Hoogleraar sociologie, Universiteit van Amsterdam

Jan Willem Duyvendak

Mannelijkheid als probleem

De lijst van urgente sociale problemen in Nederland is lang: criminaliteit, schooluitval, achterstelling van vrouwen, alcohol- en drugsverslaving, dak- en thuisloosheid, homofobie, en ga zo maar door. Opmerkelijk genoeg wordt de onderliggende factor in al deze voorbeelden nauwelijks benoemd: jongens en mannen zijn de grootste veroorzakers van sociale problemen. Mannen zijn de daders en vrouwen (en mannen die als vrouwelijk worden gezien) zijn hun slachtoffers. Mannen creëren sociale problemen - vooral mannen die denken dat ze erg mannelijk moeten zijn (en hoe onzekerder ze over hun mannelijkheid zijn, des te meer problemen ze veroorzaken). Als ‘echte’ mannen mogen ze als hooligans uit hun dak gaan, als corpsballlen tijdens de ontgroening alle grenzen overschrijden, als automobilisten de snelheidslimiet aan hun laars lappen, verdwijnen ze van school als het hen niet bevalt, slaan ze erop als ze niet hun zin krijgen, plegen ze eindeloze reeksen kleine en grote misdrijven, verdienen ze als loverboys hun geld, raken ze verslaafd, gaan ze zwerven, worden ze dakloos, kunnen ze na een scheiding niet voor zichzelf zorgen en leven sociaal geïsoleerd, en ga zo maar door.

De belangrijkste factor bij al deze kwesties is de krampachtige mannelijkheid van mannen. Toen wij onderzoek begonnen naar motieven van daders van antihomoseksueel geweld, had ik nooit verwacht dat de conclusie zou luiden dan opgefokte mannelijkheid de belangrijkste veroorzaker van 'potenrammen’ zou zijn. Maar het was wel zo: de 'onmannelijkheid’ van homoseksuelen was voor door ons geïnterviewde Amsterdamse middelbare scholieren, voetbalhooligans, militairen, Marokkaanse Nederlanders en corpsballen het grote probleem. Voor al deze groepen gold dat homo’s verachtelijk waren omdat zij 'vrouwelijk’ gedrag vertoonden, de grootste zonde die een man kan begaan. Marokkaanse Nederlanders hadden nog de grootste angst om als onmannelijk te worden gezien: als een homo met hen zou flirten (en zij, met andere woorden, in een 'passieve’ positie zouden worden gedrukt), dan mocht je erop slaan. Waarom de bij homo’s veronderstelde vrouwelijkheid dan zo erg was? De genoemde rechtvaardigingen hadden een grootste gemene deler: vrouwelijkheid noch vrouwen staan in de ogen van deze jongens en mannen in veel aanzien. De jongens hadden het erg met zichzelf getroffen en voelden zich ver verheven boven vrouwen én homoseksuelen.

Het probleem van de mannelijkheid is niet te versimpelen tot de Islam, tot lageropgeleiden, of tot de Bible-belt. Het betreft allochtoon en autochtoon, laag- en hoogopgeleid, jong en oud, hetero en zelfs homo. Want niet alleen veel heteroseksuele mannen hebben grote angst voor vrouwelijkheid, ook veel homoseksuelen zijn als de dood om als vrouwelijk ('nicht’) te worden gezien. Het resultaat van al deze dwaze mannelijkheid is niet alleen dat de meeste sociale problemen door mannen worden veroorzaakt, maar ook dat mannen het maatschappelijk steeds slechter gaan doen. Ze zijn nu al gemiddeld lager opgeleid dan vrouwen. Op den duur zullen vrouwen onherroepelijk door resterende glazen plafonds heen breken en de machtige posities, nu veelal nog bekleed door mannen, gaan innemen. En daarmee wordt het probleem van mannen en mannelijkheid alleen maar groter…


Lees ook de artikelen die Jan Willem Duyvendak eerder publiceerde inDe Groene Amsterdammer of bezoek voor meer informatie zijn website.