Jan willem brinkman

HET OPVALLENDST aan Jan Willem Brinkman, korpschef b.d., is zijn blik. Ogen die je aanstaren vanuit een andere wereld. Alsof ze schuilgaan achter een dikke glasplaat. Het hoofd erachter is onbereikbaar. Dat hoofd gaat zijn eigen gang.

‘Bij het flakkerende schijnsel van het half gedoofde licht zag ik het doffe oog van het wezen opengaan; het ademde moeizaam en zijn ledematen bewogen met een krampachtige beweging.’
Mary Shelley schreef deze woorden in 1818. Het is haar introductie van het monster van Frankenstein. Een wezen dat uit stukken van lijken werd opgebouwd en daarna tot leven gewekt. Het monster van Frankenstein was een creatie, een schepping. Net als korpschef J.W. Brinkman.
KORT NA DE IRT-affaire is er topberaad in Den Haag. Wijze mannen scharen zich rond de tafel: de premier, de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie, en enkele korpsbeheerders. Hun snode plan: de politie weer gezond maken door sterke figuren van buiten aan te trekken. Rotterdam wordt aangewezen als proeftuin. Immers, dr. Abraham Peper, toch al meer geleerde dan burgemeester, lijkt de aangewezen leider van een dergelijk experiment.
Peper weet er wel raad mee: hij wil de koffiecultuur bij het Rotterdamse korps de nek omdraaien en het vertrek van korpschef Hessing biedt daarvoor alle kansen. De militair Jan Willem Brinkman wordt zijn opvolger. Op 1 oktober 1996 wordt hij in het voor hem vreemde politiepak gehesen: een korpschef nieuwe stijl wordt tot leven gewekt. Een man met een missie: hij krijgt van Peper het codewoord 'ramkoers’ mee voor de strijd tegen de ondernemingsraad. Brinkman geeft een begrijpend knikje. Peper wrijft tevreden in zijn handen en ziet dat het goed is.
Brinkman is een snelle leerling. Koud aangetreden brandt hij het Rotterdamse korps tot de grond toe af: uit zijn mond rollen teksten als 'een geblindeerde auto zonder stuur’, 'integriteitsproblemen’ en 'districten halveren’. Brinkman overlegt niet, hij dicteert. Tot verbijstering van iedereen die het aangaat: de korpsleiding ('hoezo geen sturing?’), de dienders ('hoezo corruptie?’) en de burgemeesters ('hoezo minder districten?’). Zij keren zich massaal van hem af.
'IN EEN VAN DE mooiste huizen ging ik naar binnen; maar ik had nauwelijks een voet over de drempel gezet toen de kinderen begonnen te krijsen en een der vrouwen flauw viel. Sommigen vluchtten, anderen vielen me aan…’
Binnen een paar maanden weet Brinkman zich volledig geïsoleerd. Plaatsvervangend korpschef Ottevanger praat nauwelijks met hem. De districtsmanagers komen regelmatig in conflict met de korpschef. Ondernemingsraad en bonden zeggen het vertrouwen op. Jan Willem Brinkman is een eenzaam mens. Korpsbeheerder Peper slaat het geschrokken gade. Hij probeert nog aan zijn creatie te sleutelen, maar tevergeefs. De tovenaarsleerling is zijn eigen weg gegaan. Het is de schrik van iedere wetenschapper.
Op 2 juni 1997 beleggen de burgemeesters uit de Rijnmond een spoedvergadering in Rotterdam. Zij besluiten een extra man naast Brinkman aan te stellen voor de personele contacten. Peper knikt vergenoegd: zo kan verdere schade worden voorkomen. Maar dan doemt een huiveringwekkende gestalte op - Brinkman maakt onaangekondigd zijn opwachting ten stadhuize. Hij veegt de burgemeesters de mantel uit en zegt geen man naast zich te zullen dulden. De burgemeesters trekken lijkbleek weg.
