Jan blokker

ALS ER IEMAND recht heeft op het eerbiedwaardige predikaat van de vadertje Cats van het moderne tijdsgewricht, dan is het wel Jan Blokker. Sinds 1968 fungeerde hij als het dagelijkse contragewicht van de Sturm und Drang die ten burele van de revolutionaire Volkskrant was opgestoken, en in die hoedanigheid groeide hij uit tot de grootinquisiteur van de nationale hypocrisie, de ongenadige doorprikker van luchtballonnen op allerlei gebied.

Blokker voert een hoogstpersoonlijke heilige oorlog. ‘Mensen die menen dat ik een grap maak, vergissen zich’, vertelde hij ooit. 'Ik schrijf altijd op wat ik meen en ben helemaal geen grappenmaker of humorist.’
Blokker is de man die in zijn eentje de 'zachte sector’ ten grave droeg, de booming bedrijfstak van de jaren zeventig, de tijd dat 'heel Nederland bijna genetisch van de sociale academie leek af te stammen’. Voor de jeugdige lezertjes: in deze jaren van ongekende voorspoed, welvaart en biefstuksocialisme nam heel buurtwerkend, wijkopbouwend, spellinghervormend en agogerend Nederland met een ten hemel schreiend masochisme iedere dag weer de Volkskrant tot zich, om zichzelf in dat geniepige hoekje rechtsbovenaan op pagina 7 benoemd te zien tot de doodgravers van de menselijke beschaving, de baard- en sandaaldragende ornamenten van het 'anti-intellectualisme’ dat Blokker van alle kanten zag oprukken.
'WIJ HEBBEN de grammatica afgeschaft, de taal laten verloederen, iedere vorm van kennisverwerving leren wantrouwen - je bent een gek als je nog weet langs welke waterwegen je van Roodeschool naar Antwerpen kunt komen, want wat we relevant en creatief vinden is wereldoriëntatie’, aldus Blokker in zijn legendarische lezing De verknoeide jaren van 1982, zijn definitieve aanslag op de zachte krachten van deze samenleving. Met veel ontzag verwees Blokker naar Christopher Lasch en diens boek The Culture of Narcissism, de bijbel voor iedere middenschoolhater. Blokker repte van 'een angstige breuk in de continuïteit van de geschiedenis’, daarbij gesouffleerd door Lasch, die in dat verband sprak van een 'immens verlies aan culturele traditie op zo'n reusachtige schaal dat het een toespeling op het ontstaan van nieuwe donkere middeleeuwen geenszins onzinnig maakt’.
Blokker maakte zich geen illusies over het gezicht van die nieuwe duisternis. Toen bleek dat drie van de vier blokhoofden van de Centrumpartij, de ultieme schrik van begin jaren tachtig, hun schoolopleiding in de zachte sector c.q. milieuzorg hadden genoten, was dat koren op zijn molen. Het nieuwe fascisme diende zich aan, knuffelend met een zeehond en zich voortbewegend op India-slippers uit de Bijenkorf-boetiek. Daar hadden de cursusleiders macrameeën ten behoeve van de randgroepjeugd niet van terug.
ONDERTUSSEN bleef de advertentieafdeling van de Volkskrant het ene na het andere winstrecord breken met personeelsadvertenties in diezelfde zachte sector, en bleef het elders in de kolommen van ’s lands grootste progressieve persbastion oproepen regenen tot verregaande maatschappijhervorming in de door Blokker zo verafschuwde richting. Blokkers bijdragen detoneerden in de Volkskrant net zo erg als een barbecuerubriek in het verenigingsblad voor veganisten. Voor Annemarie Grewel reden om in De Groene Amsterdammer een parallel te trekken tussen Blokker en Telegraaf-columnist Leo Derksen, in het succesrijke spoor van Blokker al even gebeten op de bebaarde of gebloemjurkte medemens. Grewel: 'Leo Derksen en Jan Blokker schrijven soms over hetzelfde onderwerp, Leo Derksen mag alleen wat meer woorden gebruiken dan Jan Blokker, dus kan hij soms nog eens een uitstapje maken naar een geestige vergelijking of een bijzin, terwijl Jan Blokker heel gecomprimeerd zuur is ten koste van mensen. Ze slagen er beiden in hun reactionaire oude-mannenkost regelmatig uit te spugen en bellen elkaar op om onderwerpen te coördineren voor ochtendbladlezers.’
