In memoriam

Jan Kostwinder (1960-2001)

Aan de muziek die op zijn crematie werd gespeeld kon je horen dat de dichter Jan Kostwinder, net als veel generatiegenoten, op een of andere manier nooit echt het gevoel van de jaren tachtig was kwijtgeraakt. Het gevoel van doem, van geen toekomst. De grimmig kille sfeer van die tijd was voor veel jonge schrijvers geen reden om zich afzijdig te houden en lethargisch te worden. Integendeel: met een enorme verbetenheid deed men dingen. Overal werden blaadjes gemaakt, collectieven opgericht en debatten georganiseerd.

Toen de «luidruchtige» Maximalen furore maakten, stichtte Jan Kostwinder het tijdschrift Adem, op het eerste gezicht het tegenovergestelde van het geëxalteerde Maximaal. De poëzie in Jans blad was stil, ingetogen. Net als die van hemzelf. Zijn eerste dichtbundel droeg de titel Binnensmonds.

Soms lijkt het alsof al die daadkracht, al die ondernemingslust iets moest overstemmen. Alsof er aan die punk-achtige doe-het-zelf-mentaliteit een donkere kant was die men liever niet wilde kennen. Waar de dingen duister waren, onzeker en angstig.

Voor Jan Kostwinder gold dat het leven waarin hij, vol vuur en energie, dingen maakte en bedacht, voor zichzelf en voor anderen, een duistere kant had.

Die duisternis trok aan hem. Soms zacht, soms harder. Jan moest daar tegen vechten, steeds weer. Dat kostte hem veel kracht. De mensen om hem heen waren bang dat het een keer mis zou gaan. Maar dat ging het nooit echt.

Toen de dingen beter leken te worden, ging het wél echt mis. Jan was plotseling dood. Hij zal vreselijk moe zijn geweest van de strijd die hij al zo lang voerde.

Tussen Jan Kostwinders gedichten zit mooie, stille poëzie. Het laatste gedicht uit Een kussen van hout:

Als kanttekening besta ik nog,

als miniatuur in de marge.

Zo ook zal iemand ooit een glosse

op mij maken, ter troost

voor mijn dochtertje, blomme

van de velden, of zoontje,

kristus-koning.

Aandachtig befluisteren

ze elkaar: hij nam zichzelf

zo ernstig. En ik zal luisteren

onder mijn deken van dunne aarde

en zingen — zonder geschal.