James Purdy (1914-2009)

James Purdy’s kwetsbare personages vertonen na het lijden van verlies de neiging weg te lopen naar de grote stad, waar ze zich anoniem kunnen schuilhouden of zich verbergen achter het masker van kunst of waanzin. Die reis met omwegen heeft de plattelandsjongen Purdy zelf gemaakt, en dankzij die tocht vol hindernissen had hij literair materiaal genoeg voor een lang leven.

De geest is gewillig maar het vlees is zwak. Aan die woorden dacht ik toen ik hoorde dat James Purdy – na het breken van een heup – was gestorven, op 13 mei, in de Authors’ Fund of America Nursing Home in New Jersey. Elke Purdy-roman had die zin uit Mattheus 26:41 als motto kunnen hebben. Mijn hommage aan zijn eigenzinnige literaire oeuvre bestaat uit vier vertalingen: drie romans (In een ondiep graf, De gewaden der levenden en Nauwe ruimten) en een toneelstuk, Toen de lach op hun lippen bestierf, dat op 17 april 1993 in de Lantaren in Rotterdam in première ging. Ach, wie weet nog dat Tennessee Williams een zwak had voor Purdy’s theaterwerk?
De eerste keer dat ik hem bezocht in Henry Street, Brooklyn Heights, in augustus 1984, was hij pas geopereerd aan zijn stembanden. Hij mocht nog niet praten maar hij worstelde zich door zijn heesheid heen om mijn vragen voor mijn eerste Amerika-boek Vrijheid in de steigers (1985) te beantwoorden. Er heerste een hittegolf. We liepen naar de rand van Brooklyn en keken naar het in de steigers staande Vrijheidsbeeld. Met schorre stem schold Purdy op het literaire klimaat, waarin hij in de kou stond. De politiek en seksueel correcte critici verzwegen of verguisden hem. Ze zaten met hem in hun maag, want Purdy ging door waar andere auteurs er het zwijgen toe deden. In het Amerika-nummer van het dwarse blad De Held (herfst 1989) schreef ik dat bij James Purdy op z’n best Gerard Reve verbleekt tot een preutse poseur.
De tweede keer dat ik hem bezocht, in 1987, kon ik dankzij zijn bemiddeling tegen een speciaal tarief een maand in Hotel Chelsea verblijven. Die keer had hij rugpijn. Door de medicijnen hoorde en zag hij dingen die er niet waren. Zijn eenkamerappartement was een inspirerende puinhoop: onopgemaakt bed, overal boeken en papieren, aan de wand Mapplethorpe-foto’s van mooie jongens met gespierde lijven. The New York Times had net zijn verhalenbundel The Candles of Your Eyes afgekraakt. Hij gaf me de eerste versie mee van wat in 1990 zijn aids-roman Garments the Living Wear zou worden: de laat-twintigste-eeuwse pest laat de Big Apple voelen dat alle vlees als gras is: de een na de ander wordt weggemaaid.
Mooie jongens als onbeschreven blad, oudere femmes fatales, verminkte oorlogsslachtoffers, weglopers, randfiguren en verschoppelingen; vanaf Malcolm (1959) bevolkte Purdy – die zijn werk nooit afficheerde als Gay Lit – zijn boeken met zulke figuren. Zijn personages zijn op de vlucht voor benauwde (plattelands)geesten of ze zoeken een verloren vader, broer of zoon. Maar in hun vertwijfelde pogingen een eigen gezicht te krijgen worden Purdy’s jongens geschonden door ongeremde seksuele instincten. Het leven blijkt een zweep, en in het klappen ervan echoot de geest van Markies De Sade door. De essentie van zijn omvangrijke oeuvre verwoordt de wellustige weduwe Cottrell in de streekroman On Glory’s Course (1984). In haar kostgangers ziet zij fotokopieën van haar man. Zij kent de weg van het zwakke vlees heel goed: ‘Als er iets in de wereld was wat Elaine Cottrell haatte was het gezond verstand. Alleen vlees en bloed kenden de waarheid. De geest kon alleen maar kletsen.’
Het leven is een ondiep gat, een holte in een hand. Het is onmogelijk een stabiel ego te bezitten. De dood blijkt een verlossing, de ultieme verdwijning. Purdy’s kwetsbare personages vertonen na het lijden van verlies de neiging weg te lopen naar de grote stad, waar ze zich anoniem kunnen schuilhouden of zich verbergen achter het masker van kunst of waanzin. Die reis met omwegen heeft de plattelandsjongen Purdy zelf gemaakt, en dankzij die tocht vol hindernissen had hij literair materiaal genoeg voor een lang leven.
In 1990 kwam James Purdy naar Nederland om door Adriaan van Dis geïnterviewd te worden voor de VPRO-televisie. De aanleiding was mijn vertaling van zijn aids-roman Garments the Living Wear (De gewaden der levenden), die ook een aanklacht tegen het New Yorkse culturele klimaat (de incrowd-mentaliteit) was. Purdy baarde opzien door zijn zowel innemende als uitdagende houding. Waar hij stond in de Amerikaanse literatuur? In de kantlijn, glimlachte hij. En nee, ik ben geen homoseksuele schrijver. Stop me niet in een hokje. Ik denk dat deze elegante writer’s writer thuishoort in het rijtje Flannery O’Connor, Carson McCullers, William T. Vollmann en David Foster Wallace. Ook zij hebben een scherp oog voor de zelfkant en voor de ontsporing.
De gewaden der levenden, de enige Purdy-bestseller in Nederland, blijft een indrukwekkend theatraal spel, een weergaloze verkleedpartij vol identiteitsverwarring rond de Plaag. Het Vrijheidsbeeld wordt uitgemaakt voor een godin van het uitschot, de hoofdfiguur Jared Wakeman heeft een visioen van Jezus Christus. De bijbelse verwijzingen vinden een climax in de verschijning en verdwijning van een Messias die beweert zo spiritueel te zijn dat de dood hem niet kan deren. Maar hoogmoed komt voor de val. Het virus slaat keihard toe. De ontkenning van de dood kan alleen tijdelijk effect sorteren. Alle façades worden onherroepelijk door Purdy neergehaald. Ten slotte beseft iedere acteur in De gewaden der levenden, jong en oud, dat hij slaaf is van de man met de zeis.