Dat was tegen Blokkers zere been. Had hij eind jaren zestig niet ontslag genomen als redacteur bij het Algemeen Handelsblad, omdat uitgever NDU een samenwerkingsverband met De Telegraaf was aangegaan? Blokker: 'Ik op mijn beurt blijf koppig denken dat ik mezelf niet kan profileren als - ik zeg maar wat: een antifascist, door te beweren dat de hemel groen is omdat Glimmerveen volhoudt dat hij blauw is.’
DE STRIJD TEGEN de zachte sector was onmiskenbaar Blokkers bloeiperiode. Wat het bruine café voor Simon Carmiggelt was, dat was de sociale academie De Horst in Driebergen voor Blokker: een nooit opdrogende bron van inspiratie. Dat hij zijn kruistocht in de kolommen van de Volkskrant mocht verrichten, maakte het nog wel het mooist. Het was de vernietiging van het systeem van binnenuit.
'De Volkskrant heeft drie handicaps waar ze nooit overheen komt’, aldus Blokker in 1990. 'Rooms gedoopt, uit de provincie gekomen en van de vakbond geweest. Dat is niet mis, hoor. Het zou voor de NRC niet slecht zijn als ze sympathie voor de vakbeweging ook een beetje tot hun verleden konden rekenen. Maar ik heb het idee dat het er bij de Volkskrant niet uit wil slijten. Integendeel, men kruipt weer terug naar dat geneuzel over bonden of milieu. Al die mensen die in de jaren zestig die waanzinnig mooie stap uit de kerk hebben gedaan, blijven steeds nieuwe kerken in vluchten. Ze hebben de krakers een poosje gekoesterd, nu het milieu.’
Toen de 'angstige breuk in de continuïteit van de geschiedenis’ eenmaal geheeld was en het progressiviteitsdenken uit de school-Den Uyl definitief ten grave gedragen, wist Blokker maar moeilijk afstand te doen van zijn stokpaardje. Er gingen drie kabinetten-Lubbers over Nederland heen en aan het eind van die periode was de natie weer net zo braaf als voor 'de grote continuïteitsbreuk’ van de jaren zestig. Sinds kort pleegt de Nederlandse soldaat het haar weer kort gedekt te dragen, op de vaderlandse schoolinstellingen heerst weer het primaat van de tucht en de prestatie, de verafschuwde basisdemocratie maakte plaats voor grote leiders als Jan Timmer en Wim Kok, kortom alles is weer bij het oude, net als in de jeugd van Blokker, een goudgerand paradijs waar tevredenheid met voor de hand liggende dingen heerste.
VREEMD GENOEG lijkt het erop alsof Blokker deze grootscheepse restauratie niet heeft opgemerkt. In zijn columns wekt hij nog altijd de suggestie als zou de natie in de ban zijn van rare kruidenvrouwtjes en wereldwinkelactivisten. Het is alsof hij maar geen afscheid kan nemen van de cultuur die hem - al walgend - voor het voetlicht bracht.
Toch is er wel degelijk iets veranderd aan Jan Blokker. Hij is al lang niet meer de misantropische swiftiaan die achter ieder menselijk handelen een verborgen duister motief zoekt. Blokker is onmiskenbaar plooibaarder geworden, en dat is geheel en al de verdienste van de Kunst. Als Blokker het woord kunst hoort, lijken al zijn natuurlijke reserves weg te smelten. Dan is er alleen nog maar plaats voor diep ontzag. De laatste jaren is hij een prominente vertegenwoordiger van de kunstensector geworden, diep gedoken in de intrigerijke verwikkelingen rondom film- en toneelsubsidies, die hij niet alleen placht uit te delen in zijn hoedanigheid van voorzitter van het produktiefonds voor de Nederlandse film, maar ook veelvuldig incasseerde. Met een beetje slechte wil zijn al die hoofdpijnverwekkende exercities zeer wel te vergelijken met de subsidiekuiperijen in de softe sector die de columnist Blokker in zijn beste dagen placht te hekelen als evidente bewijzen van de ingeboren menselijke neiging tot bedrog.
