Jannis Kounellis 23 maart 1936 – 16 februari 2017

Zelf noemde hij zich wel partizaan van Homerus, anderen zagen hem als de Euripides van de kunst. Jannis Kounellis was een uitgesproken Europees kunstenaar.

Twaalf paarden verdeeld over drie wanden, hoofden naar de muur, konten naar het bezoek gekeerd. Jannis Kounellis zou in het tijdschrift van de surrealisten hebben gelezen hoe André Breton het onmogelijke vergeleek met Tataren die hun paarden zouden mogen laten drinken uit de fonteinen van Versailles. En kreeg het idee om die paarden naar Galleria l’Attico te brengen, om echt leven te tonen in een gekunsteld heiligdom. Uit veiligheidsoverwegingen moest men met een boogje achter de paarden langs lopen: deze kunst was zwaar als marmer maar beweeglijk als niet eerder in een galerie vertoond.

Geboren in de havenstad Piraeus vertrok Kounellis als jonge kunstenaar met de boot naar Italië. In Rome vervolgde hij zijn educatie, aan de Accademia di Belle Arti, en had er zijn eerste solotentoonstelling in een galerie waar ook Alberto Burri en Lucio Fontana al te zien waren geweest. Hij hoorde bij de Italianen van de arte povera en ging werken met alledaagse materialen, met steenkool, ijzer, vuur, aarde, jutezakken, goud en wol, met dieren, rook, vlees, gemalen koffie, lood, hout en graan en met objecten als messen, scharen en naaimachines. Het ene materiaal was symbolisch, het andere plat handelswaar. Kunst droeg voor hem de betekenis van het Griekse woord voor schilderij, ‘zografiki’, tekening van het leven. In plaats van schilderdoeken gebruikte hij ook wel metalen panelen met de maat van een bed: al zijn kunstwerken gingen in essentie over de mens en bleven vaak senza titolo, zonder titel.

Kounellis leefde sinds zijn komst in Rome als een Italiaan, sprak de taal en bedreef de politiek. In het jaar van de paardenperformance, 1969, maakte hij ook een metalen paneel met een brandende kaars en in kalk de tekst ‘Liberta O Morte’ en de namen van Marat en Robespierre. Het was ook in 1969 dat hij samen met de Italianen werd uitgenodigd voor ‘Op Losse Schroeven: Situaties en Cryptostructuren’, de legendarische tentoonstelling in het Stedelijk Museum met ‘verandering als vormgevend principe’. Joseph Beuys toonde er kunst met dekens, was en vet, Giovanni Anselmo een sculptuur van graniet, kropsla en ijzerdraad die in beweging zou komen op het moment dat de sla verpieterde.

Kounellis maakte er een installatie met steenkool en plaatste een sculptuur van twee houten balken in een hoek, aan elkaar verbonden door een derde balk omwikkeld met plukken wol. Als de eerste regel van een notenbalk, wellicht, een vorm waar hij enkele jaren later, voor Documenta 5, een schilderij van zou maken. Da inventare sul posto (1971) werd een doek van formaat met, getekend over roze verfstreken, een passage uit Stravinsky’s La Pulcinella. Een violist voor het schilderij speelde de noten, een ballerina danste geïmproviseerde passen, steeds dezelfde, steeds opnieuw.

Steenkool, ijzer, vuur, rook, aarde, jutezakken, lood, dieren, goud, vlees, hout...

Gewicht, zei Kounellis, bepaalde het ritme in zijn kunst, verdeelde een ruimte zoals een schilderij dat niet kon. De zwarte jas bijvoorbeeld, een veel voorkomend motief in zijn werk, hangt daar regelmatig aan een kapstok, haak of mes. De zwarte vormen overgegeven aan de zwaartekracht, lijnen zo ver als mogelijk uitgerekt. Als kadavers bij de slager, zag hij zelf, want het vlees hangt daar altijd precies als een jas.

Maar vaak ook staat gewicht gelijk aan echte zwaarte.

1969 was tot slot het jaar van die andere belangrijke tentoonstelling, When Attitudes Become Form. Kounellis plaatste langs een muur een rij van jutezakken gevuld met bonen en zaden, de randen van het jute omgevouwen als een te lange mouw. Ze vragen iets onverwachts van de toeschouwer, gedachten aan bukken, tillen en sjouwen. Geen wonder dat toen een latere tentoonstelling in het Stedelijk, Via del Mare, ten einde liep, NRC de afbouw daarvan versloeg. Meterslange wanden van staal en gasbranders, die de hal boven aan de trap van suizen en vlammen hadden voorzien, als een klein Piraeus, moesten worden ontmanteld. Platen van honderden kilo’s per stuk, behangen met zakken gevuld met kolen, tot aan het laatste kooltje werden ze in kratten verpakt. De gehuurde papegaai werd terug naar de dierenwinkel gebracht.

Begin jaren tachtig kreeg Kounellis een reizende tentoonstelling die opende in het Van Abbe onder Rudi Fuchs. In een brief aan de kunstenaar, opgenomen in de catalogus, verhaalt Fuchs over Kounellis’ nieuwsgierigheid naar Colombus, zijn idee van het mooist denkbare gesprek met hem aan boord van de Santa Maria op weg naar Amerika. Fuchs refereert aan een gesprek dat ze eens voerden over nomaden, hoe de kunst dakloos was geworden, vluchteling. Dat herkent Fuchs ook bij Kounellis’ kunst. ‘Het wordt gekarakteriseerd door een ongelooflijke afstand: een diepe, donkere ruimte binnenin, als in muziek, of als de immer bewegende zee van wie men niet weet waar ze begint of waar ze eindigt.’ Een decennium later, in 1994, voer Kounellis aan boord van het cargoschip Ionion naar de haven van Piraeus. Hij meerde aan, net als zijn voorouders die daar gewerkt hadden, maar met een tentoonstelling van zijn kunst als lading aan boord.

In 2012 maakte Kounellis in Athene nieuw werk met materiaal dat hij vond op markten en vuilstortplaatsen in de stad. Er waren schoenen, hoeden, jassen en brillen, in het museum omringd door jutezakken, en afgietsels die leken op antieke beelden op een hoop. Ze verbonden zijn eigen geschiedenis met de staat van het land. Kounellis was een uitgesproken Europees kunstenaar, een die verwantschap voelde met de groten, met Van Gogh, Rimbaud, Masaccio en Caravaggio, een migrant die zijn land verliet om die lijn te kunnen volgen. Zelf noemde hij zich eens partizaan van Homerus, anderen zagen hem wel als de Euripides van de kunst. Kounellis overleed in Rome, een man met een volle snor en drukke handgebaren als hij sprak.