Jan Morris, 2 oktober 1926 – 20 november 2020

Sommige levens lijken te klein voor alles wat erin gebeurde. Journalist en reisschrijver Jan Morris, geboren als James, maakte naam bij The Times en trok de hele wereld over, op zoek naar sporen van het Britse Rijk.

Jan Morris was ‘still only a boy’ toen ze de deur van Lancing College achter zich dichttrok om zich aan te melden voor militaire dienst. Ze was zeventien en ze belandde in Italië bij de 9th Queen’s Royal Lancers, een regiment dat in een uitstekende stemming verkeerde omdat het de Duitse troepen had opgejaagd van El-Alamein tot aan de Po. Morris voelde zich er zowel op haar gemak als een vreemdelinge: ‘Far from making a man of me, it only made me feel more proudly feminine at heart.’

Na haar diensttijd belandde Jan, die dan nog als James door het leven gaat, bij The Times in Londen. Toen Edmund Hillary zich in 1953 voornam de Mount Everest te bedwingen, trad de krant, zoals te doen gebruikelijk was, op als financier van de expeditie. Normaliter deed de expeditieleider dienst als verslaggever, maar deze keer werd er besloten een journalist mee te sturen. Het zou wat overdreven zijn om te zeggen dat al haar collega’s corpulente, kettingrokende alcoholisten waren, maar wie zich afvraagt waarom juist Morris werd uitgekozen om Hillary te begeleiden moet het toch in die hoek zoeken.

In Kathmandu ronselde ze koeriers om haar verslagen van de berg te voet terug te brengen naar de bewoonde wereld, maar toen Tenzing Norgay en Hillary de top bereikten was het Morris zelf die de berg afholde om vanaf een legerbasis in de buurt een gecodeerd bericht, dat door niemand behalve de redactie in Londen op waarde geschat zou worden, te versturen: ‘Snow conditions bad stop advanced base abandoned yesterday stop awaiting improvement.’ Het nieuws stond in de krant op de dag van Elizabeth’ kroning. ‘It was all very Evelyn Waugh’, zei ze er later over.

Het nieuws maakte van Morris een beroemdheid en in de daaropvolgende jaren doorkruiste ze, eerst voor The Times en daarna voor The Guardian, Amerika en het Midden-Oosten. Toen ze bij toeval de betrokkenheid van de Britse en Franse overheid bij de Suez-crisis ontdekte, leidde dat tot de val van premier Anthony Eden. Ze deed verslag van de zaak-Eichmann en ontmoette Che Guevara in Cuba, ze sprak de gevluchte spion Guy Burgess achter het ijzeren gordijn in Moskou en ontmoette zijn nog niet ontmaskerde collega Kim Philby in Egypte. In Oman trok ze samen met de Sultan, diens slaven en een grote hoeveelheid geiten in een karavaan van Amerikaanse trucks als eerste westerling door het land.

Ze had een zesde zintuig voor de melancholie die in zo veel dingen besloten ligt

Als journalist reisde ze in die jaren de achterhoedegevechten van het imperialisme achterna en ze zou haar hele leven gefascineerd blijven door de geschiedenis van het Britse Rijk. Hoewel ze haar carrière als militair was begonnen werd ze, naarmate ze ouder werd, steeds pacifistischer. Maar het Britse Rijk en het gevoel van vergane glorie die het bij haar losmaakte – ‘a sadness and a wastefulness’ – zouden haar altijd blijven beroeren. De trilogie die ze over het onderwerp schreef viel samen met haar eigen transformatie. Het tweede deel (Pax Britannica, 1968) schreef ze als James, het eerste in transitie (Heaven’s Command, 1973) en het laatste (Farewell the Trumpets, 1978) als Jan.

Conundrum (1974) heette het dunne boekje waarin ze schreef over haar trans-zijn. Sommige critici wisten zich er geen raad mee, maar het boek werd een bestseller. Vanaf haar derde of haar vierde was ze zich er vaag van bewust geweest dat ze een vrouw was, schreef ze. In de jaren daarna had ze er niet heel erg onder geleden, het was simpelweg haar geheim geweest. Een tragische ambitie, maar geen zware last. Een wens te ontsnappen ‘from maleness into womanhood’. Wanneer je leest over haar ontwaken in een kliniek, alleen in een pikdonkere kamer, vastgebonden aan een bed, houd je je hart vast, maar ze wordt overvallen door een gevoel van grote gelukzaligheid: ‘It seemed to me that on the whole I was alive, well and sex-changed in Casablanca.’

Nadat ze de journalistiek vaarwel had gezegd, vergaarde ze roem als reisschrijver. ‘A very superficial kind of researcher’, noemde ze zichzelf: ze ging gewoon kijken en schreef haar indrukken op. Haar Venice (1960) is een van de hoogtepunten in het genre. Ze was als jonge soldaat kort in de stad gestationeerd geweest en de melancholische leegheid die ze er had aangetroffen had haar nooit losgelaten. Met het nabijgelegen Triëst had ze rond dezelfde tijd kennis gemaakt, maar haar boek over die stad aan de Adriatische Zee liet langer op zich wachten. Pas in 2001 verscheen Triest and the Meaning of Nowhere, een prachtige, eigenzinnige overpeinzing over deze anachronistische havenstad, een uit de tijd losgeraakte hoofdstad van nergens.

Morris had een zesde zintuig voor de melancholie die in zo veel dingen besloten ligt, maar zwaarmoedig werd het zelden. Haar melancholie is de melancholie van de dingen die vol voorsorterende weemoed maar met een dankbare glimlach vaarwel worden gezegd.

Terwijl ze de wereld bleef rondreizen vestigde ze zich in Wales, het land van haar voorouders waarvan ze intens was gaan houden, en naarmate ze ouder werd dook het Welshe woord hiraeth vaker in haar werk op. Een heel specifiek soort verlangen, noemde ze het ergens in haar boek over Triëst, ‘expressing itself in bitter-sweetness and a yearning for we know not what’. Sommige levens duren een kleine eeuw en lijken daarmee nog te klein voor alles wat erin gebeurde. Maar het zijn zulke verlangens die mensen doen leven voor twee.