Paul Verhoeven, ’s lands beroemdste filmmaker, laat in ieder geval geen gelegenheid onbenut om Blokkers allesoverziende en allesincasserende rol in scenariosubsidieland te omschrijven als mega-potverteerderij op kosten van de belastingbetaler. 'Het is toch wel leuk dat Paul Verhoeven met al het succes van de wereld tien jaar na dato nog haatdragend over een of andere lul in Nederland kan praten waar hij niets meer mee te maken heeft’, zo pareerde Blokker de kritiek van Hollands glorie in Hollywood onlangs. Het kan niet verbloemen dat Blokkers rol in deze eigenlijk wel heel erg on-blokkeriaans is, net als die onderscheiding als Ridder in de Orde van Oranje-Nassau die hij in 1990 omgehangen kreeg, of dat rare gouden filmkalf wegens 'grote verdiensten voor de Nederlandse film’. Al die eerbewijzen zorgen er toch voor dat Blokkers wereldvermaarde stugheid stukje voor stukje afbrokkelt, dat hij toch nog wordt ingepakt.
BLOKKER IS EEN kunstpaus geworden, een al even kwetsbaar - want machtig - instituut als de dames en heren die hij heel zijn schrijvende leven heeft bestreden. Wat te denken van al die toneelstukken en filmscenario’s die hij zomer na zomer uittikt op zijn favoriete Griekse vakantieeiland, al die 'wereldpremières’ die van zijn hand op de planken van de Hollandse theaters verschijnen en die na een minimum aantal voorstellingen (geheel in overeenstemming met de vastgestelde quota in de subsidieregeling) even snel weer uit herinnering verdwijnen?
De auteur zelf is telkenmale in het diepst van zijn ziel getroffen, de kritiek is telkens weer dat het gebodene te dun is. 'Puur Fellini’, zo noemde Blokker zijn tv-oorlogsdrama De partizanen. De kritiek vond het 'een mager verhaal met goede acteurs’. Blokkers libretto voor de oorlogsopera Esmee ('Niet meer dan een geraamte’, aldus Trouw) moet geweldig zijn geweest, doch was tijdens de voorstellingen geheel onverstaanbaar. Blokkers opera Soekarno was 'een musical zonder Leitmotiv’, zo lezen we in de vakpers. Ook weer geen verdienste voor de schrijver. Zou het dan toch zo zijn dat de 'librettist’ Blokker evenzeer warme lucht verkoopt als die andere subsidiegraaiers voor hem, de eksters van 'de verknoeide jaren’?
En wat is dat eigenlijk voor precieuze on-blokkeriaanse bezigheid, opera’s schrijven voor mensen die de tekst toch nooit verstaanbaar zullen zingen? Trouw-columniste Susanne Piët velde verleden jaar een hard oordeel: 'Blokker is die andere wereld van het Applaus, het Lintje en Het Succes in gestapt. En daarmee het meest geschikte onderwerp voor zijn eigen columns geworden.’
Deze materie wordt vooralsnog niet aangeboord op pagina 7 van de Volkskrant. Integendeel. Afgelopen zaterdag werd de lezer daar deelgenoot gemaakt van Blokkers walging voor de Amsterdamse politici die overwegen de geldkraan voor het Holland Festival dicht te draaien ten faveure van 'iets fris’. Een ouderwetse blokkeriaanse boutade, daar niet van. Maar wat is er eigenlijk tegen iets 'fris’ op cultureel gebied? Een verstaanbare opera bijvoorbeeld zou een zegen zijn. Nee, de oplettende lezer kon niet aan de indruk ontkomen dat hier een kunstpaus in verdrukking zijn handel aan het protegeren was. En daar is die column toch nooit voor bedoeld geweest?