Jaren met Starik

‘Een van de hardst werkende mannen in de amusementsindustrie’ klinkt enigszins ironisch als aanbeveling achter op een dichtbundel. En dat terwijl F. Starik steeds meer het masker van zijn gezicht trekt. Weltschmerz, bijtende spot, reviaanse olijkdoenerij, het heeft plaatsgemaakt voor menselijkheid. Hem een dichter noemen zou hem tekortdoen.

Victoria heet Stariks nieuwe dichtbundel - en die titel doet denken aan een aanstekelijk nummer van The Fall. De gedichten lijken minder op zichzelf te staan dan in de voorganger Songloed. Taferelen, voorvallen, particuliere anekdotes: Starik houdt het graag bij het alledaagse in zijn gedichten. In het begin is er de wat zotte hoofdfiguur die een stofzuiger naast een kip wil begraven als ook de eerstgenoemde het heeft begeven. Wat versificatie betreft doet Starik denken aan Menno Wigman, met iets slepends in de regels zoals in het gedicht Dienstbericht over het maandelijks invullen van een sociale-dienstbriefje. Het is crisispoëzie. Toch lukt het Starik niet helemaal om zijn actor’s voice uit te zetten. “s Middags zijn de foto’s in een tuincentrum gemaakt./ De natuur ziet er in dit seizoen zo verlept uit’, schrijft hij in het gedicht Partycentrum Almere. In een ander gedicht is de ik-figuur een derde persoon enkelvoud: ‘Op u, die ik nog altijd zoekt.’

Er staan aardige gedichten in de bundel, over spreeuwen die slapen rond het station of over een vader die het woord ‘samenleving’ gebruikt waar hij maatschappij bedoelt. En tegelijkertijd zijn de gedichten in Victoria zo huiselijk dat er voor de lezer niet al te veel ruimte blijft om er tussen te komen. Wat het malle bakje nu precies is waar het zeepje in klettert naast de nagelborstel weet alleen de dichter en zijn vrolijke vriendin: wij krijgen alleen mee dát hij het bakje mal noemt. ‘Er zijn wel honderd vaste grapjes/ ingeslopen’, zoals bepaalde geluiden en namen voor de katten en rare rituelen, zoals een van de katten aan de lamp laten ruiken. Aardig en gezellig, maar ook wat vrijblijvend. In een reviaans gedicht over een ontmoeting op een markt waarbij de spreker niet zo goed weet wat te zeggen, zie je wat Starik zou kunnen als hij zijn lezer en zijn vriendin Victoria en zichzelf niet zo zou entertainen.
Wat volgt zijn gedichten over Hyves en Facebook. Treffend is de opening: ‘Hoe langer je gedichten schrijft, des/ te moeizamer dat gaat’, wat spoort met het dagboek van de Hongaarse dichter János Pilinszky, waarin hij noteert terug te verlangen naar de onbevangenheid en kordaatheid van het begin, toen hij nog gewoon een gedicht kon maken zonder te talmen en te wikken en te wegen. Als de ik-figuur van Stariks bundel een brief schrijft, gooit een van de katten een vaas aan scherven, vervolgens gaat het hele gedicht over hoe die scherven precies opgeruimd worden.

De dood komt veel aan bod in de bundel. Die is nooit ver weg in het werk van Starik. Er is een gedicht voor de betreurde collega Adriaan Jaeggi en er zijn gedichten voor de begrafenis van een vrouw van een bevriende dichter. Opvallend is een hoffelijke ode aan een zuster in een ziekenhuis. Er zijn gedichten over tandbederf en een keer roept hij uit ‘Weg met de dood!’ En op het eind is Victoria er weer, in diverse gedaanten: een zieke vogel, een trage vis, een afgedankte paraplu en een verfrommeld leeg papier.
Starik is de geestelijk vader van de eenzame uitvaart, een project waarbij dichters een gedicht schrijven en voorlezen voor mensen die eenzaam komen te overlijden. Chris Junge maakte de grap dat mensen die eenzaam dreigen te sterven een anti-Starik-codicil op zak kunnen dragen, voor het geval zij geen dichter aan hun grafkist wensen. Niet iedereen houdt van poëzie. En toch is het project ‘De eenzame uitvaart’ dat F. Starik organiseert bijzonder en belangwekkend. Bij ieder sterfgeval gaat het over die samenleving - of moet ik zeggen maatschappij? - en wordt er stilgestaan bij iemand die omkomt. Stariks beste teksten zijn de stukken waarmee hij deze uitvaarten beschrijft, van het telefoontje dat er weer een lijk is gevonden tot aan de ceremonie. In die verhalen zit geen enkele morbiditeit: het zijn portretten van de dichters die meewerken, de uitvaartbegeleiders en dragers, het proza toont betrokkenheid en is zeer goed geschreven.
En dat lijkt de kracht van de kunstenaar F. Starik. Ooit plaatste hij vier stenen honden rond een plein in Amsterdam-Zuid. Een van de honden had hij naast de giromaat geplaatst en die hield een poot op. De stenen beelden waren met zand gevuld en verzwaard. Toch waren ze allemaal in een nacht vernield. Prachtig is het verslag van Starik van zijn bezoek aan het koffiehuis de volgende ochtend, de gesprekken met de bewoners over de honden. Het is een raak portret van een plein en zijn bewoners. Op die momenten, als kunst in het alledaagse infiltreert, of het alledaagse in kunst hakt, staat Starik op scherp. In de Amsterdamse wijk Westerpark hangen een aantal emaillen borden met een foto van de kunstenaar zwaaiend op een fiets, zoon voorop op de stang en vrouw achterop op de bagagedrager. Het heeft iets van een jongensboek - toen zwaaiden de mensen nog naar elkaar! En tegelijkertijd blijven het vrolijke en passende plakkaten.

F. Starik is kunstenaar. De eenzame uitvaarten vormen een conceptueel project van een beeldend kunstenaar, die dichters in een reële en onbekende werkelijkheid laat participeren - de werkelijkheid van de weggemoffelde dood van eenzame mensen. Bij het eerdere boek Mijn leven als museum uit 1994 vroeg toenmalig criticus van De Groene Amsterdammer Hans Kloos zich af of Starik wel een literair boek heeft willen schrijven. In zijn proza neemt Starik het masker van de vormelijkheid steeds meer af en begint onderhoudend te vertellen. In zijn gedichten is hij na Songloed niet geklommen.

F. Starik, Victoria. Nieuw Amsterdam, 72 blz., € 16,50