James p. hoffa

De bijna anderhalf miljoen leden van de Brotherhood of Teamsters, ofte wel de Amerikaanse vervoersbond, kiezen in november een nieuwe leider. Treedt dan James P. Hoffa in de beroemde voetsporen van vader James R. Hoffa? Vakbondspolitiek op z'n Amerikaans.
ZIJN VIJANDEN noemen hem ‘Junior’, of ‘Jimmy Junior’. Het is een bijnaam waaraan James P. Hoffa een hekel heeft. Niet alleen omdat het onnauwkeurig is - zijn tweede naam is Philip, terwijl zijn vader James Riddle heette. Voor een man die de middelbare leeftijd al goed en breed bereikt heeft, klinkt junior wel wat kinderachtig. Maar wat James Hoffa vooral stoort, is dat hij zich met deze bijnaam vastgeklonken weet aan een schaduw uit het verleden: die van zijn vader James R. Hoffa, de legendarische vakbondsleider.

Dat komt ervan als je in de voetsporen wilt treden van een man die na zijn verdwijning is uitvergroot tot mythische proporties en bijgezet in de eregalerij van Amerikaanse helden. ‘Jimmy’ Hoffa was een grote man die klein begon en klein eindigde. Zijn enorme macht werd gebroken toen hij zowel de toenmalige minister van Justitie, Robert Kennedy, als de Detroitse maffia trotseerde. En het was juist de georganiseerde misdaad die hem had gesteund als leider van de International Brotherhood of Teamsters, Chauffeurs, Warehousemen, and Helpers of America - 'zijn’ vervoersbond.
Onder omstandigheden die nooit opgehelderd zijn, stierf hij een gewelddadige dood. Algemeen wordt aangenomen dat een bevriende maffiabaas hem heeft laten liquideren. Zijn lijk is nooit gevonden. Hoffa verwierf zijn roem in een tijd dat mannen nog mannen waren, overeenkomsten met de vuist gesloten werden en de arbeider nog bestond. Hij was een held van de werkende klasse, en niettemin een virulente anticommunist; een rouwdouwer wiens biografie naadloos paste in een Hollywood-script.
EN NU GAAT James P. Hoffa (55) misschien zijn vader opvolgen. Of hij het leuk vindt of niet, een betere bijnaam dan 'Junior’ valt natuurlijk niet te bedenken. Vorig jaar stelde hij zich kandidaat voor het voorzitterschap van de Brotherhood of Teamsters. De vervoersbond groeide mede dank zij zijn vader uit tot de grootste werknemersorganisatie voor onder meer vrachtwagenchauffeurs, luchthavenpersoneel, verpleegsters, koeriers en de politie. Het is tegelijkertijd de vakbond met de slechtste reputatie. Corrupt tot op het bot zouden de Teamsters zijn, en het kader volledig verstrengeld met de maffia. Hoffa senior werd in 1967 veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf wegens gesjoemel met het pensioenfonds en een poging tot omkoping van de jury. Eind jaren tachtig werden op last van het gerechtshof tientallen Teamsters uit de bond gegooid. Ze hadden contacten met de georganiseerde misdaad, of gedroegen zich anderszins crimineel. Nog in het maartnummer van het bondsorgaan namen juridische verslagen over onderzoeken naar maffiaconnecties en schendingen van het verkiezingsreglement het grootste deel van het blad in beslag.
De fysieke gelijkenis tussen vader en zoon is frappant. Hetzelfde donkere haar, hetzelfde postuur, dezelfde vastberaden glimlach. Hoffa junior heeft de family values van zijn vader geerfd. James R. rookte noch dronk en deed niets liever dan het gras maaien of met zijn kinderen spelen. (Bijvoorbeeld met dochter Barbara Ann, die nu rechter is in St. Louis en voornamelijk klachten van vrachtwagenchauffeurs behandelt.) James P. woont al twintig jaar in hetzelfde huis in een voorstad van Detroit. Zijn vrouw geeft aerobicslessen, zijn twee zoons studeren aan de universiteit, en drie keer per week gaat hij een blokje om met poedel Jenny.
Maar waar Jimmy Hoffa de confrontatie aanging, stelt hij zich zakelijk en diplomatiek op. En waar Jimmy het best functioneerde in de (toen) ongeregelde vakbondspolitiek, gaf zijn zoon tot voor kort de voorkeur aan de meer afstandelijke rol van advocaat. James Philip is keihard, wordt over hem gezegd, maar hij zal ook wel moeten. Wil hij niet continu door de herinnering aan zijn vader overschaduwd worden, dan heeft hij nog heel wat te bewijzen. Zijn achternaam is vooralsnog zijn enige geloofsbrief.
