INTERVIEW De passies van Ed Spanjaard

‘Je bent als dirigent een hoer’

Na zijn geprezen Wagners bij de Nationale Reisopera begint Ed Spanjaard (1948) te beseffen dat er, misschien, pas na zijn zestigste iets in hem doorbrak.

BEGAAFD, erkend begaafd was Ed Spanjaard altijd, misschien helaas voor hem ook in de zin van behendig. Hij stond zijn man in exotisch repertoire dat niemand paraat had, in slagtechnisch complexe hedendaagse muziek die maestro’s met symfonische ambities liever laten liggen. Dan ben je ongeacht je muzikale kwaliteiten bruikbaar. Hij was en werd de ideale dirigent voor lastige klussen. Zo bouwde Spanjaard, die na ouderwetse assistentschappen bij Sir Colin Davis, Herbert von Karajan en Sir Georg Solti in Covent Garden, Salzburg en Bayreuth leek voorbestemd voor een klassieke dirigentenloopbaan, als muzikaal leider van het Nieuw Ensemble en gastdirigent in diverse operaproducties een merkwaardig schizofreen cv op, met Aida’s en Turandots naast Tan Dun en Franco Donatoni. Half omnivoor, half nieuwe-muziekspecialist.
Hij was het met liefde. Maar al die tijd wachtte de grote dirigent in hem op de gelegenheid zijn vleugels uit te slaan in repertoire dat door omstandigheden tussen wal en schip was terechtgekomen. Al dirigeerde hij met regelmaat ook symfonieorkesten; de Beethovens, de Brahmsen en de Schumanns kwamen mondjesmaat. Chef-dirigent bij een symfonieorkest werd hij pas na zijn vijftigste, in 2001, bij het Limburgs Symfonie Orkest.
Pas toen kon Spanjaard echt beginnen aan de opbouw van een repertoirecurriculum dat de hanen van nu al dertig jaar jonger in kannen en kruiken hebben. Een oudgediende werd weer debutant. Van Wagners Götterdämmerung droomt hij sinds zijn jeugd, hij kent als ex-assistent in Bayreuth de partituur van voor naar achteren - maar hij dirigeert hem pas in 2012, als sluitsteen van de Enschedese Ring des Nibelungen die de echte doorbraak in zijn carrière lijkt te worden. Uitverkochte zalen en een uitbundige kritiek waren getuige van een decennia lang opgekropte Wagner-liefde die afgelopen jaar (Rheingold) en deze herfst (Die Walküre) in één geweldige lyrische beweging uit de kast kwam, machtig maar menselijk. Het was meer dan ontzettend goed gedaan. Het was magisch.
Hoe kreeg hij dat gedaan? Ervaring heeft hij te over, maar als operadirigent, niet als wagneriaan. Het mysterie van de wilsoverdracht, gelouterd vakmanschap? Vertrouwen, zegt hij. Hij kan niet zonder. De samenwerking met het Limburgs Symfonie Orkest, dat hij in 1980 voor het eerst dirigeerde, is tweede natuur geworden. Maar een dirigent als hij, die jarenlang veel buiten het symfonische circuit actief was, maakt nog steeds mee dat hij voor orkesten staat ‘waarmee je nog niet in het stadium verkeert dat je niet meer hoeft uit te leggen waar ze meer vibrato moeten geven’.
Volgend jaar Siegfried, een seizoen later Götterdämmerung, in 2013 de hele Ring in één adem. Ja, het is allemaal veel. Vandaar dat hij heeft besloten over anderhalf jaar zijn baan in Limburg op te geven. Hij zal het orkest als gastdirigent graag blijven dirigeren, maar verlangt naar een bewegingsvrijheid die hij soms ernstig heeft gemist: 'Ik begin me te realiseren hoe hard ik werk. Vorige week had ik hier in Maastricht een eerste doorzingsessie voor de Rosenkavalier van Richard Strauss, die ik in december bij Opera Zuid dirigeer. ’s Avonds terug naar Amsterdam. De volgende dag: laatste voorstelling Walküre. Borrel na afloop, afscheid van de geweldige solisten met wie ik heb gewerkt. De dag daarop om half tien in Maastricht repeteren voor een concert met een nieuw werk van Bernard van Beurden en Bruckners Tweede symfonie, de laatste Bruckner-symfonie die ik nooit eerder dirigeerde. De week daarvoor met dramaturg Antony McDonald Siegfried doorgenomen, en in Haarlem de opera Mirandolina van Martinu doorgenomen met de zangers. Bijna alles doe ik met de trein. Ik rijd wel auto, maar niet na repetities. Laatst dacht ik: het zou fijn zijn af en toe een chauffeur te hebben. Intussen zijn er in dit land nog steeds kenners en liefhebbers die denken dat ik vooral iemand ben voor nieuwe en rare stukken. Een van de geweldige dingen aan deze Walküre is dat dat vooroordeel zo langzamerhand overboord mag. Ik wil de tijd kunnen nemen voor alle prachtige projecten die nog op mijn pad komen. Voor een Götterdämmerung moet ik ruimte hebben.’

