Hoofdcommentaar: Politiek

Jan Pronk wil wel

Goed nieuws voor de liefhebber: De wereld volgens Jan Pronk deel III is uit. Na Een wereld van verschil en Een wereld in geschil, uit de tijd dat hij minister voor Ontwikkelingssamenwerking was, presenteerde Pronk vorige week, nu als minister van Milieu, Een wereld en een wil. De fans kunnen hun hart ruimschoots ophalen, want net als de vorige keren komt Pronk met een heuse visie — toch een schaars goed in tijden van pragmatische paarse politiek. Het milieuvraagstuk, zo schrijft Pronk, gaat over risico’s en over de afwenteling van die risico’s door rijk op arm en door de huidige generatie op toekomstige generaties. Milieu, aldus de minister, is niet alleen een ecologische maar vooral ook een sociaal-economische opgave die vraagt om — jazeker, sommige mensen durven het woord nog te gebruiken — solidariteit. Milieu is geen technocratisch vraagstuk waarvoor het vaststellen van doelen en instrumenten voldoet. Wat nodig is volgens Pronk is een nieuw «internationaal aanvaard normen- en waardenstelsel met betrekking tot de relatie tussen de mens en de leefomgeving». Wim Kok moet hier toch de wenkbrauwen hebben gefronst, en het wordt nog erger. «Om de grote milieuproblemen onder de knie te krijgen zijn fundamentele maatregelen vereist, dicht bij de kern van het economisch proces, zonder echter de basis van de economie aan te tasten.» En vervolgens: «Voor deze problemen is een maatschappelijke transformatie nodig.» Nee, Pronk pleit niet voor een revolutie, hij heeft het over een «proces van lange duur» en spreekt van een «transitie».

De minister ziet zeven grote milieuproblemen (zeven plagen), waaronder verlies aan biodiversiteit, klimaatverandering en overexploitatie van hulpbronnen, en hij probeert duidelijk te maken dat het bij die problemen niet gaat over atmosferisch en chemisch Verweggistan, maar over mensen en hun directe leefomgeving. Het initiatief voor de noodzakelijke transitie ligt volgens Pronk bij de overheid: «in een nieuwe intensieve aanpak stuurt de overheid», en dat doet ze met prijsprikkels, normen, grenzen en desnoods verboden.

Het is een bijna ideologisch geïnspireerde notitie en daar is Pronk in de eerste commentaren ook stevig op afgerekend. Waar zijn de concrete doelstellingen? Waar zijn de instrumenten? En vooral: waar is het geld? Zo luidt de kritiek, en die is voor een flink deel ten onrechte. De notitie is op belangrijke punten een aanwinst. In de eerste plaats maakt Pronk terecht van het milieu een verdelingsvraagstuk. Het gaat over de toegang tot hulpbronnen en technologie en daarmee over de verdeling van welvaart. Daarmee zet Pronk het milieu midden tussen het overige beleid, en dat is het tweede winstpunt. Milieu en natuur is niet iets heiligs dat aan alles voorafgaat en waar je niet «tegen» zou kunnen zijn (op straffe van de ondergang die de doemdenkers ons voorspellen). Milieu is een aspect van het goede leven, naast het sociale, economische en culturele. Het gaat over keuzes, waar je politiek over van mening kunt verschillen. Op Nederlands niveau gaat dat meestal over de waardering van het immateriële (rust, groen, ruimte), en in de internationale discussie over de verdeling van lusten en lasten van ontwikkeling.

Pronk kiest in zijn notitie heel duidelijk positie in dat debat, en de kritiek over het ontbreken van doelstellingen en financiering is misplaatst omdat in het milieubeleid helemaal geen gebrek is aan doelen — er zijn tabellen vol met de percentages NH3 en CO2 en andere rotzooi die binnen zoveel jaar naar beneden moeten — en ook niet aan instrumenten. Waar het wél aan ontbreekt is publieke en politieke steun voor verandering. Steun die in de jaren negentig is verspeeld doordat het milieu is verengd tot een technocratisch debat over procenten en ecotaxen. De notitie doet een poging milieu te politiseren en te verbreden, en dat is winst.

Maar in die verbreding schuilt ook een gevaar. Pronk is een fan van het begrip «duurzaamheid» — Werken aan duurzaamheid is de ondertitel van de notitie — maar dat is een enorm vaag begrip. Duurzaamheid is alomvattend, en als het over alles gaat, gaat het nergens meer over. De duurzame samenleving is een soort paradijs en is daarmee a-politiek, want wie is er tegen het paradijs? Het wordt zelfs lachwekkend als Pronk belooft dat bij uitvoering van zijn ideeën de paradijselijke duurzame samenleving in 2030 bereikt zal zijn.

Pronks notitie is te veel een langetermijnplan, zo luidde de kritiek vorige week, maar in dertig jaar naar het paradijs lijkt me nou juist iets te hoog gegrepen. Het milieudebat zou er van opknappen als het woord «duurzaam» niet meer gebruikt wordt, vooral vanwege de impliciete suggestie dat er een utopische eindtoestand is. Over milieu en natuur zal altijd strijd zijn en zo hoort het ook.

De belangrijkste kritiek die op de notitie mogelijk is, is dat hij te laat komt. Hier had Pronk een jaar na zijn aantreden mee moeten komen, dan had hij nog drie jaar de tijd gehad steun te verwerven en zijn ideeën te concretiseren. Nu laat hij dat over aan zijn opvolger. Een minister mag je beoordelen op zijn resultaten en, om maar eens een ding te noemen, het energieverbruik is onder Pronk en Paars alleen maar verder gestegen, alle beloftes en afspraken ten spijt. Pronks slotzin: «De oplossingen kunnen gezamenlijk worden gevonden, wanneer de wil daartoe aanwezig is», klinkt dan toch wel een tikkie vrijblijvend. Tussen visie en praktijk ligt blijkbaar een wereld van verschil.