Jan foudraine de therapeuter

UITGEVERIJ AMBO ging ervoor, als je de uitnodiging mocht geloven. Een boekpresentatie in het sjieke West-Indisch Huis, met muziek door Jaap van Zweden en Daniël Wayenberg en een toespraakje van prof. dr. A. van Dantzig.

Het was ook niet zomaar iets, dat nieuwe boek van Foudraine. De uitnodiging vertelt: ‘In zijn nieuwste boek Bunkerbouwers attaqueert Jan Foudraine de macht van de medische, thans “biologische” psychiatrie en, geheel in stijl met zijn in 1971 gepubliceerde boek Wie is van hout… houdt hij ook een nieuw en bewogen pleidooi voor de psychotherapeutische ontmoeting.’
Als de titel Wie is van hout… valt, weten we dat er grote belangen op het spel staan: 220.000 exemplaren in Nederland alleen al. Foudraine zelf wist van niks. Zogenaamd. Die deed heel kleintjes in een interview met Trouw op 8 november: 'Toen belde Ambo op met de vraag of er een herdruk kon komen van Wie is van hout… Heel lief. En ik zei dat ik voorzichtig aan het schrijven was, aan een soort Wie is van hout… deel II. Dat was nog in een heel verwarde vorm. Of ze het mochten zien, dat mocht van mij, maar door die onuitgewerkte vorm gaf ik eigenlijk een invitatie om het af te wijzen. Tot mijn verbazing kwamen ze met een contract.’
Dat er Groot Geld op stapel stond, bleek uit alles. Nog voordat het boek in de winkel lag. Een telefoontje mijnerzijds naar Ambo leerde dat mijnheer Foudraine alleen maar een interview wilde toestaan aan journalisten die hem positief tegemoet treden. Ook mocht Wie is van hout… deel II geen dag voor de presentatie besproken worden. In mijn exemplaar staat dan ook een dreigend rood stempel: 'Embargo tot 31/10’. Navraag bij Ambo leerde dat dit heel serieus genomen diende te worden.
Dat het programma Netwerk wel een paar dagen voor het embargo het spits mocht afbijten, sprak voor zich, want deze zogenaamde reportage was niets minder dan een kraaiende commercial waarvoor Ambo geen cent hoefde te betalen. Beelden van de diepzinnige wijze in een bos. Hij sprak vrijuit zijn zalvende vaagheden en werd door niemand tegengesproken. Dankuwel Netwerk.
Toen doorbrak HP/De Tijd, ruim een dag voordat Jaap van Zweden de feestelijke openingsnoten had kunnen inzetten, als tweede het embargo. Met een kritische recensie. Dus dat was andere koek. Dat gaf gedoe achter de schermen. Mensen werden kwaad, enzovoort. Kortom, het beloofde wat.
JAN FOUDRAINE, wie kent hem niet. De psychiater die naar Poona ging en Swami Deva Amrito werd. De Discipel in oranje die zich in al z'n plastic extase liet fotograferen tegenover Hem, de Bhagwan, stamelend: 'Ben ik verdronken in uw gezicht?’ Al deze dingen zijn ooit echt gebeurd. Nooit verkocht een psychiater zoveel boeken, nooit waren er zoveel controversen.
En toch, als er vandaag de dag in de media over de psychiatrie gediscussieerd wordt, bijvoorbeeld over pillen of praten, valt niet de naam Foudraine. Alleen toen hem expliciet zijn mening over Foudraine werd gevraagd, wilde de immer milde psychiater R.H. van den Hoofdakker heel in het algemeen iets over de antipsychiatrie van die rare wilde tijd zeggen: 'Ja, ik heb toen misschien wel met te weinig vraagtekens en kritiek naar die diep-menselijke prachtbehandelingen gekeken.’
