Beeldende kunst

Jan Wolkers’ schapenkeutels

De hele bovenverdieping is gevuld en beneden hangen een paar etsen die je kunt kopen. Daarmee is er niet veel plek meer over in het museum. Als het aan Jan Wolkers had gelegen, had hij een nieuwe ruimte laten bouwen. In het met licht overgoten Cobramuseum in Amstelveen is voor het eerst een overzichtstentoonstelling te zien van het werk van Wolkers, met tekeningen, schilderijen en beelden van begin tot nu. Het laatste werk is twee maanden geleden afgerond en verspreidt nog de volle geur van terpentijn en olieverf.
Op de opening van de tentoonstelling heeft Wolkers zijn leesbril vergeten. Hij zet die van Karina op, zijn vrouw. ‘Maak ik nu een feminiene indruk?’ vraagt hij, gekleed in het vertrouwde tenue van een Amerikaans jackie. De vraag is tekenend voor de manier waarop Wolkers met kunst omgaat: verrassend, open, verwonderd en geestig. Over kunst moet je niet te serieus doen. Dat is ook de reden waarom veel van zijn werken alleen een nummer hebben: Wolkers wil het publiek geen voorstelling opdringen. Een bloeiende prunus of een intense zonsondergang moet niet door het bordje dat bij het schilderij hangt voelbaar worden, maar de sensatie zonder enige hulp waarmaken.
Zoals iedere kunstenaar begon Wolkers met stillevens en figuratieve tekeningen. De schilderafdeling van De Academie in Den Haag zat in oorlogstijd vol. Dus begon hij er op de afdeling plastische kunsten maar geestdriftig op los te beeldhouwen tijdens zijn halve Academie-tijd (van een volledige opleiding kon je toen niet spreken, het enige diploma dat Wolkers ooit heeft gehaald is zijn typediploma). Van oorsprong is Wolkers dus een beeldhouwer. Daarom zal er geen schapenkeutel van de kunstwerken vallen, geen koeienstront vanaf glijden en zitten ook de architectonische vormen allemaal even vastgenageld aan het doek. Als beeldhouwer is hem de driedimensionale vorm van zijn kunstwerken dierbaar. Praat hij over zijn nieuwste doeken vol hallucinerend dwarrelende, kleine streepjes en stipjes in romantische kleurschakeringen van blauw-groenen of roze-paarsen, dan legt hij zijn hand op het doek. Dat moet kietelen, want alle kleine penseel streken eindigen in de vol zorg gestileerde punt van een miniaturen hanenkam.
Wolkers trok altijd zijn eigen lijn, het werk als schrijver gaf hem de broodnodige financiële ruimte om te doen wat hij wilde. Zo probeerde hij diverse dingen uit. In de jaren zestig verdeelde hij architectonische vlakken op hardboard, liet er hoekige sculpturen uit verrijzen met het reliëf van een flipperkast of moderne totempaal. Hij begon te werken met ijzerafval en steengruis, laste van brons en messing bouwwerken tot het formaat van een doek, plakte platen lood aan elkaar, mengde stront met goudlak.
Uit 1970 stamt een formidabel werk. Van anderhalve meter afstand lijkt het een dik, donker schaapswollen tapijtje door een brede rand lood omlijst tot een vierkant. Wie dichterbij gaat staan ruikt nog niets, maar kan het al wel vermoeden: de dikke ongepelde hazelnoten zijn schapenkeutels die door de veelvoud van hun eenvoudige vorm een eigen geometrie hebben gevonden. Wolkers zag een paar van die keutels in het gras liggen en verwonderde zich over de vorm. Hij had er een schaapje van kunnen knutselen, maar maakte er een nog steeds eigentijds aandoend werk van dat volgens de principes van de hedendaagse binnenhuisarchitectuur draait om eenvoud en herhaling. Ook bij hem.
Een nieuwe periode brak aan toen Wolkers in Manhattan in 1987 een buffalo wind meemaakte: een ijzige storm die gespiegeld werd in de hoge glazen gebouwen. Zijn schilderijen werden lichtgevende wervelingen in harmonieuze kleuren vol frisse tinten en kregen overweldigende vormen (soms wel twee bij twee meter of zelfs drie bij zes), verdeeld in panelen. Hoewel de kleuren overal gelijkmatig zijn verdeeld, kleur na kleur, laag na laag, springt en dwarrelt ieder doek alle kanten op. De gedetailleerde foto’s van Peter Mookhoek in de bijzonder fraaie catalogus laten precies zien hoe dat werkt, maar met een driedimensionale schilder kan het niet anders of je moet zijn werk in het echt zíen.
Op de tentoonstelling staat een aantal glazen minisculpturen, bescheiden afspiegelingen van de beelden uit de werkelijkheid. Helaas is in de catalogus noch op de tentoonstelling iets te zien van het monument voor de Tachtigers, een uit roestvrijstalen buizen opgetrokken dubbele vlam die tussen lisdotten in het Oosterpark van Amsterdam staat. Het is een eenvoudige, supersterke ode aan Herman Gorter, over wie Hendrik Marsman ooit dichtte: ‘Hij was van vuur, een golf, een vlam, een stromend stuk natuur.’
In de catalogus zijn de beelden met glas opgenomen, zoals het bekende Auschwitz-monument (1993), het Den Uyl-monument bestaande uit een zilverkleurige tulpenbol met rood hart in Zaanstad (1990) en twee sculpturen uit 2001: het Euromonument vol verscheurde tien-guldenbiljetten voor de Nederlandse Bank en een roestvrijstalen hoekige zuil in IJsselstein met een raam bovenin waarachter gebroken glasbrokken, wat oud en nieuw in zich verenigt.
Glas heeft Wolkers altijd gefascineerd. Het is een zuivere materie die door de lichtinval van iedere kant een andere betekenis krijgt. Glas is als versteend water dat door de zon altijd in beweging blijft. Geen wonder dat de catalogus met dat prachtige brok glas op een houten pilaar in de tuin van Wolkers begint: het kan nog alle kanten op met zijn werk, maar het is aan de kijker om het te vervolmaken.

Erna Staal, Paul Steenhuis, Murk Salverda en Peter Mookhoek
Jan Wolkers: Schilderijen, tekeningen, beelden
Uitg. Waanders, € 37,50
Tentoonstelling tot 7 juli, Cobramuseum Amstelveen