JAMES P. HOFFA maakte zijn kandidatuur op de dag van de arbeid bekend, kort na de twintigste verjaardag van zijn vaders verdwijning. Het is niet de eerste keer dat hij het voorzitterschap probeert te bemachtigen. Al in 1991 bezwoer hij de vakbond nieuw leven in te blazen, totdat gerechtelijke ambtenaren bepaalden dat zijn curriculum vitae tekortschoot. Hij had krap een jaar in het vakbondsbestuur gezeten en geen ervaring in het transportvak. Het feit dat hij al meer dan twee decennia trouw contributie betaalde, zoals zijn verweer luidde, en zich als advocaat jarenlang had ingezet voor de rechten van werknemers, mocht niet baten.
Maar nu ziet hij eindelijk zijn kans schoon. De officiele campagne ging een maand geleden van start en zal duren tot november. Dan mogen de 1,4 miljoen leden van de vakbond hun stem uitbrengen in wat nog maar de tweede democratische verkiezing in de geschiedenis van de Teamsters is. De Amerikaanse pers verheugt zich er nu al op. Wat is er mooier dan het verhaal van de zoon die de fakkel van zijn zo tragisch omgekomen vader wil overnemen? Bovendien zou het na de presidentsverkiezingen, ook in november, weleens de interessantste machtsstrijd van 1996 kunnen worden.
Ron Carey, Hoffa’s tegenstander want huidig voorzitter van de Teamsters, bagatelliseert Juniors staat van dienst en verwijt hem geen echte Teamster te zijn - hij zou iemand zijn die meer op heeft met witte dan met blauwe boorden. Carey is een voormalige koerier en heeft zich het imago van vernieuwer aangemeten. Sinds zijn aantreden in 1992 is het ledental van de bond voor het eerst weer langzaam gestegen. Hij halveerde zijn eigen salaris en verkocht zowel de twee privevliegtuigen als de limousine van de bond, ten teken dat het afgelopen was met de corruptie binnen de leiding en met alle andere problemen die als het ware belichaamd werden in de figuur van Hoffa senior.
Natuurlijk stelt Carey ook alles in het werk om James P. Hoffa als een onbetrouwbare figuur af te schilderen. Het is bekend dat Hoffa senior van zijn maffiavrienden enkele tienduizenden dollars ontving om het huwelijk van zijn enige zoon te financieren, maar meer compromitterende feiten zijn vooralsnog niet boven water gekomen. Carey zelf heeft daarentegen in ieder geval geen schone handen. Een informant wist in 1993 te vertellen dat hij talloze banden met de onderwereld heeft. Hoffa junior beschuldigt hem bovendien van financieel mismanagement, machtsmisbruik en algehele lafheid. De bond is bijna failliet. De 154 miljoen dollar die de Teamsters in kas hadden, zouden door Carey over de balk zijn gesmeten.
JAMES P. HOFFA heeft de kans om zijn vaders oude baan terug te winnen 'een unieke gelegenheid’ genoemd. Maar wat zijn z'n motieven? Is het wraak, opportunisme, een kruistocht voor postuum eerherstel? Wil hij de nagedachtenis aan zijn vader een face- lift geven? Of is het misschien, heel misschien, idealisme? 'Dit gaat niet om mijn vader’, verklaarde James P. later weer, tijdens een Teamster-bijeenkomst. 'Mijn vader is al 21 jaar dood.’ Dat belet hem echter niet diens legendarische reputatie danig uit te melken. De Internetpagina’s waarop zijn campagne van dag tot dag te volgen is - 'HoffaGrams’ - maken steeds toespelingen op het verleden. Het motto is 'Hoffa '96 - Restore Teamster Power’. Hij dreigt zijn opponent Ron Carey met de woorden: 'We will remember in November.’ En wanneer het zo uitkomt, duikt zijn vader hier en daar op in een toespraak. Hoffa junior heeft het graag over een van de eerste vakbondsvergaderingen waar hij als tiener bij mocht zijn, in 1957, toen senior tot voorzitter van de Teamsters werd gekroond. 'In die tijd was onze vakbond de grootste, rijkste en machtigste vakbond van de vrije wereld. En ik beloof u een ding. Als ik gekozen word, zal het opnieuw de sterkste vakbond worden’, zei hij deze zomer in Philadelphia.
Aan zijn plan de campagne valt moeilijk af te lezen of hij dezelfde machiavellistische trekjes heeft als de oude Hoffa, maar het is bij voorbaat al zeer onwaarschijnlijk dat hij zijn belofte zal kunnen inlossen. De tijden zijn veranderd en de arbeidsverhoudingen in de Verenigde Staten zijn drastisch verschoven. Net na de Tweede Wereldoorlog was ongeveer 35 procent van de beroepsbevolking lid van een vakbond; nu is dat ongeveer 15 procent. Grote bedrijven zetten nog altijd stakingsbrekers in en kunnen zelfs vakbonden uit de regio weren. De moeilijk te organiseren dienstensector breidt zich almaar uit, terwijl steeds meer lopende-bandwerk naar het buitenland wordt verplaatst, waar de lonen lager zijn. Over de scheefgroei tussen de stagnerende loonontwikkeling en de recordwinsten van de grote bedrijven rept James P. Hoffa met geen woord. Wellicht gaan die vraagstukken hem pas interesseren als hij eenmaal op de plaats zit waar zijn vader ooit zat.