Bij recente discussies met psychiaters in Trouw en het programma Opgenomen van Paul Witteman is Foudraine simpelweg niet meer aan de orde. Ik heb er de naamregisters van verschillende overzichtswerken aangaande de Nederlandse psychiatrie nog eens op nageslagen: niks. Dat is natuurlijk zuur. Terwijl Foudraine zelf weet dat zijn boek de maatschappij veranderde. Zo meldt hij in Bunkerbouwers hoe dat zat met oorzaak en gevolg: 'De suggestie die ik in Wie is van hout… deed, werd, ondanks alle weerstand, toch opgevolgd. Er ontstond meer belangstelling voor de psychotherapie, ook voor de opleiding tot psychotherapeut.’
VAN DE WEEROMSTUIT doet de zo deerlijk verzwegen Foudraine in Wie is van hout… II nauwelijks nog een poging om serieus in debat te gaan. Jan Foudraine heeft geen benul van de ontwikkelingen in de psychiatrie en komt daar nog rond voor uit ook: 'Ik hou mijn vak bij in mijn ontmoetingen en ze gaan dieper en dieper.’ Voor een boek dat volgens de bovengenoemde uitnodiging bij de presentatie toch de pretentie heeft de biologische psychiatrie te attaqueren, moet Bunkerbouwers het dan ook hebben van een knullig soort stemmingmakerij, waarmee Foudraine uiteindelijk slechts zijn eigen gekrenkte ijdelheid weet neer te zetten.
Een voorbeeldje. Eén keer zoekt Foudraine de vijand op. Hij reist af naar een psychiatriecongres in Basel. Hij begrijpt best waar ze het allemaal over hebben, hoor: 'Tijdens de middagzitting krijgen de biologische psychiaters ruimte voor hun voordrachten. Het blijkt dat er allerlei zenuwcellen die op bepaalde plaatsen in de hersenen zitten, daar niet horen en ook veel celafwijkingen in de diepere delen van de hersenen van zogenaamde schizofrenen. (…) Ik raak van alles zo gefrustreerd dat ik de neuro-immunologische beschouwingen van de volgende spreker, een neuroloog en hersenspecialist, toch maar oversla.’
Maar onze dappere Jan gebruikt zijn momentje van wetenschappelijke afwezigheid goed. Hij gaat langs bij de kraampjes van de farmaceutische bedrijven die dit congres sponsoren. Deze bedrijven bieden niet alleen hun verderfelijke folders aan, maar ook, hoe geniepig, koffie, koekjes, chocola, vruchtensappen en zelfs vijgen. Doodeng natuurlijk. Jan, blijf daar toch weg!
Maar Jan is niet voor een kleintje vervaard. Eenmaal in het hol van de leeuw, steekt de doldrieste Discipel zijn kop in de muil van het farmaceutische monster. Nu wordt het echt linke soep: 'Een beetje beschaamd drink ik een glaasje vruchtensap met het vage gevoel dat er misschien antidepressiva in zouden kunnen zitten.’
Dat had hij natuurlijk nooit moeten doen. Een en ander brengt Jan in een staat waarin hij de kille werkelijkheid daar in Basel gaat zien met een hallucinerende scherpte die je toch niemand zou toewensen: 'Ik loop op dit congres rond alsof ik in een gekkenhuis ben. Alsof ik in een snel rijdende trein in slaap ben gevallen, wakker ben geworden en nu een heel ander landschap zie. Inderdaad, een no-nonsense-landschap waarin mensen, personen, helemaal niet meer voorkomen, alleen symptoomdragers, mensen met ziektesymptomen. Er wordt nauwelijks gelachen, discussie blijft beperkt tot een paar vragen, de sprekers lezen consequent hun verhaal van papier op.’
Hoei!
Foudraine moet door dat spul in die vruchtensap helemaal door het dolle heen zijn geraakt, daar in Basel. Hij, de beroemde Nederlandse psychiater, had zich incognito in het kamp van de vijand kunnen begeven. Veilig. Nee, ineens, gooit Nederige Jan de mantel van de voorzichtigheid van zich af en waagt zich naakt in het strijdperk als hij denkt een vriend te zien die tijdens een voordracht namen noemt die herinneringen wakker maken: 'Ik ben over de voordracht van Finzen erg enthousiast en besluit mij in de discussie maar bloot te geven. Daarom zeg ik tegen Finzen: “Als er iemand in dit gehoor weet hoe moeilijk dat huwelijk tussen de psychiatrie en de sociale wetenschappen is, dan ben ik het. Ik ken al die namen en hun werk heeft altijd grote indruk op me gemaakt. Maar als je over dat alles als psychiater een bestseller schrijft, breekt de hel los. Het boek kwam ook in Duitse vertaling uit. Wer ist aus Holz heette het hier.”’
