21 september 1941 – 22 augustus 2012

Jan Wolff

Jan Wolff deed iets wat niemand in 1980 voor mogelijk hield: hij vond een geïnteresseerd publiek voor eigentijdse muziek en creëerde voor hen locaties. Eerst de Amsterdamse IJsbreker, daarna het Muziekgebouw aan ’t IJ.

Het was een paar jaar geleden, een koude winter. De Amstel was bevroren, maar je kon er niet op schaatsen. Ik fietste langs de IJsbreker aan de Amsterdamse Weesperzijde en stopte verbaasd. Op de stoep was een flinke ijsbaan gemaakt waar kleuters op konden krabbelen. Jan Wolff stond erbij te glunderen. Hij legde me uit hoe simpel het was. Een groot stuk plastic, de randen omhoog en dan warm water erin: ‘Beslist wárm water, dan vriest het gelijkmatig op en krijg je een mooi, glad oppervlak.’ Zijn dochtertje, de kinderen uit de buurt en iedereen die het zag hadden er plezier van.

Het is Jan Wolff ten voeten uit. Eigen­gereid, idealistisch, menslievend en praktisch. Hij kon iets scheppen uit het niets en dat heeft hij in Amsterdam veelvuldig en tegen de klippen op gedaan. Eerst een kleine concertzaal annex dansstudio in de IJsbreker, met en passant ook nog eens het gezelligste café van Amsterdam. Toen dat te klein werd een zeldzaam mooi modern gebouw: het Muziekgebouw aan ’t IJ (alleen de naam is niet zo gelukkig), een glazen gebouw met uitzicht op het water en een terras waar je de schepen langs ziet varen en ’s avonds de zon onder ziet gaan.

Water en schepen zijn belangrijk voor hem, maar muziek en gezelligheid nog meer. Zijn vader was een muzikant die optrad in circussen en revues, een onzeker en armoedig leven. Later hadden zijn ouders een groot artiestenpension, waar Jan als dromerig kind opgroeide tussen acrobaten, stripteaseuses en muzikanten. Vader wilde niet dat Jan amusementsmuziek ging spelen. Hij zag hem het liefst in een symfonieorkest: ‘Dan speel je in rokkostuum en ben je voor je leven onder de pannen.’ Jan kreeg een prachtige hoorn, mocht met twaalf jaar al naar het conservatorium en werd toen hij zestien was direct aangenomen in het Operaorkest. Hij schnabbelde intussen bij in het Concertgebouworkest, maar een heel geregeld leven werd het toch niet.

Hij was nog geen dertig jaar toen musici en componisten in opstand kwamen tegen het gezapige muziekleven en eigen ensembles gingen stichten, zoals het Nederlands Blazers Ensemble, het Willem Breuker Collectief en De Volharding. Jan Wolff was altijd van de partij, hij was een van de weinige hoornisten die klassieke muziek én jazz speelden. Hij maakte ook de problemen mee: het eeuwige geldgebrek en nog belangrijker: het gebrek aan behoorlijke ruimte om eigentijdse muziek te kunnen repeteren en uitvoeren.

Daar kwam iets bij, vertelde hij Aafke Steenhuis en mij in 1981 in een lang interview voor De Groene Amsterdammer. Je kunt als hoornist tot je vijftigste mee, daarna begint het af te lopen. Vooruitziend begon hij al tien jaar eerder een andere carrière. Hij wist de beschikking te krijgen over een verwaarloosd leegstaand gebouw waar al jaren ruzie over werd gemaakt: de IJsbreker aan de Weesperzijde. Hij wachtte niet op de overheid, maar begon, midden in de puinhoop, samen met zijn toenmalige vrouw Maureen Kramer tegelijk een balletstudio, een café en een zaal voor eigentijdse muziek. Daar was toen nauwelijks iemand naartoe te krijgen, maar Jan Wolff geloofde erin. Volgens hem hing er om moderne muziek ten onrechte vaak een rare sfeer, alsof het ‘een beetje muf’ zou zijn: ‘Mensen willen best naar rare muziek luisteren die ze niet snappen, als het maar uit die bedompte sfeer gehaald wordt.’

Hij haalde het publiek met alle mogelijke middelen binnen: gratis lunchconcerten, speciale manifestaties, festivals, concerten op boten. Het was zo’n succes dat het zaaltje na tien jaar te klein begon te worden en Jan Wolff naar een grotere behuizing ging uitkijken. Hij stootte overal met zijn neus tegen muren. Felix Meritis haalde z’n neus op voor die lawaaiige moderne muziek. Stadsdeel West traineerde een mogelijke vestiging bij de Westergasfabriek, tot hij er genoeg van had en plannen ging maken voor een nieuw gebouw op een onmogelijke plaats, aan de vergeten IJ-oever. De gemeente Amsterdam wilde die oever nieuw leven inblazen en het wonder geschiedde. Het gebouw staat er, een onwaarschijnlijk in elkaar geschoven combinatie van het nieuwe Bimhuis voor jazz en een prachtige houten kamermuziekzaal, ook geschikt voor toneel en muziektheater, een wonder van akoestiek en schoonheid. Plus een – voor toen – voortreffelijk restaurant en vanuit de foyer een geweldig uitzicht over het water.

Toch begonnen onmiddellijk de moeilijk­heden: niet voldoende geld voor exploitatie en programmering, een onverschillige wethoudster, bezuinigingen op muziekensembles. Wolff werd gedwongen af te treden als directeur en werd zo behandeld dat hij zich jarenlang niet meer welkom voelde in zijn eigen gebouw.

Tien jaar geleden werd hij ziek, kanker, zijn twee nieren moest hij missen. Maar hij reageerde even open, actief en vrolijk op zijn ziekte als op alles in zijn leven. Hij dialiseerde overal: op vakantie in Griekenland, in Zuid-Amerika, gewoon thuis aan de Weesperzijde. Hij ging zelfs skiën, maar net één stap te veel. Hij brak zijn been en moest op den duur een voet missen. Maar ook met krukken bleef hij de vriendelijke grote reus die hij altijd was geweest en was het een genot om met hem te praten over zijn leven, de muziek, over dirigenten die volgens hem volkomen worden overschat: ‘Zo’n orkest speelt toch wel, die dirigent staat meer te zwaaien voor het publiek dan voor de orkest­leden.’ Hij wilde daar nog een boek over schrijven, met zijn herinneringen. Een ander boek kwam nog net klaar, dankzij drukkerij Buitenkant: een vernieuwde uitgave van het boek van Geert Mak (zijn eersteling!) over de lange geschiedenis van de IJsbreker, nu uitgebreid met Jan Wolffs eigen heldenrol. Want wat zullen we hem missen. Wat zal elke Amsterdammer die van zijn stad houdt hem missen.


Geert Mak, De Ysbreeker: De merkwaardige geschiedenis van zestien meter aan de Amstel, € 16,50, uitg. De Ysbreeker, Weesperzijde 23, Amsterdam