Dwalende rechters

Jan is dood. Piet sloeg hem. Stierf Jan door Piet?

Om tegemoet te komen aan de maatschappelijke verontrusting over rechterlijke dwalingen bereidt minister Ernst Hirsch Ballin van Justitie een wet voor die het mogelijk maakt om strafzaken sneller en beter te herzien. Laten we ons gek maken door de dramademocratie?

Medium dwaling doolhof

DE RECHTERLIJKE MACHT is de enige beroepsgroep in ons land die niet door buitenstaanders wordt gecontroleerd, maar in staat en bereid wordt geacht zichzelf te controleren. Nog niet zo lang geleden waren ook artsen, legerofficieren, notarissen en apothekers bij hun beroepsuitoefening louter onderworpen aan de tucht van vakgenoten. Het was een traditie die wortelde in de middeleeuwse gilden, voortleefde in het zeventiende- en achttiende-eeuwse patriciaat en moeiteloos Napoleon overleefde.
Pas aan het eind van de vorige eeuw werd in sommige gevallen met de traditie gebroken. De krijgsraden werden ondergebracht bij de gewone rechtbank en de vervolgingsbeslissing ligt tegenwoordig niet meer bij de militaire commandant, maar bij het Openbaar Ministerie. De medische tuchtcolleges werden opengebroken door er behalve medici ook juristen in te plaatsen, wat overigens niet leidde tot de verwachte stijging, maar juist tot een daling van het aantal gevallen waarin een medische klacht gegrond werd bevonden. En wie geen genoegen neemt met de uitspraak van het hoogste college, het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, kan altijd nog in beroep gaan bij de gewone rechter.
Uitgerekend die gewone rechter wordt niet formeel door de buitenwereld op de vingers getikt. De rechterlijke macht heeft een tucht- en klachtenvoorziening die loopt via de procureur-generaal bij de Hoge Raad, maar artikel 117 van de Grondwet bepaalt dat alleen de rechterlijke macht zelf zijn leden waar nodig schorst of ontslaat. Een groep deskundigen, aangevoerd door de rechtspsychologen Willem Wagenaar, Hans Crombag en Peter van Koppen en deels verenigd in het project Gerede Twijfel van de Universiteit Maastricht, roept al geruime tijd op tot het openbreken van de rechterlijke macht. Zij pleiten niet voor juryrechtspraak of andere wilde vernieuwingen die waarschijnlijk meer nadelen dan voordelen opleveren. Zij vragen om de instelling van een nieuw zelfstandig bestuursorgaan, de Nationale Revisieraad. Deze raad moet de bevoegdheid krijgen om strafzaken terug te verwijzen naar de rechter.
De raad beoordeelt niet of de juiste procedure is gevolgd, zoals de Hoge Raad traditiegetrouw doet, maar of het feitenonderzoek afdoende was om tot veroordeling of vrijspraak te komen. In de raad zouden voornamelijk burgers zitting hebben, zodat toch een soort juryelement in de rechtspraak wordt geïntroduceerd. ‘Die raad zou ook zelf feitenonderzoek moeten kunnen doen’, vult Van Koppen desgevraagd aan, ‘want op dat punt faalt de Nederlandse rechter nogal eens, zo blijkt uit geruchtmakende zaken zoals de zaak van Lucia de B. of de Schiedammer parkmoord. Geen wonder, want Nederlandse rechters en juristen in het algemeen zijn daarvoor niet opgeleid. Empirisch onderzoek of wetenschapsfilosofie behoren niet tot hun opleiding. Sommige rechters verstaan hun vak en die hoor ik met bewondering aan in de rechtszaal, maar andere hebben geen idee hoe ze een getuige-deskundige goed moeten ondervragen.’