ZIJN WERDEGANG, zegt hij nu, 'heeft z'n grondslag in m'n beginjaren als dirigent. Ik was een volstrekte alleseter. Ik kan goed lezen, snel partituren opnemen. Dan ben je handig. Ik weet nog dat ik een studio-opname van Anton Kersjes overnam, van wie ik ooit les had gehad. In 1978 was dat, een Mis van Nico van der Linden, met het Radio Filharmonisch Orkest en het Groot Omroepkoor. Twee dagen van tevoren zegde Kersjes af. Het ging. Hans Vonk annuleerde een uitvoering van Schönbergs Pelléas und Mélisande - een ongelooflijk gecompliceerd stuk dat ik me binnen enkele weken eigen moest zien te maken. Waanzin, maar het lukte. Bij de toenmalige omroeporkesten heb ik een eindeloze reeks opnamen gemaakt van obscure ouvertures en vergeten orkestwerken. Het heeft, laat ik het zo zeggen, veel verdunning opgeleverd.
Wat ik me laatst herinnerde: heel lang geleden ontmoette ik in Frankrijk Louis Stotijn, lang geleden de fagottist van het Residentie Orkest en de grootvader van Christianne. Ik was met vrienden op vakantie en speelde op een kamermuziekavond in de Dordogne. Daar was ook Stotijn, en die was handlezer. Een vriend van mij vond dat totale onzin, maar hij liet zijn hand lezen en alles wat Stotijn zei bleek te kloppen. Toen kwam ik. Hij bestudeerde mijn hand en zei: jij bent een laatbloeier. Hoe bedoelt-ie? dacht ik. Ik vond dat ik een leuk leven had. Nu, veertig jaar later, denk ik: misschien heeft hij toch gelijk gehad.’
Wat hij nu weet: met Van der Linden zet een dirigent zichzelf niet op de kaart. 'Jaap van Zweden heeft dat beter gedaan. Die dirigeerde in de eerste jaren van zijn dirigeercarrière alleen meesterwerken en heeft pas daarna zijn repertoire onvoorstelbaar uitgebreid met minder bekende muziek, wat ik zeer respecteer. Lawrence Renes - ik heb hem les gegeven - zorgde er toch maar voor dat hij rond zijn dertigste de grote Mozart-opera’s had gedaan, en Parsifal, en Rigoletto, en Onegin. Blijkbaar is het toch de juiste weg, zo gericht voor jezelf op te komen.’ Glimlachend: 'Mijn bereikbaarheid grensde soms aan het absurde.’ Heldhaftig met deuren slaan en de diva uithangen zal nooit zijn stiel worden. 'Ik zie mezelf niet veranderen.’ Wat hij wel kan: leren kiezen. Meer dan ooit.
Intussen klonk in Enschede, na al die Wanderjahre, wel een Wagner om nooit te vergeten. Humaan. 'Ik ben blij dat je dat zegt. Zo wilde ik het ook. Die scènes met Siegmund en Sieglinde, Wotans diep ironische afhankelijkheid van Fricka in de tweede akte, Wotans afscheid van Brünnhilde in de derde - het is zo ongelooflijk menselijk.’

