Menno Hurenkamp

Jaren tachtig

Er hangt iets naargeestigs in de lucht. Mensen vertrouwen hun buurman niet meer, schrijvers en denkers betichten elkaar van landverraad, politici praten over afluisteren en opsporen. De Frankfurter Buchmesse blijft leeg. Er vallen massaontslagen bij grote bedrijven als KLM en ABN. Zelfs de bezoekersaantallen van de Woonbeurs vallen tegen. Het duurde tot ik New Order langs zag flitsen op MTV voor ik het doorhad. En ik vreesde met grote vrezen: de jaren tachtig zijn terug! Recessie. Oorlog in Afghanistan. Harde discussies over goed en fout. De overheid die optreedt tegen haar eigen burgers — dit keer niet tegen krakers en uitkeringstrekkers, maar tegen vermeende terroristen.

The eighties… Heb ik nog genoeg haar om het zwart te verven of is dat overdreven? Goedbeschouwd beleven we eerder het spiegelbeeld van de jaren tachtig dan een kopie van dit sombere decennium. Toen waren Thatcher en Reagan aan de macht, conservatieven die tegen hun aard in revolutionaire plannen hadden. Ze zetten met grote verhalen over de vrije markt de overheid buiten spel. Nu staan Kok en Blair aan het roer, progressieven met behoudende ideeën. Ze proberen de overheid weer op de kaart te zetten. De dienstverlening aan burgers, de behartiging van het algemeen belang, moet beter. Die hervorming krijgt onder druk van falend privatiseringsbeleid en vooral van de terroristische aanslagen in Amerika zelfs een grotere betekenis dan de politiek een half jaar geleden dacht. Een hervormde overheid betekent nu vooral méér overheid. Meer veiligheid door meer beambten en meer controles, maar ook een betere dienstregeling door een minister aan het hoofd. Na tien jaar te zijn ondergedoken geweest in de globalisering is de staat weer helemaal terug.

Die onverwachte doorstart van de overheid draagt ook bij aan de typische jaren-tachtigatmosfeer van gevallen hoogmoed. Al zijn het nu niet de linksige maakbaarheidsideologen en de welzijnswerkers van de jaren zeventig die door de feiten van hun voetstuk worden gehaald. De beurt is aan de internetgoeroes en de privatiseringsprofeten om het boetekleed aan te trekken. En passant dreigt ook het cultuurrelativisme in de beklaagdenbank te raken. Het idee dat alle culturen — en met name de moslimcultuur en de westerse cultuur — aan elkaar gelijk zijn, is sommige opiniemakers een doorn in het oog. Ook hier weer die eigenaardige parallel. In de jaren tachtig was iedereen goed of fout naar gelang je ideeën over wapenbeheersing. Plots, als bij verrassing, stortte het hele Oostblok totaal in. Blijkbaar hadden we tijdens het slepende debat over ons moreel gelijk de Oost-Europese realiteit van alledag over het hoofd gezien. De vliegtuigkapers van 11 september leefden jarenlang onder ons en raakten niet overtuigd van wat het Westen hen te bieden had. Dat maakt zeuren over Nederlands cultuurrelativisme redelijk inhoudsloos. Als je je over tien jaar niet weer niet door de werkelijkheid wil laten overvallen is er maar één remedie: stoppen met navelstaren. Om narigheid te voorkomen ligt het meer voor de hand na te gaan wat in het dagelijks leven van «potentiële terroristen» aan de orde is. Met om het even welke cultuuropvatting.