Je bent jong…

Je bent jong en je schrijft wat. En ineens kom je erachter dat iedereen op je heeft zitten wachten. Uitgevers, boekhandelaren, televisiemakers, journalisten, trendwatchers. Maar zitten daar ook lezers tussen?
HET WAS op het moment dat hij zichzelf paginagroot in een hip nieuw lifestyle-blad zag. In een bestudeerde pose, gekleed in een glanzend zwart pak, zat hij reclame te maken voor een of ander cool kledingmerk.

Linksonder op de bladzijde waren de namen afgedrukt van de winkels die de kleding hadden geleverd - of eigenlijk uitgeleend, een dag -, van de ontwerpers, stylers en visagisten. Wie hij was, waarom hij in die pose op die foto stond, in dat blad, in die maand, werd niet vermeld en bleek niet uit de afbeelding. Hij had een leuk koppie, okee, hij zat erbij alsof poseren zijn dagelijks werk was, maar het had iedereen kunnen zijn.
Het was niet iedereen. De poserende jongeman in de modieuze outfit was een ‘jonge schrijver’. Een van de zes jonge schrijvers die in dat nummer van het tijdschrift een stukkie hadden geschreven over de moraal van de eenentwintigste eeuw. Net als de vijf anderen had hij zich zonder tegenstribbelen in kleren laten hijsen die de moderedactrice na een telefoongesprekje van een minuut of drie had uitgezocht, kleren die volgens haar echt pasten bij hem, en bij de ideeen achter het verhaal dat hij had ingeleverd. Tenminste, dat geloofde ze, want ze had het nog niet echt goed gelezen…
Op de dag dat de foto - nogal confronterend - door zijn vriendin voor zijn neus werd gehouden, was hij de hele sessie eigenlijk alweer vergeten. Er waren zes weken voorbijgegaan sinds hij die anderhalf uur in dat atelier had doorgebracht en op bevel van de jonge, hippe fotograaf verschillende posen had aangenomen en vastgehouden. Het zwarte pak (satijn? viscose? polyester?) zat best lekker en stond vrij goed. Zijn mini-essay over zijn persoonlijke Tien Geboden van de Nabije Toekomst vond hij in alle bescheidenheid zelf wel aardig gelukt. En een fotootje bij zijn tekst, dat kon best, dat werd wel vaker gedaan. Dat hoorde er gewoon bij, dacht hij, bij het jonge-schrijver-zijn in 1995 (want dat was het).
Maar toen hij de foto zag besefte hij in een fractie van een seconde dat hij een grote fout had gemaakt. 'Major bummer, dude’, zouden ze in een Amerikaanse comedy zeggen. Oeps…
'Leuke pyjama’, zei zijn vriendin. 'Maar je was toch schrijver? Is hier niks van te zien. Maar als het moet kun je altijd nog als fotomodel aan de slag, dat scheelt.’
Haar cynisme hield ze nog even vol, met scherpe opmerkingen over 'jezelf verkopen’, over de vraag waar de grenzen liggen van publiciteit, over hoererij en dergelijke. Hij luisterde en knikte zwijgend. Wist niets terug te zeggen. Verdedigde zich ook niet. Want ze had gelijk. Ze had helemaal gelijk: dit ging te ver. Dit had nog maar weinig te maken met het feit dat hij een paar maanden eerder zijn eerste roman had gepubliceerd.
Het was de laatste keer geweest. Door schade, schande en veel schaamte wijzer geworden leende hij zich niet meer voor dergelijke plaatjesmakerij. Voor hem was die foto een illustratie geweest bij het stuk dat hij had geschreven, een ondersteuning van dat betoog, waarop hij best trots was. En omdat het zo'n ontzettend hip en modern vormgegeven magazine was, kon hij wel begrijpen dat de redactie 'iets spannends’ wilde doen met die jonge schrijvers 'qua look’. Dus alla, deed hij dat pak aan.
Voor het hippe tijdschrift was zijn verhaal hoogstens even belangrijk als hoe zijn haar zat en hoe de plooien in zijn broek liepen. Die zes jonge schrijvers waren voor hen zes modellen die gratis de nieuwe ontwerpen van jonge, moderne couturiers showden. Maar hoe het ook zij, hij zat nu mooi met intense schaamte naar die foto te kijken, die foto van hemzelf. Hij walgde van die kop, walgde van zichzelf, van dat zwarte pak dat net zo goed een pyjama zou kunnen zijn, van die pose, die godvergeten bereidwilligheid om aan zo'n verzoek te voldoen. Waarom in godsnaam had hij dat gedaan? Waarom doet iemand, een 'jonge schrijver’, zoiets?