Het plan is in zekere zin ingehaald door de politiek. Om tegemoet te komen aan de maatschappelijke verontrusting over rechterlijke dwalingen heeft minister Ernst Hirsch Ballin van Justitie een wet in voorbereiding die het mogelijk maakt om strafzaken sneller en beter te herzien. Veroordeelden kunnen voortaan de procureur-generaal vragen om aanvullend onderzoek in hun zaak; de inbreng van deskundigen zal beter worden benut en verdachten die in eerste instantie zijn vrijgesproken, kunnen alsnog voor hetzelfde feit worden veroordeeld. Volgens de voorstanders is dat een weldoordachte oplossing, volgens de reeds genoemde rechtspsychologen is het eerder een weldoordachte manier om de closed shop van de rechterlijke macht gesloten te houden. De vraag wie gelijk heeft kan alleen worden beantwoord door vast te stellen wat nu precies het probleem is. Dat blijkt al even moeilijk te zijn als de waarheidsvinding in sommige van de meest geruchtmakende strafzaken.
Het beruchtste voorbeeld van rechterlijke dwaling in de afgelopen decennia is ongetwijfeld de veroordeling van Kees Borsboom in de zogenoemde Schiedammer parkmoord uit 2000. Borsboom zat vier jaar onschuldig vast voordat een zekere Wik H. verklaarde dat hij de moord op het tienjarige slachtoffertje had gepleegd. Dit werd door aanvullend DNA-onderzoek bevestigd. Het dossier is uniek om twee redenen. In de eerste plaats omdat de onschuld van Borsboom onomstotelijk is bewezen. Dat is bijna nooit het geval in zaken waarin de schuld niet kan worden bewezen. Ook al wordt een verdachte na jarenlange, hardnekkige pogingen van het Openbaar Ministerie in hoogste instantie vrijgesproken, dan blijft er toch altijd een rest van twijfel hangen waaraan officieren van justitie en lagere rechters zich kunnen vastklampen. Zodra Wik H. was veroordeeld, kon niemand er omheen dat Borsboom onrecht was aangedaan. En hoe! Hij was veroordeeld tot achttien jaar plus tbs. Dat laatste hield in dat zijn eventuele vrijlating in de verre toekomst afhankelijk was van de diepte van zijn zelfinzicht en berouw over een daad die hij niet gepleegd had.
De tweede omstandigheid die de zaak uniek maakt, is dat de betrokken rechters zich achteraf hebben uitgelaten over de formeel-juridische toedracht. De presidenten van de Rotterdamse rechtbank en het Haagse gerechtshof hebben ieder een artikel over de zaak geschreven in Trema, het tijdschrift voor de Nederlandse rechterlijke macht. De Rotterdamse rechtbankpresident liet weten dat de betrokken rechters geheel op eigen initiatief aan ‘zelfreflectie’ hadden gedaan. De voornaamste ‘les’ was ‘dat de rechter zelf verantwoordelijk is voor de waarheidsvinding’. Dat zou vanzelf moeten spreken, het is namelijk het uitgangspunt van alle onafhankelijke rechtspraak. Alsof die enormiteit niet verbijsterend genoeg was, voegde hij eraan toe dat het woord ‘les’ niet impliceerde dat de Rotterdamse rechters iets fout hadden gedaan. De Haagse president Verburg kwam tot de slotsom dat er ‘geen fout’ was gemaakt omdat de betrokken rechters ‘zorgvuldig’ gewerkt hadden. Een chirurg die bij een patiënt het verkeerde been afzet en hooghartig volhoudt dat er geen fout is gemaakt, kan zijn carrière doorgaans vergeten, al heeft hij het been nog zo zorgvuldig afgezet. Maar Verburg schuwt het woord ‘fout’, schrijft hij, vanwege de ‘connotaties van vermijdbaarheid en sancties’.

