Jan terlouw

Opeens staat hij weer in de schijnwerpers, Jan Terlouw, commissaris ven de koningin te Gelderland, werpt zich op als de grote kritikaster van de rijksoverheid inzake het nationale dijkendrama. Een verstoten politicus neemt wraak.

HOEWEL DE ZEEUWSE en Zuidhollandse watersnoodramp van 1953 onmiskenbaar een trauma van nationale omvang veroorzaakte, bleef het gegeven in de vaderlandse literatuur tamelijk onderbelicht. Een van de weinige schrijvers die er iets mee aankon, was de gevierde jeugdboekenauteur Jan Terlouw. In zijn in 1976 verschenen roman Oosterschelde windkracht tien schetste Terlouw met veel gevoel voor oudtestamentische dreiging een aangrijpend portret van de stormramp, waarin dank zij de vele politieke nevenintriges ook voor de oudere lezer veel te genieten viel.
Zo is de hoofdverantwoordelijke in de roman een corrupte dijkgraaf, die het geld voor dijkverbeteringen in de eigen zak heeft gestoken en bovendien een moord op zijn geweten heeft: en wel op een lokale zonderling die de catastrofe min of meer had voorspeld. Want hoe schijnbaar kil en technocratisch de politicus Terlouw ook mocht ogen, zijn schrijvende alter ego deinst nooit terug voor een forse complottheorie. ‘De redelijke, nuchtere en weloverwogen man in de Tweede Kamer blijkt in het geheim een avonturier en een woeste romanticus’, zo oordeelde de journalistieke eminentie Paul van ’t Veer al eens op grond van een andere pennevrucht van Terlouw, de roman De Derde Kamer, waarin een frauduleuze affaire met een partij dodelijk bedorven kaas aanleiding geeft voor kidnappingen en andere gangsterpraktijken in het Haagse politieke milieu.
BESCHULDIGINGEN OVER corruptie inzake de toestand der Gelderse dijken heeft Terlouw tot nu toe niet laten horen. Wel ontpopte hij zich verleden week als een van de scherpste kritikasters van de handelwijze van de regering in de afwikkeling van het rampenscenario. Nadat hij, hinderlijk gevolgd door 'een meute persvolk’ (volgens het NOSjournaal), koningin Beatrix had rondgeleid door het leeggeevacueerde rampgebied, spoedde de Gelderse commissaris zich donderdag in ijltempo naar Den Haag, waar hij minister Dijkstal van Binnenlandse Zaken probeerde te overtuigen van het bestuurlijke primaat van de burgemeesters en hemzelf als coördinator inzake het dijkendrama. Volgens Terlouw zonden de bemoeienis van de regering bij de evacuaties en andere noodmaatregelen alleen maar voor oponthoud.
Dijkstal, die met lede ogen aanzag hoe sommige burgervaders zich in de hitte van het moment ontpopten tot despotische autocraten, sloeg Terlouws raad in de wind en faxte donderdagavond toch zijn centrale commando’s door naar de gemeenten. Dit tot grote woede van de commissaris. 'Ik wil op de kortst mogelijke termijn evalueren wat het nut is geweest van de nationale coördinatie die minister Dijkstal vorige week op zich heeft genomen’, zei hij afgelopen zondag. 'Ik zie wel nationale aspecten aan een ramp van deze omvang, maar ik zie ook dat zo'n bestuurlijke bemoeienis ons in Gelderland nog veel meer werk heeft bezorgd en dat beslissingen langer gingen duren. Afgewogen moet worden of de meerwaarde van landelijke coördinatie belangrijker is geweest dan de negatieve bijwerkingen. ’
Het is een typisch terlouwiaans verwijt: droog-bestuurlijk geformuleerd, wat bleekjes zelfs maar je kunt er donder op zeggen dat zich achter die uitspraak een stuwmeer van kolkende verontwaardiging bevindt. De voorheen streng gereformeerde domineeszoon uit Kamperveen is een man met twee gezichten: schijnbaar uiterst onderkoeld, een typische beta (voordat hij in 1971 voor D66 in de Tweede Kamer kwam deed de wis- en natuurkundige Terlouw onder meer in Amerika en Zweden onderzoek ten behoeve van kernenergie), anderzijds een snel ontvlambare, sentimentele geest, een kant van zijn persoonlijkheid die vooral in zijn vele, met Gouden Griffels bekroonde jeugdboeken te voorschijn komt. De politicus Terlouw balanceert ergens tussen die polen. Als een van zijn belangrijkste karaktertrekken noemde hij ooit 'een overmatig verantwoordelijkheidsgevoel’, hetgeen hij zag als een uitvloeisel van zijn staat als eerstgeborene in de familie. Anderzijds is hij in eigen ogen ook 'een ontzettend aards persoon’: 'Ik hou v van onmatigheid. ’
Die twee zielen kwamen regelmatig met elkaar in conflict. Zo maakte Terlouw er in zijn politieke hoogtijdagen een erezaak van zich voor de camera’s van de pers niet te laten vereeuwigen met een sigaret in de hand. Zijn 'voorbeeldfunctie’ vond hij belangrijker dan zijn nicotineverslaving.
WE BEVINDEN ONS inmiddels op glad ijs. Want als er iets is waar de inmiddels 63-jarige Terlouw een aversie tegen heeft, dan zijn het wel journalistieke verkenningen van zijn mysterieuze geestesleven. Toen een verslaggever van de Volkskrant hem in zijn hoedanigheid van minister van Economische Zaken tijdens een interview betrapte op een 'geprangd gezicht’ en daar ook melding van maakte in de krant, verordonneerde Terlouw zijn ministeriële persvoorlichtingsstaf gelijk dat hij voortaan verschoond wilde blijven van zielsverkenningen: 'Toen heb ik tegen de voorlichter gezegd: verder geen gezeur. Als de schrijvende pers te woord wordt gestaan, wordt er ook geschreven over wat ik zeg en over mijn beleid. Maar er wordt geen semipsychologie of amateurpsychologie bedreven. Daar heb ik geen behoefte aan.’ De gedachte dat een vrije pers een dergelijk recht eigenlijk niet kan worden ontzegd, kwam blijkbaar niet bij hem op.