Je begrijpt, daar keek men in Basel wel eventjes van op. Hij kende al die namen en hij schreef over dat alles een bestseller.
Dan mag Jan na afloop wel een beetje op zijn lauweren rusten: 'Hoewel ik wat moe van de reis ben, besluit ik om thuis nota bene mijn eigen boek te pakken. Daar lees ik nu tot mijn verbazing hoe diep ik toen op deze kwestie van “labeling” ben ingegaan.’ Volgt een volle pagina uit Wer ist aus Holz.
TROUWENS, citeren doet Foudraine veel en graag. Vat hij andermans boeken niet samen, dan schrijft hij wel van anderen over. Zo bestaan tweeëneenhalf van de tien hoofdstukken uit het geciteerde betoog van ene Wim, een patiënt van Foudraine die door de Riagg niet werd begrepen. Jan citeert Wim met name graag daar als deze, briefgewijs, de loftrompet over zijn warmmenselijke genezer steekt: 'De bunker is verminderd, de ijslaag is aan het smelten en het zicht op het verleden en heden is verhelderd. We hebben hiervoor elkaars vertrouwen moeten bevechten; iedere keer opnieuw. Ik realiseer me dat dit kan door jouw oneindige geduld, mededogen en onorthodoxe wijze van “therapeuten”.’
Dank je Jan! Dank je!
De therapeuter die al of niet fictieve patiënten opvoert ter meerdere eer en glorie van de auteur - die truc kennen we nog wel uit Wie is van hout…, waarin Foudraine zich ook al introduceerde als de wonderdoener die kan genezen waar dat anderen maar niet lukt. De ene na de andere zogenaamde 'schizofreen’ (om niet beargumenteerde reden erkende Foudraine dit ziektebeeld niet; hij schrijft het woord daarom tussen aanhalingstekens) krabbelt daar door de persoonlijke bemoeienissen van de gedreven profeet overeind. Hoe flikt hij dat toch steeds?
Eenvoudig is het niet. Het is een zaak van 'innerlijke houding’, leren we in Bunkerbouwers. En die 'voert tot een nabijkomen van subjectiviteit met de subjectiviteit van de cliënt in de diepst mogelijke menselijke ontmoeting’. Begrijp je? Daarom is Bunkerbouwers 'een dringend zoeken naar een antwoord op de vraag: wie ben ik?’ Met andere woorden, net als in Wie is van hout…, Oorspronkelijk gezicht: Een gang naar huis, Notities van een discipel en Jaren van voorbereiding, is het diepst mogelijke onderwerp van de boeken van Jan Foudraine dus zichzelf.
ACH, EEN MALLE, domme, ijdele man die de draad kwijt is - het zou allemaal zo erg niet zijn als Foudraine niet met zoveel gevaarlijke ambitie inzette. Het boek opent met de waarschuwing dat je niet meteen met je medicijnen moet stoppen, want die dingen zijn verslavend. Mensen met een depressie wordt naar antroposofische traditie wijsgemaakt dat ze hun ziekte maar moeten zien als 'totale heroriëntatie van het leven’. Wie wel eens gekte van nabij heeft meegemaakt en de gevolgen die het stoppen met medicijnen daarop kan hebben, of wie Karin Spainks woedende aanval op de orenmaffia las in Het strafbare lichaam, die weet hoeveel arrogante hufterigheid er schuilgaat achter dit soort onschuldig klinkende kwakzalverij. Dan zijn megalomanen als Jan Foudraine, die een onnavolgbaar één-op-één-spel spelen met hun labiele slachtoffers, ineens niet mal of grappig meer. Dan ga je opeens een ander verhaal vermoeden achter honende Foudraine-zinnetjes als: 'Ik heb een vader gekend die mij letterlijk wilde vermoorden, omdat ik “zijn kinderen van hem afgenomen had”. Die kinderen waren 26 en 30 jaar oud. Een andere vader zocht bij een bevriende advocaat naar redenen om mij “voor de tuchtraad te dagen”.’