Lag het aan dat blad? Aan het feit dat het hippe tijdschrift werd gekocht door mensen die geen literatuur lazen (wel kochten, voor op de koffietafel), van die typische voortbrengsels van de hedendaagse beeldcultuur? Lag het allemaal aan de Grote Vervlakking die al een tijd door de cultuur walste? Lag het aan zijn uitgever?
Nee, het lag gewoon aan hem. Het was natuurlijk zijn eigen schuld, eerlijk is eerlijk. Hij had er niet over nagedacht en gewoon ja gezegd toen ze het vroegen. Nu, zes weken later, bleek pas hoe naief hij was geweest door te veronderstellen dat het ging om wat hij had geschreven, om zijn debuutroman, en misschien om een paar andere literaire dingen die hij had gedaan. Want in de eerste, allereerste plaats was hij schrijver, en alleen daarom werd hij uitgenodigd voor zulke klussen.
DE JONGE SCHRIJVER is voor de media een interessant object. Hij of zij vertegenwoordigt alles wat 'nieuw’, 'jong’ en 'modern’ is, en televisie, radio, krant en tijdschrift zijn daar altijd naar op zoek. Iemand die een boek heeft geschreven en nog onder de vijfentwintig is, scoort ontzettend. Als hij of zij een smeuig verhaal heeft nog meer. Want het publiek wil smeuige verhalen. Het publiek wil vermaakt worden. En tegenwoordig kunnen daar ook schrijvers voor worden ingehuurd. Dat zijn namelijk geen verlegen, hakkelende zonderlingen meer maar vlotte jonge, welbespraakte moderno’s, die altijd bereid zijn een mening over het een of ander te geven. Wat voor boek ze hebben gepubliceerd en hoe ze schrijven is van ondergeschikt belang.
En de schrijvers zelf doen eraan mee. Overrompeld door de aandacht, te goed van vertrouwen, naief denkend dat het om het literaire werk gaat? Of misschien toch heel weloverwogen uit carrieretechnische overwegingen? Hoe het ook zij, voor de jonge schrijver zijn de media even belangrijk als de drukker. Zonder hen zou zijn of haar boek niet eens bestaan.
Toch is het een mooi beroep, tegenwoordig. De jonge schrijver heeft een bevoorrechte positie, door uitgever en media in de watten gelegd omdat hij of zij van een 'nieuwe generatie’ is. Is hij een beetje flexibel, dan voegt hij zichzelf toe aan een rijtje als 'De risotto van Naima el Bezaz’, 'De gemberflensjes van Desanne van Brederode’ en 'De Portugese eenpans maaltijd van Joost Zwagerman’ (in HP/De Tijd). Of hij poseert in een zwarte pyjama in een hip tijdschrift.
Een paar jaar terug bestond er nog enige belangstelling voor bijvoorbeeld de voorzitter van de studentenvakbond of de Jonge Socialisten, of werd een filosoof van zevenentwintig weleens gevraagd naar zijn opvattingen en verwachtingen. Beeldend kunstenaars, popmuzikanten, theatermakers en wetenschappers hebben het als publieke personen of als 'vertegenwoordigers van een generatie’ moeten afleggen tegen de schrijver.
Jonge schrijver zijn is best tof, als je aan een paar eisen voldoet. Eisen die niet direct betrekking hebben op je literaire kwaliteiten maar vooral slaan op je talent om met de media om te gaan, hoe fotogeniek je bent en of je een smeuig verhaal hebt. Of je, kortom, lekker bekt. Want het aantal lullige, inhoudloze praatprogramma’s is ook explosief gegroeid, en ze moeten allemaal vol.
Helaas gaan die eisen steeds vroeger in het hele debuteerproces een rol spelen. Nog niet zo lang geleden zou je worden uitgelachen als je het zei, maar het is absoluut niet meer ondenkbaar dat auteurs al in de allereerste fase van hun boek door hun redacteur (en uitgever) in een bepaalde richting 'gestuurd’ zullen worden om de levensvatbaarheid van de uiteindelijke roman te verzekeren. Want he, er zit niemand te wachten op een somber, introvert boek zonder seks, spanning en sensatie. We mikken toch op een groter publiek, nietwaar?
