische praktijken in de kring rond het University Circle Orchestra, dat Levine in 1966 op het Cleveland Institute of Music opricht. De muziekstudenten verzamelen zich bij Levine thuis. Eerst wordt er gekookt en gemusiceerd, daarna wordt het scary met geblinddoekte masturbatiesessies en sadistische vragen waarmee Levine de door hem geëiste hogepriesterlijke overgave aan de kunsten test. ‘One question several members described’, schrijft de krant, ‘involved a burning house and a choice of whether to save the last surviving copy of Beethoven’s Ninth Symphony or a baby.’

Stapsgewijs trekt de gastheer zijn kwetsbare discipelen zijn dictatoriale wereld binnen. ‘He dictated what they read, how they dressed, when they slept – even whom they loved.’ Levine vraagt ze te breken met geliefden en familie, die maar afleiden van het verheven ideaal. Hij gifmengt Musils Verwirrungen des Zöglings Törless en Hesse’s Glasperlenspiel tot groteske real life-soap.

Als de waarheid uitkomt, heeft het lot hem trouwens al ruimschoots gestraft. Hij is een tragische figuur geworden, door rugkwalen, ongelukken en parkinson aan zijn rolstoel gekluisterd zoals de graalridder Amfortas in zijn lijfstuk Parsifal aan zijn seksuele zonde. Het verband is cynisch. Maar kijk na dit relaas de repetitiebeelden nog eens terug. Je ziet een man met een onweerstaanbare gun-factor. Zo bedrieglijk is instinct, blijkbaar.