DAT ZEGT EEN joodse dirigent wiens moeder Auschwitz overleefde, maar die in gedachten altijd leefde met de Ring, het wonderwerk van de ongrijpbaar inconsequente oer-antisemiet die met Das Judentum in der Musik een van de smerigste haatbrochures van de negentiende eeuw schreef, en niettemin de wereldpremière van zijn Parsifal aan de joodse maestro Hermann Levi gunde. Hitlers lievelingscomponist, al kon hij dat niet helpen. 'Wagner was bij ons thuis geen probleem - niet om die reden tenminste. Mijn vader hield er gewoon niet van, zoals hij niet van Janaçek en Dvorák hield. Ik heb voor Das Rheingold wel Das Judentum in der Musik gelezen, wat inderdaad een vreselijk pamflet is; in mijn Walküre-periode heb ik uitsluitend over de oorlog gelezen. Ik kan niet uitleggen waarom, het was niets rationeels, niet een bewuste beslissing. Met de muziek voelde ik al een diepe vertrouwdheid, die zich alleen maar heeft verdiept; de partituur bleek nog veel kleurrijker en subtieler dan ik gedacht had.’ Maar blijkbaar moest het.
'Van de Duitse auteur Hans-Joachim Lang las ik Die Namen der Nummern, een ongelooflijk boek over een Duitse nazi-antropoloog die het in 1943 leuk en nuttig vond voor de Rijksuniversiteit van Straatsburg een collectie joodse skeletten aan te leggen. Hij is in Auschwitz, in de tijd dat mijn moeder daar zat, levende joden gaan uitzoeken die nog in redelijke staat verkeerden. Die zijn in kamp Atzweiler in de buurt van Straatsburg vergast en zo is de universiteit aan zijn skeletten gekomen. Lang heeft mij benaderd omdat hij wist dat mijn moeder in Auschwitz in blok tien zat, waar de selectie plaatsvond. Mijn moeder, die later in het kielzog van Schindler’s List voor dat grote Spielberg-project is geïnterviewd, had zwart haar en blauwe ogen. Ze zegt ergens dat ze zich daar een beetje verstopte omdat ze merkte dat ze door haar uiterlijk wel eens interessant zou kunnen worden gevonden. Lang leek me een uiterst integere man, iemand die de slachtoffers iets van hun waardigheid en hun gezicht wilde teruggeven. Dat boek deed me wel iets, ja.
En o ja, ik heb ook een meesterlijk boek gelezen van Hans Fallada, Jeder stirbt für sich allein, een semi-historische roman over een echtpaar dat het bericht krijgt dat hun enige zoon is gesneuveld in de oorlog. Vanaf dat moment beseft de man dat het nazi-regime misdadig is, en schrijft hij elke week een ansichtkaart met de boodschap dat Duitsland geen nieuwe zonen meer de oorlog in mag sturen. Die ansichtkaarten verspreidt hij in de stad, waar hij ze op steeds andere plekken achterlaat. De vinders zijn meestal doodsbang, gaan met hun kaart direct naar de politie. De Gestapo start een onderzoek. Ze hebben een stadskaart waarop met vlaggetjes de vindplaatsen worden gemarkeerd. Ze komen met een signalement, een profiel; ze gaan ervan uit dat de dader een alleenstaande man is die op de tram werkt. Na twee jaar wordt hij opgepakt, samen met z'n vrouw en de vroegere verloofde van zijn zoon, die natuurlijk allemaal worden omgebracht.’
En dat was dat. Toen hij zijn boekenstapel had verwerkt was Wagner gereinigd: 'Het was net alsof door het lezen van die boeken zijn aangetastheid werd weggenomen; het oorlogsgif ontsmette hem. Vraag je mij nu hoe ik tegenover Wagner sta, dan antwoord ik dat er in de hele Walküre wat mij betreft niet één foute maat staat.’ Hoe gevoelig Wagner meer dan zestig jaar na de oorlog desondanks nog ligt, ondervond Spanjaard na een interview over zijn Wagner-avontuur met Het Parool. 'Er kwam een ingezonden brief van een oudere joodse mevrouw die schreef dat ik zo weinig scrupules had dat ik ook muziek van Hitler zou hebben uitgevoerd.’
Tsja.

