Japan is geen rariteitenkabinet

Walter van der Kooi ziet veel meer dan hij in zijn wekelijkse kroniek kan bespreken. Deze week: Tokidoki, van Paulien Cornelisse en Jelle Brandt Corstius.

Japans is, zeg maar, echt haar ding, en daaraan danken we een nieuwe VPRO-reisserie van Paulien Cornelisse. Wie, als ik, geen echte PC-fan is, doet zichzelf al gauw te kort door niet te kijken naar Tokidoki, een titel die lollig overkomt, zelfs als je hoort dat het haar lievelingswoord is en ‘soms’ betekent. De opening baart zorgen. Ze doet mee aan een shintoïstisch ritueel: het reinigen van de ziel onder een felle waterval van vijftien graden. We zien mannen in een witte luier en met dito bandana om het hoofd de proef ondergaan. Ze kijkt moeilijk, vanwege dreigende pijn en kou, maar waarschijnlijk ook vanwege die outfit. Zij mag gelukkig decent gekleed. Onder het watergeweld houdt ze het kort uit en ze vergeet, happend naar adem, de voorgeschreven spreuk te zeggen. Of haar ziel nu voldoende gereinigd is, is de vraag, maar daar hoeven we niet mee te zitten want ze heeft ons tevoren al meegedeeld dat ze geen shintoïst is, sterker ‘héél onspiritueel’. Wat de scène net iets te veel geeft van presentatoren die uitdagingen aangaan. Alsof je je als atheïst op Goede Vrijdag op de Filipijnen laat geselen – bij wijze van spreken dan.

Maar ze heeft een fundamenteler verklaring: twintig jaar geleden ging ze naar Japan, van kindsbeen af geïntrigeerd door die cultuur, mede dankzij een Utamaro-prent in het ouderlijk huis (roerend). Ze hoopte toen de Japanners te begrijpen door hun taal te leren. Quod non. In deze nieuwe poging probeert ze hetzelfde maar nu door met hun praktijken mee te doen. Nou, toe dan maar. Maar het is toch meer stoer dan sjiek om, na boomknuffelen, te zeggen dat het niet gek is dat de priester gelooft dat er in de boom een god huist, omdat hij daarvoor wordt betaald. Gek is pas, vindt ze, dat legio nuchtere Japanners in natuurgoden geloven. Vind ik ook gek – maar de redenering dat alle geestelijken aller geloven louter geloven vanwege de kassa – honderden miljoenen zo misleidend – vind ik ook gek. Een te platte redenering waarmee ook het marxisme religie vergeefs te lijf ging.

Ik mag dan even mopperen, er zitten juwelen van scènes, gebruiken, mensen in, gerangschikt rond een woord, een begrip, de taal. Aflevering één was getiteld ‘yugen’. Of, om een fraaie Cornelisse-definitie aan te halen: ‘Je kunt dingen ervaren die je niet in woorden kunt vatten, en daar hebben ze dan een woord voor: “yugen”.’ Al formuleert ze het ook specifieker: ‘een gevoel van eenheid met het universum als je in je eentje in de natuur bent, op een mistige berg’. Natuur is de sleutel in ‘yugen’ en in de hele aflevering, van waterval tot bezielde boom. De kern: natuur staat hoog aangeschreven in wereldbeeld, religie, ritueel, maar verreweg de meeste Japanners wonen hutjemutje in gigantische steden en ervaren natuur zelden aan den lijve. En, zo wel, dan vaak georganiseerd. Zoals in ‘bosbaden’, door de gemeente gesubsidieerde hangmatten in het bos, waar de hoge werkstress bestreden wordt. Of bij het massaal bezoeken van park of bos in de bloeitijd van de kersenboom.

Hoe diep die ervaring gaat, verschilt: de groep bejaarden die Paulien onder de bloeiende boom treft heeft beduidend meer oog voor hun bingo dan voor tere bloemblaadjes. Er wordt wat heen en weer gegrapt (Cornelisse mag relativerend over haar taalbeheersing zijn en ze lijkt inderdaad geen grootmeester als Terlou in China, ze verstaat goed en wordt goed verstaan) tot ze vraagt of de bloesem symbool van vergankelijkheid is en welk gevoel dat dan oproept (bejaard als jullie zijn, hoor ik er onuitgesproken achteraan). ‘Wat een moeilijke vraag’, antwoordt een man, not amused, ‘Japanners denken niet over zulke dingen na.’ Mij lijkt dat stug. Ik interpreteer zijn antwoord: ‘Zulke vragen stel je niet, recht voor zijn raap, en dat aan vreemden’. Maar wat weet ik ervan? Als ik gelijk heb is dit de geestelijke variant van het fysieke verschijnsel dat westerlingen, ook Paulien, op Japanners moeten overkomen als Gullivers. En ja, reuzen vertrappen wel eens wat.