‘VERBURG en alle verantwoordelijken binnen de rechterlijke organisatie die niet tegen deze gang van zaken in opstand zijn gekomen, houden liever de winkel gesloten voor inmenging vanuit de samenleving’, schrijven Wagenaar, Han Israëls en Van Koppen in hun boek De slapende rechter (2009). Zij wijzen erop dat de zaak-Borsboom tot in hoogste instantie met claustrofobische precisie werd dichtgetimmerd. Het Amsterdamse hof dat de zaak moest herzien, verklaarde het OM niet-ontvankelijk omdat het na de veroordeling van Wik H. zogenaamd ‘geen belang meer had bij Borsbooms vervolging’. De Hoge Raad keurde die beslissing in cassatie goed. ‘Zo eindigde de zaak zonder dat werd vastgesteld dat ook maar enige rechter een fout had gemaakt. De Nederlandse rechter zit te slapen zonder het risico van sancties’, aldus de auteurs.
Wagenaar, Crombag en andere rechtspsychologen zagen al tientallen jaren met succes aan de stoelpoten van de rechter, het Openbaar Ministerie en de politie. Ze hebben slechte onderzoeksmethoden zoals ondoordachte Oslo-confrontaties of de ‘poppenspelmethode’ in zedenzaken aan de orde gesteld. En ze hebben aangetoond dat rechters in de praktijk soms anders te werk gaan dan je mag verwachten op grond van elementaire eisen van logica en beroepsethiek. Maar ze slagen er niet in om hun centrale stelling aannemelijk te maken dat de fouten van rechters systematisch zijn en dat ze voortkomen uit de institutie, niet enkel uit menselijk falen. Zeker, indien en voorzover menselijk falen niet wordt gecorrigeerd, zal het vaker dan nodig voorkomen. In die zin is de rechterlijke macht medeverantwoordelijk voor opzienbarende fouten in een aantal recente strafzaken. Maar dat wil niet zeggen dat de aard van de institutie die fouten veroorzaakt, oftewel dat de rechterlijke macht in dit land ziek is. ‘Maar in de ogen van een onschuldig veroordeelde is dat wel het geval; die vindt vaak het hele systeem corrupt’, zegt Van Koppen: ‘En dat vinden al zijn medestanders met hem. Ook onder het nieuwe wetsvoorstel zullen ze het gevoel houden dat ze bij de duivel te biecht moeten, in de persoon van de procureur-generaal. Hij is net als de rest van het systeem niet uitgerust voor deugdelijk feitenonderzoek.’
DE RECHTSPSYCHOLOGEN vinden een geduchte tegenstander op hun pad: de Nijmeegse strafrechtprofessor Ybo Buruma. Hij was de laatste jaren voorzitter van de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken, beker bekend als de Commissie-Posthumus, die in 2005 werd ingesteld naar aanleiding van de Schiedammer parkmoord. De commissie is een tijdelijke instelling die moet onderzoeken of zich in specifieke rechtszaken ernstige manco’s hebben voorgedaan in de bewijsvoering door politie en Openbaar Ministerie. In dat kader onderzocht de commissie onder meer de zaak Lucia de B. en de Enschedese zedenzaak. De zittende magistratuur werd in de taakomschrijving uitdrukkelijk buiten schot gehouden, hetgeen Buruma het verwijt opleverde dat zijn commissie de closed shop in bescherming nam.
Buruma vindt die kritiek begrijpelijk: ‘We hebben als commissie een ontvankelijkheidsprobleem omdat we tijdens onderzoeken op fouten of vergissingen van rechters stuiten. Daar kunnen we dan niet verder op ingaan. Het betekent niet dat rechters slapen, zoals de auteurs van De slapende rechter honend aanvoeren. Ook wie honderd procent alert is, kan een fout maken. De rechtspsychologen rond Wagenaar recyclen al jaren dezelfde acht à tien strafrechtszaken. Ze bewijzen niet dat het daarin om meer gaat dan menselijke fouten binnen een overigens goed functionerende beroepsgroep. Die gevallen zijn natuurlijk voer voor de dramademocratie, maar we moeten ons niet gek laten maken door ze representatief te achten.’
