Je bent je boekenkast

Janita Monna gaf het ooit als leestip: Terugschrijven van Jacq Vogelaar. Ik ging met het boek het land uit. Aangekomen bij het negende hoofdstuk, dat over Beckett, stapte ik in een trein naar de Dordogne. ‘De wereld is in tweeën gesplitst, aan de ene kant de mensen en de dingen, aan de andere kant de woorden (…)’ Becketts Naamloos formuleert het zo: ‘Aan de ene kant is de schedel, aan de andere kant de wereld.’ Dat schot zit er en gaat ook nooit meer weg.
Opvallend is dat Tomas Lieske als essayist je dichter naar poëzie brengt terwijl hij zichzelf zo in de strijd werpt. Niet door er voor te gaan staan, maar door zijn verstaan van een gedicht na te gaan. Zo komt hij bij het lezen van werk van Kees Ouwens en Witold Gombrowicz uit op verblijven bij een gezin in Assendelft met zeven achternichten waar hij als een soort punk avant la lettre morsig met een stok in de grond staat te wroeten. Als je poëzie leest, speelt nu eenmaal van alles mee dat in je kop zit. Een hoofd in de toendra is daarom ook een goede titel.
‘Je wijst niet naar je boekenkast: je bént je boekenkast’, sprak Tonnus Oosterhoff als huldiging toen Anneke Brassinga de Huygensprijs kreeg. Ze noemt zich daar in Hapschaar ‘metamorfinist’. Is het wel non-fictie, dat abecedarium van stukjes? Ik denk dat schrijver en lezer zich daar weinig druk om maken. Raak geformuleerd, erudiet en humoristisch zijn ze. Het boek bestaat uit vijf ‘bestanden’ die zich niets van de hoofdstukken en tussenkopjes aantrekken. Raar begrip voor iemand die op een typemachine werkt. ‘Ik zet de computer op écriture automatique en dommel in.’ Later haalt ze de was binnen in bikini terwijl het pijpenstelen regent en laat glazige gluurders afdruipen door hen te vragen wat stafrijm is. Brassinga’s werk dient opgedreund, door schoolklassen en door haarzelf.

Jacq Vogelaar, Terugschrijven, De Bezige Bij, 1987; Tomas Lieske, Een hoofd in de toendra, Van Oorschot, 1989; Anneke Brassinga, Hapschaar, De Bezige Bij, 1998