Waarlijk ontroerend is een passage waarin ze meegaat met een groepje liefhebbers van mos. Betrekkelijk jonge mensen die elkaar gevonden hebben in die nederige vorm van begroeiing, die niet alleen in bossen, maar ook tussen stoeptegels en bij putdeksels groeit in eindeloos veel variëteiten. Ze ondernemen expedities en Paulien, die zelf mosvriend is, mag mee. Eindeloos kunnen hun tochten duren, eindeloos kunnen ze praten over mos, tot ze na zes uur mossen hun trein moeten halen. Maximaal hun aandacht en bewondering voor het kleinste reepje ervan. Een vrouw vertelt hoe ze steeds meer twijfel kreeg over haar werk (de druk daar immers gigantisch). Maar haar oog viel een keer op mos. Dat maakte blij. Ze leerde er door relativeren en zelfs, letterlijk, los te laten: ze zegde haar baan op. Geen teken uit de hemel maar van het mos. ‘Welk mos?’ vraagt de man in het gezelschap. ‘Zilvermos’. ‘Dacht ik het niet’, zegt hij stralend ’opaatje zilvermos’. Hij zou het liefst in mos willen wonen, dat hij immers met de loupe veel groter ziet, en vindt de mens ondergeschikt aan mos dat immers al veel langer bestaat. En zen geeft. Ik begon meer van Murakami te begrijpen.

We belanden, heel wat minder vrolijk, bij Fukushima, waar de natuur door tsunami en kernreactoren op gruwelijke wijze ‘bezield’ is geraakt. In een dorp woont bejaarde meneer Okubo, die nergens anders heen kan en wil. En die (besmette) bloemen kweekt om toch te kunnen genieten, nadat hij de meest vergiftigde grond verplaatst en ondergespit heeft. Zijn even bejaarde, prettig gestoorde buurvrouw komt wat narcissen halen. Je houdt je hart vast en Paulien ook: dit lijkt geen ongevaarlijk bezoekje, al wordt dat niet uitgesproken. Binnenkort krijgt meneer zelfs geen post meer: de overheid heeft de adressen opgeheven, maar zou eindelijk eens moeten dokken voor al die verloren gegane stukken land. Er liggen gigantische pakketten ingepakte stralingsgrond die over tienduizend jaar nog gevaarlijk is. Wat zal langer bestaan, klinkt de vraag: het afval of Japan?

De aflevering van komende zondag heet ‘Otenba’ (term die uitsluitend voor meisjes wordt gebruikt en iets als onstuimig, opstandig betekent) en gaat over ‘de Japanse vrouw nu’. Tussen traditie en moderniteit, zullen we maar zeggen. Die traditie is helder: de belangrijkste god in het shintoïsme mag dan godin zijn, de belangrijkste taak van de vrouw is ‘dienend in de wereld staan’, om met psycholoog Buytendijk in 1951 te spreken (en die behoorde toen al tot de roomse conservatieven). Dat lukt een vrouw die in een toeristisch dorpje vanwege haar kimono van straat geplukt wordt uitstekend. Haar begeleidende moeder of schoonmoeder heeft 42 jaar de trommel met bewerkelijke lunch voor haar man gevuld (zodra een meisje een goede Japanse omelet kan bereiden is ze aan trouwen toe, gold lang) en nu staat zijzelf dagelijks om vier uur op om hetzelfde voor haar man te doen. (Vijf uur zou ook kunnen, maar ze wil graag een uur voor zichzelf.) Voor haar man is dat vanzelfsprekend en ze hoeft er niet voor geprezen maar een bedankje af en toe zou aardig zijn. Tegenpool is een groepje vrouwen dat in verzet komt tegen de patriarchale structuur. Om beurten gooien ze een tafeltje om onder het uitroepen van een eigen protesttekst tegen mannelijke overheersing. Je ziet dat het de meesten moeite kost, zowel de handeling als het uitspreken, omdat het zo indruist tegen wat hen geleerd en van hen verwacht wordt of werd. Maar applaus, gelach en geaai zijn hun deel.

Cornelisse waant zich in een Hollandse vrouwengroep van decennia geleden, maar alles op zijn tijd en plaats en deze oude man raakte ronduit geroerd door een vrouw die voor het eerst meedeed en jarenlang, zelfs tegen haar ook aanwezige vriendin, gezwegen had: een vrouwenstem telt niet. Ze sprak zich hier zowaar uit, gooide het tafeltje om en riep. Zij en wij ervoeren een gigantische doorbraak. Daarvoor had ze wel eerst moeten scheiden. Een deel van de vrouwen komt soms bij elkaar om gezellig porno te kijken. De bevrijdende confidenties zijn niet van de lucht. Dat de man van Cornelisse tijdens haar Japanreis hun zoontje verzorgt en ze überhaupt de zorg 50-50 doen ontlokt de vrouwen jubelende en tegelijk jaloerse uitroepen.

We zien nog komedietoneel door vrouwen (hun rollen werden voorheen door mannen gespeeld); maar ook de cultus van meisjes die zich als pop of anime kleden en opmaken (als jongerencultuur en verzet begonnen, maar weinig emancipatoir); en een cursus ‘bewegen in kimono’ (behoorlijk beperkend). Steeds meer vrouwen gaan werken, dat dan weer wel, maar in de metro kunnen ze het best het vrouwenrijtuig nemen om niet betast te worden. ‘Laten ze eerst die mannen eens opvoeden’, zegt Paulien. Gelijk heeft ze, maar ze spreekt ‘ein grosses Wort gelassen aus’.

Japan is geen rariteitenkabinet, zegt ze in de inleiding van elke aflevering: ‘Japanners zijn juist heel gewoon’. Toch zien we juist veel voor ons vreemde zaken. Omdat land en cultuur echt anders zijn en omdat we ‘het andere’ interessanter vinden om te zien.


Paulien Cornelisse (presentatie), Jelle Brandt Corstius (regie), Tokidoki, vier delen vanaf zondag 16 september, NPO 2, 20.15 uur