Het voornaamste bezwaar dat de rechtspsychologen aanvoeren tegen de geslotenheid van de rechterlijke macht is dat die geslotenheid leidt tot een kortzichtige juridische redeneertrant, een soort ‘tunnelvisie’ waarin niet de feitelijke juistheid en logische geldigheid van de aanklacht centraal staat, maar de vraag of aan procedurele eisen is voldaan. In beginsel zou de rechter tot een oordeel moeten komen door uit de aanklacht alle elementen die niet bewijsbaar zijn ‘weg te strepen’ en dan te bekijken of hij voldoende grond voor veroordeling overhoudt. In de praktijk aanvaarden rechters te gemakkelijk de door het OM aangedragen feiten, ook als die feiten berusten op bronnen en aanwijzingen die hij reeds heeft ‘weggestreept’. Zo kon het gebeuren dat in de Enschedese incestzaak een man werd veroordeeld op grond van getuigenissen van betrokkenen die in eerdere instantie over andere onderdelen van de tenlastelegging aantoonbaar gelogen hadden. Omdat die andere delen waren ‘weggestreept’, bleef hun leugenachtigheid in de ‘waarheidsvinding’ buiten beschouwing.
Dat is geen staande praktijk, meent Buruma, die behalve commissievoorzitter ook plaatsvervangend rechter bij het Arnhemse Hof is; de rechter kijkt doorgaans wel degelijk naar het grotere verband in een tenlastelegging. In een artikel voor het komende nummer van het strafrechtblad Delict en Delinkwent dat hij De Groene Amsterdammer alvast toestuurt, schrijft hij: ‘De rechter verifieert (en falsifieert) de feiten, maar hij verleent er ook betekenis aan door ze in onderling verband te brengen, waardoor er een coherente schets van de gebeurtenissen ontstaat op grond waarvan hij de wet kan toepassen. Daar speelt de chronologie (en op een hoger abstractieniveau de causaliteit) een rol bij en doorgaans ook de intentie van degene die handelde. Zo’n feit is bijvoorbeeld dat Jan dood is (uit deskundigenverslag). En dat Piet hem sloeg (uit getuigenverklaring). Maar de vraag of Jan stierf door de klap van Piet vergt al een waarheidsoordeel. De rechter legt als het ware een lagere maatstaf aan ten aanzien van de causaliteit (de “redelijkheid”), omdat hij ook het opzet toetst. Sommige deelvragen kennen meer mogelijke antwoorden, maar juist door de onderlinge samenhang te bezien wordt ernaar gestreefd een ware uitspraak te doen.’
Anders dan de rechtspsychologen meent Buruma ook niet dat rechters slapenderwijs elke getuige geloven. Natuurlijk liegen getuigen, schrijft hij – onthutsend vaak zelfs, net als verdachten. Rechters weten dat. Daarom stuurt de Bossche rechter een zwakbegaafde verdachte naar huis ondanks het feit dat hij een tenlastegelegde verkrachting van a tot z heeft opgebiecht. Tegenover elk voorbeeld van de rechtspsychologen kan zo’n tegenvoorbeeld worden gezet. In de Schiedammer zaak was het vervelende nu net dat de ontlastende verklaring van de kroongetuige niet geloofwaardig leek. Wie had er gelijk? Helaas kunnen ook getuigen-deskundigen die uitkomst zouden moeten bieden (onder wie rechtspsychologen) niet al te snel geloofd worden. Zij liegen misschien minder, maar er schort vaak het nodige aan de relevantie van hun rapportage zodat de rechter er het zijne van denkt. En dat moet hij ook. Wetenschappers kunnen ze bij een ongewisse uitkomst altijd oproepen tot verder onderzoek. Rechters moeten op zeker moment een knoop doorhakken.

RECHTERS NOCH rechtspsychologen kunnen met cijfers in de hand bewijzen dat de rechterlijke macht in dit land systematisch triomfeert dan wel blundert. Buruma vindt dat we eerst eens moeten zien welke nieuwe inzichten de komende wetswijziging oplevert: ‘Er wordt tegenwoordig al klakkeloos geroepen om hardere straffen, meer opsporingsbevoegdheden, minder rechtswaarborgen voor verdachten. We moeten daar niet een circus aan toevoegen waarin rechters in het openbaar aan de tand worden gevoeld alsof ze witteboordencriminelen zijn. Het is al een grote stap vooruit dat de procureur-generaal binnenkort kan besluiten rechters te horen, dan wel te laten horen, over een specifieke strafzaak. Het geheim van de raadkamer is dan officieel verbroken. Een eventueel ondeugdelijke handelwijze van zo’n rechter zal onvermijdelijk openbaar worden als de zaak wordt heropend.’

Beeld: Ien van Laanen