11 juni 1914 - 22 september 2012

Jan Hendrik van den Berg

Hij was de bedenker van de metabletica en legde op eigenzinnige wijze verbanden tussen historische verschijnselen, zoals de opkomst van de rechte lijn in de moderne architectuur en de negentiende-eeuwse vrouwenmode. De gevestigde wetenschap dacht er het hare van.

In NRC Handelsblad van 29 september stond een kleine rouwadvertentie over prof. dr. Jan Hendrik van den Berg: ‘Psychiater-Neuroloog, Dr. med. Utrecht, Em. Hoogleraar Leiden, Eredoctoraten, Onderscheidingen, Auteur van talrijke publicaties.’ Tot nu toe verschenen nog weinig grote herdenkingsartikelen over deze curieuze bedenker en voorvechter van de metabletica of historische fenomenologie, een zeer eigenzinnige richting in de psychologie en filosofie waarbinnen men de gelijktijdigheid van ongelijksoortige historische gebeurtenissen aan het licht brengt. Van den Berg legde bijvoorbeeld een verband tussen de opkomst van de rechte lijn in de moderne architectuur en de negentiende-eeuwse vrouwenmode. In beide verschijnselen zag hij een toenemende culturele en maatschappelijke nivellering. In een ander werk brengt hij de opkomst van de fiets in verband met de nivellering na de Franse Revolutie.

Een ‘normale’ geschiedschrijver laat volgens Van den Berg het algemene beeld van een periode zien, de metableticus onderzoekt welke andere beslissende, schijnbaar niet ter zake doende, gebeurtenissen zich voordeden. Dergelijke (synchrone) fenomenen kunnen, als je ze ziet, ineens ons gezichtspunt over een periode veranderen. In Hooligans (1989) brengt hij een verrassend verschijnsel in de mode in verband met de Frans-Duitse oorlog van 1870-71. ‘Of, als dat meer aanspreekt, tijdens de Frans-Duitse oorlog ontstond in de mode de cul-de-Paris, het kussentje onder de vrouwenrok dat de achterste delen vér uit deed staan, en dat, niet geheel terzijde gezegd, in heel Europa werd gedragen, wat moet wijzen op een generale verandering in de relatie van man en vrouw. Onmiddellijk verandert het “beeld” van de Frans-Duitse Oorlog, ongeacht of de historicus wel of niet vermoedt van welke aard de verandering is. De metableticus verwelkomt gelijktijdigheden, ook, of juist ook, de vreemdste.’

Van den Berg nam niet altijd de moeite de door hem geconstateerde verbanden uit te werken, maar hij kwam toch regelmatig aanzetten met soms uiterst geestige verbanden die altijd controversieel waren. Zo legde hij in Hooligans een verband tussen de architectuur van het Centre Pompidou in Parijs en het opkomend maatschappelijk hooliganisme. In een uitvoerig en overtuigend betoog maakt hij aannemelijk dat de buitenkant van dit gebouw tot centrum van de architectuur is verklaard en hij verbindt daaraan een idee over de algehele nivellering van de moderne kunst en kunstbeschouwers. In het Centre Pompidou is het doel van het gebouw geheel verdoezeld achter wat Van den Berg ‘de kleine dienaren’ ervan noemt. Die kleine dienaren, de waterleiding, de buizen, de roltrappen buiten, de toiletafvoer, die op zich niets met het doel van het museum (het tentoonstellen van kunst) te maken hebben, zijn naar het centrum van de aandacht verplaatst. De ‘grote dienaren’ (de toegangspoort, de expositieruimtes) zijn weggewerkt. En dan komt hij tot de volgende conclusie: ‘Wie zijn de kleine dienaren in een samenleving? Dat zijn de ooit geheten “kleine luiden”, die als geheel de basis van de samenleving vormen, maar die één voor één voor dezelfde samenleving van geen enkele betekenis zijn. Het volk. Het volk is in de openbaarheid gebracht en belangrijk gemaakt. Daar staat dat volk: aan de buitenkant van het Centre Pompidou.’ En in het kielzog van het volk ziet Van den Berg ‘de horde deugnieten, gezagshaters, rellenschoppers en vernielzuchtigen – onder welke illusteren zich onvermijdelijk een aantal aspirant-terroristen bevindt’.

Hiermee krijg je in Nederland en elders in linkse kring de handen niet op elkaar en je kunt je ook voorstellen dat officiële wetenschappers weinig op hadden met een metabletische vrijbrief voor het leggen van welke verbanden dan ook. Hij kreeg verwijten dat de verbanden die hij zag alleen in zijn ogen bestonden, dat hij opereerde met een (verbitterde) visie op de maatschappelijke en culturele verloedering. Dit moet wel eens hard bij hem zijn aangekomen omdat hij in zijn meer filosofische geschriften altijd trouw bleef aan fenomenologische leermeesters als Husserl en Heidegger die uitgingen van een ‘theorieloze’, persoonlijke blik op waargenomen ‘fenomenen’. Volgens hen kan serieuze wetenschap pas van de grond komen als je geheel onbevooroordeeld naar de verschijnselen kijkt. Van den Berg nam wel eens een loopje met deze eigen uitgangspunten, wat hem er in mijn ogen niet onsympathieker op maakte. Af en toe sloeg hij de plank geweldig mis, zijn metabletische opvattingen over de aidsepidemie sloegen nergens op, zijn verbittering over de culturele ondergang van het Westen begon wel eens nare trekjes te vertonen. Hij bleef een grote groep gelijkgestemden en bewonderaars om zich heen verzamelen, daarbuiten, in de meer empirisch ingestelde wetenschap had men hem al lang aan de dijk gezet.

Hij schreef buitengewoon fraai en eigen Nederlands, in een uitermate precieze, maar ook dwarse stijl, waarvan ik hierboven een paar voorbeelden gaf. Zijn grote succesboek was Metabletica (1956), het was terecht een bestseller, het is ook nu nog prachtig, zijn opmerkingen erin over literatuur zijn voorbeeldig. Hij schreef tot op hoge leeftijd onder zeer aantrekkelijke titels vele boeken over de meest uiteenlopende verschijnselen – een paar titels: ’s Morgens jagen, ’s middags vissen (1971), Het onderste kaakbeen: een metabletische les (1979), Hoe vertel ik het mijn nichtjes en neefjes (2000). In 2001 verscheen het boekje De kop van de bromvlieg, waarin Van den Berg zijn grote kennis en schrijfkunst fraai inzet. Je kunt het zien als een samenvatting en hoogtepunt van zijn oeuvre. Hij laat in een zeer persoonlijk, soms poëtisch te noemen essay overtuigend zien dat rond 1740 een belangrijke wijziging plaatsvond in ‘kijken naar de natuur’. Aan de ene kant ontstond in de natuurwetenschappen de wetenschappelijke blik die alles objectiveert, en tegelijkertijd, synchroon hiermee, in de poëzie een zeer persoonlijke visie op de natuur. De eerste zin is onovertroffen: ‘Op 23 november 1933 – ik was toen negentien jaar – ving ik een bromvlieg.’