DEZE MAAND dirigeert Spanjaard na een reeks eerdere gastdirecties opnieuw het Koninklijk Concertgebouworkest, weer in zo'n onmogelijk veeleisend programma waarop hij het patent lijkt te hebben. Behalve Luciano Berio’s roemruchte collagesymfonie Sinfonia (1968) vol krankzinnige Mahler-, Strauss-, Debussy-, Ravel- en Boulez-citaten klinken het gitzwarte Photoptosis van Bernd-Alois Zimmermann (1968), Busoni’s Berceuse élégiaque en een nieuw werk van Willem Jeths, wiens eerste opera Hôtel de Pékin Spanjaard in 2008 ten doop hield bij de Nationale Reisopera. 'Het programma is opgehangen aan Mahler-associaties. De Berceuse élégiaque van Busoni heeft Mahler gedirigeerd tijdens zijn allerlaatste concert in New York in februari 1910, in Scale van Willem Jeths spelen Mahler-herinneringen een rol, Berio’s Sinfonia is natuurlijk in hoge mate geënt op het Fischpredigt-scherzo uit Mahlers Tweede symfonie. Hoe ik Sinfonia ga dirigeren weet ik nog niet. Hoewel ik een aantal werken van Berio heb uitgevoerd vind ik het moeilijk vooraf iets te zeggen over een stuk dat ik nog nooit gedaan heb. Ik moet het in de klank doorleven, dan komt er iets uit, dan krijg ik een beeld, dan kan ik toetsen of zo'n stuk z'n volledige geldigheid heeft behouden, hoe het communiceert. Nu kan ik er alleen als luisteraar over spreken. Ik hoor dat het met al die citaten heel eclectisch is. Dat het briljant is georkestreerd met die rare combinatie van acht buitengewoon virtuoos gezette stemmen en dat orkest met die vreemde opstelling: geen eerste en tweede violen, maar een verdeling van de vioolgroep in drie sectoren A, B en C. Eerbied voor en parodie op de traditie gaan hand in hand; het doet me soms een beetje aan Aventures van Ligeti denken, een krankzinnig geestig stuk, ik heb nooit zo gelachen als toen ik dat hoorde. Ik weet niet hoe je Sinfonia moet opvatten, als tijdsdocument of als muziek - ik denk beide. Het is toch wel een belangrijk stuk geloof ik, door de virtuositeit van Berio’s vermogen uit die centrifuge vol geschiedenis en vakmanschap het voorbijrazende linnengoed te plukken. Radical chic? Dat ook wel een beetje.
Het is alweer een zwaar programma, net als mijn vorige KCO-concert. Over die Zesde symfonie van Hartmann heb ik me echt afgevraagd of ik in staat zou zijn die hardheid, die enorme uitbarstingen te doorstaan. Maar grappig genoeg blijkt uit de noodzaak dergelijke basale weerstanden te overwinnen een enorme kracht te kunnen voortkomen. In Die Walküre is het me net zo vergaan. Ik werd meegezogen door onstuitbare machten.’ Dat is wat hij zoekt, ook aan gene zijde van zijn horizon: 'Ik heb natuurlijk een wijd repertoire, maar ik voel altijd de nieuwsgierigheid naar muziek van componisten die ik weinig gedaan heb of van wie ik vermoed dat ze buiten m'n bereik liggen. Het is kijken of je in staat bent toch die rol te spelen. Je bent als dirigent in zekere zin een toneelspeler, een prostitué. Dat aftasten, dat afzoeken van vreemd terrein kan een geweldige ervaring zijn als het toch blijkt te passen - zoals bij Jenufa van Janaçek, zo'n componist van wie mijn vader niets moest hebben.’

HOORT HIJ zelf muziek? Heeft hij vrije muzische gedachten? En hoe klinken ze dan? 'Dan zou je me moeten opensnijden, en zou misschien blijken dat wat ik hoor zo met m'n ziel is vervlochten dat het er niet uit kan. Geen idee wat er gebeurd zou zijn als ik was gaan componeren. Ik heb als puber wel eens iets geschreven, maar alleen voor huiselijk gebruik. Ik had graag les gehad van Ton de Leeuw, maar ik denk niet dat ik talent heb. Wel kan ik componisten helpen hun bedoelingen te realiseren. Wat ik wel hoor is dat ik altijd neurie. En de componist die ik dan gek genoeg het meest binnenkrijg is Tsjaikovski. Ik herinner me mijn eerste Zwanenmeer bij het Nationale Ballet in een glorietijd, met Rudi van Dantzig, de geweldigste solisten. Ik was 25, dirigeerde avond aan avond, elke keer andere solisten, elke avond andere tempi. Wat in m'n hoofd bleef hangen was niet de muziek bij de grote soli, meer de bescheidener motiefjes, muziekjes als die bij de opkomst van de zwaantjes, cliffhangers. Intussen voel je Tsjaikovski steeds meer in je kruipen. Die melancholie die groeit tot een passie die bijna over de kop gaat, dat vind ik iets ongelooflijks. Dat je bijna denkt: pas op, direct scheurt het.’
Daar moet je zijn.