Jan ter haar, pelotonscommandant ‘we hadden een paar stenguns, één mitrailleur en enkele handgranaten, meer niet’

‘Eind 1944 - ik was een jaar getrouwd en de eerste baby was net geboren - werd ik benaderd door een nogal stoere man in een leren jack, die ik nog van school kende. Die vertelde: “We gaan in het Gooi een gewestelijke brigade oprichten, bestaande uit nette jongens, die na de oorlog, in geval van opstand of andere onverwachte gebeurtenissen, leiding kunnen geven.”
Aan het hoofd van die brigade stond iemand uit Naarden die ik vagelijk kende en die “Pappie” werd genoemd. Hoewel ik niet veel militaire ervaring had, werd ik tot pelotonscommandant gebombardeerd en kreeg ik plein pouvoir om twintig man te ronselen: oude makkers van school, vrienden uit de hockeyclub of de tennisclub. Op die manier kreeg ik mijn peloton bij elkaar. Hetzelfde gebeurde in Laren, Huizen en Bussum.’

Heel veel militaire ervaring had Jan ter Haar inderdaad niet. Toen de oorlog uitbrak zat hij in het Nederlandse leger en wel op de School voor Reserve-officieren in Kampen. Hij was net korporaal geworden toen hij in de nacht van 10 mei per schip over het IJsselmeer naar Haarlem werd vervoerd. Hij was negentien of twintig jaar en niet erg vechtlustig, maar hij deed z'n plicht en jaagde gehoorzaam op zogenaamde parachutisten en in priesterkledij vermomde spionnen.
‘We waren nauwelijks opgeleid en hadden antieke wapens. Het enige wat we bezaten was goede wil, maar dat heeft in die meidagen weinig geholpen. Om aan krijgsgevangenschap te ontkomen nam ik een baantje als magazijnbediende in onze oude familiezaak. Tot 1944 heb ik zo'n beetje gerommeld in het ondergrondse werk. Distributiekaarten naar onderduikers brengen, valse persoonsbewijzen verschaffen en van tijd tot tijd onderduikers onderdak geven.
We hadden af en toe bijzondere onderduikers. Een joods meisje met een horrelvoet, dat trieste walsjes van Chopin speelde op onze ontstemde piano, een baby waar we niet van wisten wie hij was en waar hij vandaan kwam, en daarna een zware jongen uit het verzet die had meegedaan aan het neerschieten van enkele hoge Duitse officieren.’
'Ik kreeg steeds aanmaningen om naar Duitsland te gaan of voor de Duitsers te gaan werken, daarom verhuisden we naar een niet geregistreerde chauffeurswoning in Hilversum. In de tuin was in de jaren dertig door Nederlandse militairen een schuilkelder gemaakt van een meter of tien lang en geheel ondergronds. In die schuilkelder kwamen de jongens van mijn peloton en de pelotons uit het Gooi oefenen met een stengun. Dat was niet zonder gevaar, want het was dicht bij de Utrechtseweg, waar dikwijls Duitse transporten langsreden. Daarom hadden we een touw lopen van de schuilkelder tot aan de Utrechtseweg. Als er gevaar dreigde trok de jongen die in een schuilplaats langs de weg zat aan het touw en werd even met schieten gewacht.
Mijn vrouw werd mijn koerierster en reed op een fiets met massieve banden mijn jongens langs om ze te vertellen wanneer er weer geschoten zou worden. Als er werd geoefend moest iedereen precies op tijd verschijnen en alleen aanbellen als er géén plant voor het raam stond. De hele buurt wist waarschijnlijk dat er in onze garage iets gaande was, maar gelukkig woonden er alleen maar goede vaderlanders en zijn we nooit verraden.
Wapens hadden we nauwelijks, een paar stenguns, één mitrailleur en enkele handgranaten die op kleine rugbyballen leken. Die wapens waren door de Britten gedropt bij Eemnes, snel verstopt en toen verdeeld. Uiterst gevaarlijk allemaal. Dat het nooit fout is gegaan is een godswonder.