'De mensen weten niks van me. Dat moet zo blijven’, zei hij tegen VN’s Bibeb. Terlouws verstandhouding met de pers is dan ook altijd explosief geweest. Toen hij in 1974 de leiding van D66 in handen kreeg, nadat de aanhang van de partij was gedaald tot een procent van de kiezers, was hij aanvankelijk de lieveling van met name de tv-camera’s. In feite was hij de eerste echte TV-politicus van Nederland. Zijn natural coolness deed het met name goed bij het vrouwelijke electoraat. Zoals zijn hetere campagneleider Ernst Bakker het ooit formuleerde: 'Jan doet het om drie redenen goed op tv: hij formuleert gemakkelijk, hij heeft een aardig programma te presenteren en hij heeft geen wrat op de neus.’ Niettemin had Terlouw steevast bonje met het journaille. Ooit stapte hij op als lid van de Vara omdat Hans Jacobs hem beledigend had toegesproken. 'Van een omroep met een dergelijke mentaliteit vind ik niet dat hij groot behoort te blijven. ’
Met het vorderen van de jaren nam Terlouws hekel aan de pers fobische vormen aan. Nadat hij zijn partij in 1981 naar een triomf had gevoerd (zeventien kamerzetels) volgde er een waar politiek drama. Het stranden van het kabinet-Van Agt/Den Uyl, waarbij Terlouw de kant van het CDA koos, zorgde voor een enorme val van Terlouws even eerder nog weergaloze populariteit. Onomwonden sprak hij van een georganiseerde hetze die vanuit de pers tegen zijn persoon werd gevoerd, zonder dat hij namen wenste te noemen.
Het meest stak hem het in 1981 verschenen boek De onweerstaanbare opkomst van Jan Terlouw, van de hand van Haagse Postverslaggever Paul van Engen, die zijn opzienbarende materiaal had ontleend aan zijn vele reizen aan de zijde van de D66-lijsttrekkers en zijn campagnechef Ernst Bakker tijdens de campagne. Van Engen beschreef in treffende details hoe het duo Terlouw-Bakker zich met veel gevoel voor enscenering telkens weer in de publieke kijker wist te spelen. Zo wensten zij een halfverdrinkend schaap ergens in een weidelandschap pas echt te bevrijden toen de pers was gearriveerd. Dat soort kleine inkijkjes werkte aanzienlijk demythologiserend voor het 'politieke zondagskind ’ Terlouw, die dan ook dodelijk bedroefd was over het boek. 'Hij heeft mijn vertrouwen op zo'n gruwelijke manier geschonden dat ik er eigenlijk niet eens over wil praten ’, zei hij over Van Engen.IN HET VOORJAAR van 1982 was het uit met Terlouw. Zijn aandringen op een continuering van de regeringscoalitie van CDA, VVD en D66 kostte hem zijn gezag bij de Democraten. Eerder had Hans van Mierlo gezegd dat hij alleen al bij het vooruitzicht op dat politieke verbond 'pijn in de buik’ kreeg. Terlouw hield echter vast aan zijn overtuiging. Het betekende zijn politieke einde. In zijn boek Naar zeventien zetels en terug maaide hij vervolgens wild om zich heen. Tegen Den Uyl: 'Den Uyl heeft grote kwaliteiten, maar hij heeft zichzelf overleefd Hij is onmogelijk geworden. Zijn ideeën zijn economisch verouderd.’ Tegen de journalistiek: 'NOS Journaals Charles Schwietert deugt niet; in je gezicht doet hij poeslief, voor de camera insinueert hij van alles.’ Het morele peil der parlementaire journalisten noemde hij 'onder de maat’. blaar ook partijgenoten kregen er van langs: 'Brinkhorst is tamelijk progressief op sociaal-economisch gebied. Dat kan hij zich veroorloven omdat hij er geen verstand van heeft. ’
Nadat hij zich aldus van alle vrienden had ontdaan, vertrok Terlouw naar Brussel, waar hij als secretaris-generaal voor het Europese transportwezen geheel uit het zicht verdween. 'Ik vertegenwoordigde niet meer wat er in D66 leefde’, zo formuleerde hij zijn politieke grafschrift. 'De partij en ik zijn uit elkaar gedreven. Het is typisch een partij van mensen met een rechts hoofd en een links hart. Tegen de tijd dat je verantwoordelijkheid moet dragen, speelt het hoofd een rol, maar als die verantwoordelijkheid verder weg is, spreekt het hart. Ze voelen niet rechts, ze voelen links.
En als je dan, zoals ik, die verantwoordelijkheid neemt, dan pas je niet meer op het gevoel van die partij. Ik dreef van D66 weg. Ik heb daar in mijn ziel vrede mee. ’
Sinds vijf jaar zwaait hij nu de scepter over Gelderland, de streek van zijn jeugd. De zoveelste in een rij van ooit gevierde, maar later vergeten politici. Treuren daarover doet hij niet. 'Ik ben ervan overtuigd: over honderd jaar zal men nog kunnen vinden wie ik was, niet door wat ik als politicus heb gedaan, maar door wat ik heb geschreven. Dat geldt voor bijna alle andere politici niet. Zij zullen vergeten zijn.’