Max Dendermonde, Op reportage

Jaren met maar één gebeurtenis

Max Dendermonde

Op reportage: Journalistieke hoogtepunten uit de jaren vijftig

Uitg. De Prom, 317 blz., € 20,-

De uitgave in boekvorm van de reportages die Max Dendermonde tussen 1950 en 1959 schreef, is briljant gepland. Nu de helft van Nederland niets liever lijkt te willen dan per tijdmachine terug te flitsen naar de jaren vijftig maken de stukken die Dendermonde in dat decennium schreef voor De Groene Amsterdammer en Het Parool het mogelijk een kijkje te nemen in het propere, blanke, nette, saaie, spanningsloze Nederland van die tijd.

De jaren vijftig zijn in de geschiedschrijving en de literatuur nauwelijks terug te vinden. Die besteden veel aandacht aan de Tweede Wereldoorlog en de tijd vlak daarna, stoppen dan volledig en nemen de draad pas ergens in de jaren zestig weer op. Er staat niets op schrift en er is een knappe schrijver voor nodig om die tijd tot leven te wekken.

Zo’n knappe schrijver is Max Dendermonde. En zijn verhalen zijn niet achteraf opgeschreven, maar direct. Hij is geen journalist die op nieuws uit is, maar een literator die op reportage gaat en in de taal van de rasschrijver weergeeft wat hij ziet. Zijn mooiste stukken gaan over helemaal niets. In die beschrijvingen doemen de dooie jaren vijftig het levendigst voor je op. Prachtig beschrijft hij in 1954 de werkdag van de tramconducteur Jan van lijn 13 in Amsterdam. Het begint al bij het opstaan als Jans lange onderbroek als een vlag over de stoel hangt: «Een ouderwetse vlag, symbool voor de tochtige en kille vaarten op het ouderwetse, bonkige schip dat tram heet.» Jan Conducteur staat moe op en laat zijn jonge vrouw achter in de lianen van de droom.

Dendermonde weet banale gebeurtenissen een erotische of beangstigende lading mee te geven en dat is maar goed ook. Er gebeuren geen spannende dingen tijdens zo’n dag op de tram, maar Jan vertelt met enige emotie hoe hij als conducteur in een glazen huis leeft: «Toen ik pas op de tram kwam, was ik doodsbenauwd voor de mensen, het publiek was een monster voor je. Je wordt in de maling genomen en de enige manier om het vol te houden is je te verdedigen met een grapje en dat wordt op den duur zó’n gewoonte, dat je het eigenlijk niet meer merkt.» Uitgebreid wordt de aantrekkelijkheid van de geüniformeerde conducteur op de vrouwelijke passagiers beschreven: «Als je niet oppast gaat het vanzelf.» Maar onze Jan komt ondanks deze verleidingen ’s avonds netjes naar huis, eet en gaat daarna naar de vergadering van zijn vakbond. Hij maakt nog een babbeltje met zijn vrouw, gaat te laat naar bed en ontwaakt de volgende morgen opnieuw in een kamer waar een wollen onderbroek als een vlag over een stoel hangt. Op één punt heeft Dendermonde ongelijk, hij vindt de Amsterdamse tram ouderwets en ziet er niet veel toekomst voor: «…en geen mens zal er een traan om laten».

Er heeft in die tien vijftiger jaren in Nederland maar één werkelijke Gebeurtenis plaatsgevonden en daar zijn niet minder dan drie reportages in het boek aan gewijd: de Waters noodramp van februari 1953. De jonge schrijver gaat er voor De Groene Amsterdammer zo snel mogelijk heen en constateert dat ter plekke zelfs de dodelijkste rampen «geen nieuws» zijn, niet het slechte nieuws van de dagbladen tenminste. Hij reist 24 uur met een auto door het getroffen gebied, vaak langs en soms door het water. Hij ziet nergens ook maar het geringste teken van paniek. Het positieve dringt zich «sterk en klaar» aan hem op. Hij wordt ingeschakeld bij het reddingswerk en krijgt koffie van Jan Dieleman, de zoon van de bakker. Hij ziet een bootje met veel te veel mensen dat in de ijzige regen zwaar naar één kant helt, maar het weet in een adembenemende scène toch veilig de dijk te bereiken. Tientallen handen worden uitgestrekt om de benauwde passagiers uit het bootje te helpen: «Er werd niet gejuicht, er werd niets gezegd, het was doodstil.» Er wordt, ook dan al, gepraat over de «lauwheid en onverschilligheid» in Nederland, maar Dendermonde ontdekt hier: «de ondergrondse, wonderlijke en ontroerende kracht van tien miljoen mensen op een veel te klein stuk grond».

Het rare is dat hoe lang geleden die jaren vijftig ook lijken, de meeste problemen waarmee we nu worstelen in een andere vorm al aanwezig zijn en in deze reportages aan de orde komen. De ecologische kaalslag leren we kennen in «De Betuwe zonder bloei». Vluchtelingen, die toen «misplaced persons» heetten, komen we met al hun problemen tegen in een Ambonezenkamp. Dendermonde beschrijft de effecten van de opkomst van de televisie in Amerika. En hij gaat kijken bij de thuislozen.

Voor het oog van deze journalist-schrijver was Nederland niet zo netjes geordend en aangeharkt als we nu zouden denken. Hij kijkt af en toe onder het vloerkleed dat op de geboende vloer ligt. Maar het wonder is vooral dat hij door de kracht van zijn stijl het oninteressantste tijdperk uit onze geschiedenis bizar en boeiend weet te maken.