Als mijn peloton ’s avonds kwam oefenen kreeg iedereen eerst als lokkertje een bord erwtensoep, daarna volgden peptalk en instructie. De man in de leren jas legde uit hoe je een motor onklaar kon maken door suiker in de benzinetank te gooien, of hoe je een motorordonnans kon onthalzen door een ijzerdraad over de weg te spannen. Gruwelijke dingen, bij mijn weten nooit uitgevoerd.’
'Toen de Canadezen in de buurt van Amersfoort kwamen, kreeg ik opdracht naar een atelier in Laren te gaan en daar nadere orders af te wachten. Dat atelier behoorde aan een oude, wat vreemde kunstschilder die nooit heeft begrepen wat die twintig jongens in blauwe overalls eigenlijk kwamen doen. Leuk was het die nacht in het atelier niet. Rondom werd geschoten, overal waren overgebleven Duitsers die desperaat waren en op alles vuurden wat bewoog. We hadden opdracht een mitrailleursnest te vernietigen. Gelukkig is het nooit zover gekomen. Eén dag later werd de wapenstilstand getekend en konden we afmarcheren.
Daarmee was onze taak nog niet over. We kregen opdracht gevangen genomen Duitsers en NSB'ers te bewaken in een oude Philipsfabriek. Die waren door leden van de knokploeg opgespoord en kwamen sidderend van angst door de fabriekspoort kikkeren. De bevolking liep uit om ze te bespuwen en uit te jouwen. Het ging allemaal erg primitief en tamelijk hardhandig, wat na al die jaren van onderdrukking wel te begrijpen was.
Die fabriekshal was zeer ongeschikt als gevangenis. We hadden alle verraders aan één kant van de hal gedreven. Zes man met de sten in de aanslag liepen er voor, klaar om te schieten als iemand het waagde te vluchten.
Na één dag kregen we een groepje SS'ers: officieren, Feldwebels en Grijze Muizen, die in Loosdrecht vreselijke dingen hadden uitgehaald. Mijn commandant wilde een geintje met ze uithalen. De hele troep werd tegen een muur gezet en het bevel gegeven: geweer in de aanslag. Of ze werkelijk gedacht hebben dat hun einde genaderd was is moeilijk te zeggen, want ze vertrokken geen spier.
Gelukkig heeft die dolle bewaking niet lang geduurd. Er kwam orde op zaken, de gevangenen werden geregistreerd en met vrachtwagens naar de vesting van Naarden vervoerd. Na een dag of veertien was ik verzetsman af en kon ik weer aan het werk, wat na al die karweitjes niet meeviel.’
'In wezen was ik geen goeie verzetsstrijder, ik zou het zeer moeilijk hebben gevonden om de trekker over te halen. Ik had een keer gezien hoe een Duitse deserteur door de Feldgendarmerie werd opgebracht. Het was een boerenkereltje in een gescheurd uniform. Hij liep aan één stuk door te huilen en te kermen. Hij was opeens geen vijand meer, maar een zielig stukje mens. Ook in die fabriekshal zag ik zulke types, arme verkreukelde mannetjes die met Volk en Vaderland bij het station hadden gestaan. Mijn wiskundeleraar die altijd met me over voetbal had gepraat. Je haatte die moffen, maar medelijden was er ook. Ik had in mijn ploegje knapen die langzaam maar zeker sadistische trekjes ontwikkelden en die sarrend langs de rijen gevangenen liepen en met hun gummistokken zwaaiden.
In tegenstelling tot al die bruutheid had ik ook een veel oudere verzetsman in mijn peloton, die zijn joodse vrouw naar een concentratiekamp had zien vertrekken. Op een avond vroeg hij om stilte en ging voor de gevangenen staan. Toen vertelde hij zijn trieste verhaal. Heel rustig, sereen bijna. Ik geloof dat zijn woorden meer indruk hebben gemaakt dan al het geschreeuw en gezwaai met knuppels van die anderen.’