'Terwijl hij dit zei werd hij bezield door een duivelse razernij; zijn gelaat was vertrokken in trekken die te gruwelijk waren voor mensenogen.’
Drie dagen later zeggen alle burgemeester, inclusief Peper, Brinkman de wacht aan. De reactie van de korpschef is klassiek: hij keert zich tegen zijn Schepper en overlaadt hem met pek.
'Mijn gedaante is een smerige nabootsing van de uwe, des te gruwelijker door de gelijkenis. Satan had zijn metgezellen, mededuivels, die hem bewonderden en bemoedigden; maar ik ben eenzaam en versmaad. Voornamelijk jegens u, omdat gij mij geschapen hebt, zweer ik mijn onblusbare haat. Pas op: ik zal werken aan uw ondergang en niet aflaten totdat ik uw hart in droefheid heb gedompeld, zodat u het uur van uw geboorte zult vervloeken.’
VANAF DAT MOMENT staan Peper en Brinkman als kemphanen tegenover elkaar. De gretig toegestroomde pers laat de pennetjes in razend tempo over de blocnotes gaan. Dit is een ongekend schouwspel, waarbij de acteurs nu eens niet obligate en verhullende teksten declameren, maar elkaar ordinair aanvallen.
Brinkman legt de schuld buiten zichzelf: 'Overal zie ik geluk, waarvan ik onherroepelijk ben uitgesloten. Ik was welwillend en goed; mijn ellende heeft een duivel van mij gemaakt.’
Maar Peper kent geen genade: 'Walgelijk monster! Alle martelingen van de hel zijn nog een te milde wraak voor uw misdaden. Je verwijt mij dat ik je geschapen heb; kom dan, zodat ik het vuur kan doven dat ik zo onachtzaam heb ontstoken!’
Een conflict bij de Rotterdamse politie, begonnen over de rol van de ondernemingsraad, is ontaard in een moddergevecht tussen heren van stand. De rechter komt er zelfs aan te pas, en die stelt Brinkman in het gelijk. De korpschef had niet zonder meer ontslagen mogen worden en hij had het volste recht zich te verzetten tegen kritiek op zijn persoon. De rechter gelast minister Dijkstal een nader onderzoek in te stellen.
Daar eindigt voorlopig dit treurige verhaal, dat vanaf het begin al alles in zich had om slecht af te lopen. De nieuwe Rotterdamse korpschef moest niet zozeer een mens van vlees en bloed zijn, maar een concept, een creatie. De korpschef-nieuwe-stijl moest in z'n eentje de IRT-schande uitwissen. Hij had de onmogelijke opgave de cultuur van het Rotterdamse korps 180 graden te laten draaien: van ouwe-jongens-krentenbrood en veel eigen verantwoordelijkheid naar soberheid en centraal leiderschap. De nieuwe korpschef was daarmee al bij voorbaat, net als het monster van Frankenstein, een gedrocht. Eenmaal tot leven gewekt bleek het wezen niet alleen scherpzinnig en idealistisch, maar ook onbuigzaam en doof. De tragiek was compleet.
HOE HET VERHAAL zal aflopen, is moeilijk te voorspellen. Kijken we nog een keer naar de literaire klassieker, dan valt een finale strijd te verwachten tussen Frankenstein en het monster op de eeuwige ijsvelden in het Noorden. Mooi, denkt Peper, dan ben ik in het voordeel als nuchtere Noordeling.
Aanvankelijk leek Brinkman inderdaad tot de ondergang gedoemd, maar zijn wraakpogingen lijken nu, met de rechter aan zijn zijde, vruchten af te werpen. Het is daarom ook niet ondenkbaar dat Peper, gelijk Frankenstein, uiteindelijk smekend op de knieën zal gaan: 'Dwalende geesten, als u waarlijk dwaalt en niet rust in uw nauwe bed, neem mij mee als metgezel, weg van de vreugden des levens.’