A. J. HEERMA VAN VOSS, destijds redacteur van de Haagse Post, stuitte ten tijde van het Wie is van hout-succes in een interview met Foudraine op een stinkend zaakje. Terloops vroeg Heerma van Voss nog even hoe dat nu zat met een van die door Foudraine beschreven patiënten, ene Walter, 'schizofreen’, die volgens het boek onder de magische handen van de psychiater opbloeide, waar de wetenschappers faalden. Helaas, zo stond in Wie is van hout… te lezen, overleed Walter drie maanden na de behandeling alsnog aan een stompzinnig ongeluk, waarbij geen sprake was geweest van zelfmoord.
Nou, zo zat het niet helemaal, meldde Foudraine bij nader inzien. In werkelijkheid slikte Walter iets in om zichzelf schoon te wassen en stikte hij. Zeep. Walter was, stelt Heerma van Voss, de cause célèbre van zijn boek. Dit is niet zomaar een foutje. De bodem is met deze wetenschap uit het boek gevallen. Foudraine maakt het er later alleen nog maar erger op door stilletjes in de dertiende druk van Wie is van hout… de hele dood van Walter te schrappen en er een positief einde aan te draaien.
Het is een voorval dat Heerma van Voss in grote woede deed ontsteken, zoals terug te lezen valt in diens bundel De haas en de jager. Terechte woede. Want de beroemde Foudraine, steun en toeverlaat voor mensen in nood, hervormer van de psychiatrie, ziener en betrokken mens, bleek niets anders dan een stiekeme fraudeur. In de vijfentwintigste druk die ik heb, valt te lezen hoe Walter, die in werkelijkheid dus zo gruwelijk aan zijn einde kwam, en die met een juiste medicijnenbehandeling misschien wel een heel leefbaar leven had kunnen leiden, een fictief levenslot kreeg toegemeten, waaruit ook nog eens de aanhankelijkheid ten opzichte van zijn grote therapeutische meester moest blijken. Foudraine bakte ervan: 'Hij kwam daar onder de goede zorg van mijn vriend en collega John Waage. Ook zij spraken veel met elkaar, o.a. over de scheiding en verlating die mijn vertrek naar Amerika voor hem betekende.’
Als je er nog dat soort details aan toe durft te voegen, wat voor mens ben je dan?
Foudraine zelf doet alsof zijn neus bloedt. In een eerdere poging tot Wie is van hout… deel II, getiteld Oorspronkelijk gezicht: Een gang naar huis, schrijft hij achteloos: 'Verder heeft de pientere journalist van de Haagse Post de dertiende druk nog eens met een microscoop nagelezen. Hij constateert een aantal wijzigingen en weet niet veel anders te doen dan me voor leugenaar te zetten.’ Pas in 1981, een kleine tien jaar later, geeft hij aan Bibeb in Vrij Nederland kribbig toe een fout gemaakt te hebben: 'Ik had niet moeten schrappen. Ik heb je al eerder gezegd dat ik sinds Bhagwan mijn eigen leugens duidelijk zie.’
Mooi. Maar in 1986 ziet Foudraine het in een ingezonden brief in Het Parool weer heel anders: 'Heerma van Voss heeft in 1972 n.a.v. zijn poging mijn integriteit aan te vallen een afdoende antwoord ontvangen en ik ben niet van plan dat veertien jaar (!) later nog eens te herhalen. Ik sta volledig achter de inhoud van mijn eerdere boek Wie is van hout… Het bevat geen leugens.’
Je moet maar durven.
Maar sommigen durven alles. Omdat ze maar wat doen.