Hoogleraar fundamentele rechten, Radboud Universiteit Nijmegen

Janneke Gerards

De meest dringende maatschappelijke kwestie van dit moment betreft het gezag en de legitimiteit van de rechterlijke macht. De afgelopen jaren zijn steeds meer ingewikkelde maatschappelijke en politieke vraagstukken doorgeschoven naar de rechter. Waar liggen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting? Betekent godsdienstvrijheid dat een arts mag weigeren een vrouw een hand te geven? Hoe ver mag de wetenschap gaan in het doen van gentechnisch onderzoek op foetussen? Waar moet de balans worden gevonden tussen terrorismebestrijding en het recht op privacy? In ons staatsrechtelijk bestel ligt het voor de hand dat een antwoord op dit soort vragen wordt gegeven door de wetgever. Die is immers democratisch gelegitimeerd en heeft ook de middelen om politieke afwegingen te maken. Toch gebeurt dit maar zelden. Tegenwoordig moet eerst de rechter een aanzet doen voor een oplossing. Pas als hij de hete kastanjes uit het vuur heeft gehaald, komt de wetgever in actie. Op die manier was het de rechter die aanvankelijk antwoord gaf op de vraag of en wanneer euthanasie is toegestaan, en is het bijvoorbeeld het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat richting geeft aan de Nederlandse discussie over vrijheid van meningsuiting en de rechten van vreemdelingen.

Voor de rechter betekent dit dat hij steeds vaker een balans moet zien te vinden tussen botsende fundamentele rechten en dat hij steeds vaker uitspraak moet doen in sterk politiek getinte kwesties. Dat is in die zin problematisch, dat deze ontwikkeling gepaard gaat aan een neiging om het niet eens te willen zijn met de uitspraken die de rechter doet. Voortdurend treffen we negatieve berichten aan in de media en op internet over uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens of van de rechter. Dat geldt al helemaal als die uitspraken moeilijk te verenigen zijn met bepaalde politieke opvattingen. Rechterlijke uitspraken zijn een politieke speelbal geworden, waarbij de rechter het in de ogen van politici zelden goed doet. Een risico is bovendien dat rechterlijke uitspraken in politiek getinte kwesties al snel zelf ‘politiek’ van aard worden, waardoor de neutraliteit en objectiviteit die gewoonlijk vertrouwen in de rechterlijke macht inboezemt, verloren kunnen lijken te raken. Voor het gezag van de rechterlijke macht is dat een probleem, want de rechter kan zich (anders dan in zijn uitspraken) moeilijk tegen kritiek verweren. In dat licht is het zowel illustratief als uiterst problematisch dat in de laatste maanden ook de positie van de rechter zelf onder vuur is komen te liggen. Er wordt voortdurend gesproken en geschreven over problemen van partijdigheid, over politieke rechtspraak en, waar het gaat om Europese rechtspraak, over problematische inbreuken op nationale soevereiniteit.

Daarmee is de situatie ontstaan dat enerzijds veel politieke kwesties worden doorgeschoven naar de rechterlijke macht, terwijl anderzijds openlijk wordt getwijfeld aan het gezag van de rechterlijke macht om dit soort kwesties te beslechten. Dat plaatst rechters voor een bijna onoplosbaar probleem en zorgt voor een afkalvend vertrouwen in de legitimiteit van rechtspraak. Dat is des te erger nu het vertrouwen in de capaciteit van het politieke systeem om maatschappelijke problemen op te lossen ook al niet groot was. Langzaamaan lijken er weinig instituties over te blijven waarin wij wel nog vertrouwen hebben en die op gezaghebbende wijze onze grote dilemma’s kunnen beslechten. Daarmee is een wezenlijke wetenschappelijke en maatschappelijke vraag gegeven - hoe zorgen we ervoor dat het vertrouwen in de rechterlijke macht behouden blijft?

Een exponent van al die politieke kwesties die bij de rechter terecht komen, zijn de vele rechtszaken over heel specifieke en bijzondere religieuze uitingen. In het afgelopen jaar zijn felle procedures gevoerd over een politieke partij die vrouwen niet op verkiesbare posities wil zetten, over streng religieuze scholen die misschien geen homoseksuele docenten willen aantrekken, over het niet opstaan voor de rechter, enzovoort. Wetenschappers hebben honderden pagina’s volgeschreven over die zaken, de media hebben er uitgebreid over bericht, er zijn vele Kamervragen gesteld en beantwoord. Natuurlijk: principieel gezien zijn dit interessante en belangrijke kwesties. Tegelijkertijd betreft het een overschat probleem, dat door al die aandacht groter wordt gemaakt dan het feitelijk is. Uiteindelijk heeft de SGP maar een beperkte aanhang, is het aantal christelijke scholen dat op religieuze gronden docenten en leerlingen selecteert maar klein, en zijn er weinig mensen die werkelijk weigeren op te staan voor een rechter of die weigeren iemand anders de hand te schudden. Het zou veel beter zijn om de energie die in dit soort debatten en procedures wordt gestoken, te richten op een actieve aanpak van de onderliggende verschijnselen: botsende belangen, intolerantie en een grote wens tot assimilatie van alles wat vreemd is. Juist die verschijnselen dragen bij aan een vorm van polarisatie die uitsluiting in de hand werkt en die onze samenleving voor veel mensen geen prettige maakt om in te verkeren - en dat is een probleem dat niet mag worden onderschat.


Bekijk ook de pagina van Janneke Gerards bij de Radboud Universiteit