Jantje zag eens eieren hangen

POEZIE IS kinderspel, dichtte Lucebert ooit. Van Paul van Ostaijen kennen we onder andere het beroemde ‘Marc groet ’s morgens de dingen’ en sommigen kennen misschien zijn opvatting dat het er in poëzie om gaat de dingen zo te zien ‘als was het voor de eerste maal’. Voor een kunstenaar is niets zo erg als het gevoel niet meer aan het begin te staan, schreef Cesare Pavese ooit in zijn dagboek, en Walt Whitman vroeg in het lange gedicht ‘Salut au monde’ aan zichzelf: ‘Wat hoor je Walt Whitman?’, ‘Wat zie je Walt Whitman?’, een gedicht dat begint met de woorden: ‘Pak mijn hand Walt Whitman’ en waarin de dichter zichzelf dan ook mee uit wandelen neemt. K. Schippers schreef dat als je goed om je heen kijkt, je ziet dat alles gekleurd is, en Arjen Duinker schreef ooit een gedicht over een klimop die ‘oh zo groen’ was, en er stonden zoveel uitroeptekens in dat gedichtje dat je wel moest concluderen dat het hem blijkbaar hogelijk verbaasde en al evenzeer verrukte. Allemaal volwassen kerels, dit, en allemaal verbijsterd over wat zo voor de hand lijkt te liggen.

En toch, misschien is juist die verbijstering wel de reden waarom poëzie door de meeste mensen zo moeilijk en ingewikkeld wordt gevonden: zij houdt zich niet aan de abstracta waarbij we in het alledaagse leven als vanzelfsprekend bestaan. De maan zal wel een symbool zijn, zo denkt men vaak, maar de dichter is verbluft wanneer hij zich realiseert dat de maan werkelijk alleen een klomp gesteente is die in het niets hangt, iets schrikwekkends en concreets juist, iets dat maakt dat je bijna zou wensen dat je de maan als een symbool zou kúnnen zien, of dat dat gevaarte een vriendelijk gezicht heeft en naar ons knipoogt voor we rustig slapen gaan.
DICHTERS MAKEN de dingen los van de plaats die ze binnen een bepaalde, altijd abstracte, altijd bedachte en toevallige voorstelling van de werkelijkheid innemen, los ook van het belang dat binnen die voorstelling aan die dingen wordt gegeven. Alles is even belangrijk. Ze maken van de dingen weer dingen; ze schrijven niet ‘mes’ en vertrouwen erop dat u wel weet wat ze bedoelen, maar ze laten u in een mes lopen zodat u aan den lijve ervaart waarmee u zo vanzelfsprekend uw appeltje staat te schillen. Dichters zíjn wat dat betreft inderdaad net kinderen. Ze branden zich aan kachels en snijden zich aan messen. Niet alle dichters, alleen goede dichters.
Goede dichters schrijven gedichten die je ook moeiteloos aan kinderen zou kunnen voorleggen; die gedichten onderscheiden zich niet van wat al sinds jaar en dag 'jeugdpoëzie’ heet. Ik heb me wel eens afgevraagd waarom Rode oever van Duinker nooit een Gouden Griffel kreeg, maar ook waarom de als jeugddichter bekendstaande Ted van Lieshout niet de Gorterprijs won voor Mijn botjes zijn bekleed met deftig vel. Misschien omdat jeugdpoëzie nog steeds wordt geïdentificeerd met poëzie op de hurken, en die bestaat natuurlijk óók. Versjes á la Van Alphen, met zijn moralistische 'Jantje zag eens pruimen hangen o als eieren zo groot’. Maar de goede jeugdpoëzie is allang een andere weg ingeslagen en de huidige jeugddichter zou een gedicht als dat van Van Alphen misschien wel beginnen met de woorden: 'Jantje zag eens eieren hangen’. En in welk een verbazingwekkende wereld stap je dan ineens binnen!
Natuurlijk zijn dit allemaal overwegingen van een volwassene. Misschien wil een kind juist heel graag op de hurken toegesproken worden, wil het de abstracte verbanden, de hiërarchieën in de wereld van de volwassenen leren kennen, erbij horen, zo snel mogelijk, en geen 'fouten’ maken, niet kinderachtig zijn. Jantje zag eens eieren hangen - belachelijk! Dat kan helemaal niet! Laten die volwassenen eens ophouden met hun verbazing. Misschien is wat ik goede jeugdpoëzie noem wel vooral voor volwassenen geschreven.
HET IS IN ieder geval met die instelling dat ik de jeugdbundels De wiedeweerga van Elma van Haren en Hee meneer Eland van Eva Gerlach las: met de houding van een volwassene die niet het gevoel wil hebben dat er iemand op zijn hurken zit, maar die in en door deze gedichten zelf weer kind wordt. Bij veel van de gedichten uit De wiedeweerga lukt me dat half. 'Komt het door hun oranjerood met stippen,/ dat het lieveheersbeestje de liefste der insecten is,/ of komt het door zijn naam?// Vond de eerste die het zag,/ het meteen zo lief, dat hij het/ in zijn handen nam en zei, jij brengt geluk?// of/ ik leef net zoveel tiental jaren/ als je stippen// of/ bij even stip vind ik een bruid,/ bij oneven een buidel geld’, zo heet het in een gedicht. Ik had gewild dat het hier ophield, maar Van Haren schrijft door en ik krijg nog vijf strofen over de duizenden dode lieveheersbeestjes die de ik uit het gedicht op een boulevard aan zee heeft gezien, met een regel als: 'Ik denk, ze wilden sterven met de ogen naar de zee.’ En ík krijg daarbij het gevoel dat hier een volwassene te veel aan het interpreteren is geslagen, op de hurken zit en een troostende arm rond mijn schouder legt - wat misschien ook wel moet, ik weet het niet, maar duizenden dode oranjerode lieveheersbeestjes aan het strand is misschien ook wel gewoon op een afschuwelijke manier heel erg mooi, en ze knappen lekker onder je voeten (in plaats van: 'hoe voorzichtig ik ook liep/ ik voelde ze onder mijn voeten knappen’, zoals er nu met alle compassie staat).
Maar dat komt omdat ik niet getroost wil worden, denk ik, en tegen een kind zou ik ook zeggen wat Van Haren hier schrijft. Maar in vrijwel alle gedichten wordt de teleurstelling vermeden. Het heeft allemaal iets liefs en geruststellends, wat desalniettemin soms prachtige regels oplevert. Gerlach is in haar bundel wat 'wreder’. 'Over waarheid kan ik dit zeggen’, schrijft ze, 'Het is niet zo dat zij in orde is./ Vreselijke waarheden zijn er, die beter/ onontdekt kunnen blijven’ - bijvoorbeeld dat als je je diep snijdt er binnenin je een spierwit bot zit 'dat er altijd was’. Daar kun je het beter maar niet over hebben, maar het gedicht legt dit bot wél bloot. In 'Lied’ gaat een kind met vader en een dame lopen in de nacht. 'Mijn moeder was het niet’, zegt het, die heeft groot verdriet, en de vader danst met die dame, die 'blinkend als een nieuw scherp mes’ is. Ook hier snijdt het en heb ik de illusie dat ik op een kinderlijke manier begrijp dat er een scheiding wordt beschreven. Het feit dat scheiding heet, wordt in een negenregelig gedichtje tot ervaring gemaakt, en het doet pijn.
Maar misschien moeten kinderen eerst volwassen worden om weer kind te willen zijn, geniet een ouder bij het voorlezen zelf het meest van Gerlach, slaapt het kind bij Van Haren rustig in, met mooie beelden, onder een knipogende maan.