De onderzoeker

Jan-Willem Romeijn

hoogleraar wetenschapsfilosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen

Medium jan willem romeijn zw

‘Er is tegenwoordig een enorme hang naar exacte kennis. Vaak betekent dat: kwantificeren, vatten in getallen. Dan lijkt het harder, preciezer, wetenschappelijker. Ik ben een groot voorstander van empirische en kwantitatieve wetenschap, maar gegevens spreken nooit voor zich. Je moet altijd blijven speculeren. Als wetenschapper is dat je krachtigste instrument. Je hebt altijd een theorie nodig, een vocabulaire om de wereld te begrijpen. Wat is eigenlijk een depressie, wat is handel, wat is elektriciteit? Daarin moet je keuzes maken. Dat geldt ook voor filosofen, als ze nadenken over wat betrouwbare kennis is. Kennis is niet iets wat buiten ons gegeven is, niet iets wat je kunt pakken.

Wetenschapsfilosofen onderzoeken de conceptuele basis waarop wetenschap bedreven wordt. Op die manier zijn we dienstbaar aan andere wetenschappen. Zelf heb ik eerst natuurkunde gestudeerd. De natuurwetenschappen lijken misschien hard, maar ook daar spelen afspraken een rol. Wat is ruimte? Een reëel fenomeen, maar je hebt wiskunde – een theoretische structuur van afspraken – nodig om ruimte te beschrijven. Dat is objectief, zeker. Maar die afspraken hebben we zelf bedacht.

Als wetenschapsfilosoof kijk ik kritisch naar wetenschappelijke uitspraken. Wij analyseren kennisclaims: we helpen wetenschappers begrijpen wat ze nu eigenlijk beweren. Welke technieken gebruik je, onder welke aannames? Hoe verhouden de data zich tot de theorie? Daar moet je nauwkeurig in zijn. Er wordt met statistiek soms buiten de lijntjes gekleurd. En gegevens kunnen vaak beter geanalyseerd worden met andere technieken. Bijna alle wetenschappers zijn te goeder trouw, maar een politicus kan zo met een hem welgevallig getal aan de haal gaan. Als ik de krant lees, denk ik: waar komen die statistiekjes allemaal vandaan?

Bepaalde onzekerheden kun je met behulp van statistiek goed beschrijven. Wat zijn de kansen aan een roulettetafel? Hoe waarschijnlijk is het gegeven bepaalde testresultaten dat iemand een ziekte heeft? Maar er is ook onbeteugelde onzekerheid. Soms hebben we echt geen idee. Dat wij modellen bouwen, betekent ook dat ze helemaal fout kunnen zijn. Misschien moeten we dan een ander model verzinnen. Neem het model van de calculerende burger, de mens als een rationele nutsmaximalisator, uit op eigen gewin. Als ik mijn buurman vraag: wil je op mijn kind passen?, dan zegt hij ja. Maar als ik hem twintig euro geef, zegt hij nee. Iedereen weet dat het beeld van een wikkende en wegende mens niet helemaal klopt, maar er wordt wel beleid op afgestemd.

Als je zit te priegelen met formuletjes denk je: hoe kan dit interessant zijn? Maar het fascineert me gewoon. We menen van alles te weten, maar wat weten we nu eigenlijk echt? We moeten ook blijven nadenken over wat de wetenschap ons brengt en over hoe we onze kennis kunnen gebruiken. Ik school bijvoorbeeld rechters en officieren van justitie bij in het redeneren met kansen en statistisch bewijsmateriaal. Net als in de wetenschap moet in het recht immers geoordeeld worden over een hypothese: schuldig of onschuldig.

Een ander voorbeeld: momenteel help ik psychiaters bij de puzzel wat een psychiatrische stoornis eigenlijk is. In het DSM-handboek wordt een stoornis als depressie gedefinieerd aan de hand van bepaalde symptomen. Op die manier is de DSM een meetinstrument: je ‘meet’ of iemand depressief is. Maar ben je depressief omdat je aan de kenmerken voldoet, of maken de kenmerken dat je depressief bent? In die zin is depressie een construct. Maar dat wil niet zeggen dat het niet echt bestaat, zoals critici beweren. Vergelijk het met temperatuur: je meet het met een thermometer – een ding waarmee je temperatuur meet. Dat is dezelfde curieuze cirkel, maar niemand beweert dat temperatuur niet bestaat.

De wetenschap is een voortdenderende trein. Er zijn nog maar weinig manieren om een pas op de plaats te maken. Het op publicaties gerichte wetenschapsbeleid zet wetenschappers onder druk om te publiceren. Dat leidt tot specialisatie en zelfherhaling. Filosofen zijn ook aan die druk onderhevig, het is moeilijk om generalistisch te blijven. Ik ben ook een specialist, maar gelukkig in kwesties die in alle wetenschappen aan de orde komen.’


Beeld: Elmer Spaargaren