Uitgevers zijn zakenmensen. Slimme zakenmensen, en ze worden steeds slimmer. Het zijn marketeers, managers, die net zo goed kroketten hadden kunnen verkopen maar toevallig 'het produkt boek’ trachten om te zetten.
Uitgevers zijn ook kunstmensen. Sympathieke cultuurliefhebbers, die hart hebben voor de literatuur en het liefst in afzondering mooie boeken lezen. En uitgevers zijn ook mens-mensen, aangezien ze voor hun auteurs meer betekenen dan alleen de vertegenwoordiger van het bedrijf dat hun werk publiceert. Uitgevers staan hun schrijvers bij, sturen, bekritiseren en begeleiden ze. Moedigen ze aan, voeden ze literair op - vooral de jongeren.
Een debutant is per definitie onzeker. Wordt het wat met dat boek of flopt zijn levenswerk? Zal het verkopen en door de kritiek worden gewaardeerd? Krijgt het publiciteit? Moet daarvoor iets worden gedaan? Juist niet gedaan? Even aan de uitgever vragen…
Dat uitgevers ook zakenmensen zijn, daar hoefde de schrijver nooit iets van te merken. Een schrijver schrijft en een uitgever geeft uit. And never the twain shall meet.
Zo is het niet lang meer. Als je het hele uitgeeftraject schematiseert als: auteur (- agent) - redacteur - uitgever - drukker - distributeur - boekhandelaar - lezer, dan krijgt de debutant steeds meer te maken met dat hele tweede, zakelijke gedeelte. Waarom? Omdat de uitgever dat duidelijk maakt. Omdat je dat aan alles kunt zien. Omdat voor je collega’s hetzelfde geldt. Daarom. (Wanneer vroeger je roman van de drukker kwam en jij je auteursexemplaren mocht komen ophalen, was alles eigenlijk wel in orde. Werd je werk toevallig ook nog goed verkocht, was dat leuk meegenomen.)
Natuurlijk viel het je wel op dat bepaalde literatuur op een bepaald moment goed in de markt lag, omdat er in de maatschappij dingen gaande waren die een literair boek opeens 'hot’ konden maken, maar daar had jij niet zoveel mee te maken.
Dat wordt nu echter doorbroken. De literaire auteur is niet langer gevrijwaard van commerciele invloeden en belangen. Boeken uitgeven is gewoon zakendoen. Omzetsnelheid, actualiteitswaarde, daar gaat het om.
Zo is het inmiddels niet meer mogelijk om de boekhandelaar als gestoord maar ongevaarlijk type middenstander te negeren. Hoe vaak heb ik al niet een uitgever horen zeggen dat iets niet kon of alleen op een bepaalde manier kon omdat hij 'signalen’ had gekregen van zijn vertegenwoordiger dat de boekhandel het 'anders niet wilde hebben’. En als de boekhandel het niet wilde hebben, maakte hij verlies. En als hij verlies maakte, kon hij al die mensen niet meer in dienst houden. En dan zou er over een tijdje helemaal geen uitgeverij meer zijn om dat boek te publiceren. Dus…
EEN VAN DE talentvolste schrijvers van dit moment is Hafid Bouazza. Zijn proza, waarmee hij dit voorjaar gaat debuteren, is van een enorme kracht en schoonheid. Hij gaat een grote toekomst tegemoet. Die verwachting is helaas niet alleen gebaseerd op zijn kwaliteiten als auteur, hoe ongelooflijk groot die ook zijn.
Bouazza, geboren in 1970, wil liever niet vermeld hebben dat hij in een ver land is opgegroeid en later naar Nederland verhuisde. Hij ziet het lijk al drijven: hoe triest het ook is, de kans is nogal groot dat hij direct zal worden ondergebracht in het hokje Nieuwe Allochtonen, of Tweede Generatie Schrijvers, of Lekker Exotisch Lezen. Zoals het afgelopen jaar te zien was aan de debuten van Hans Sahar en Naima el Bezaz levert het Nieuwe-Allochtonenschap weliswaar veel publiciteit op, maar nauwelijks interesse voor de literaire merites van het werk. (Waarbij voor Sahar en El Bezaz gold dat hun roman nauwelijks als 'literatuur’ kon worden bestempeld.) Bouazza wil niet als zijn collega’s worden gebombardeerd tot 'stem van een bevolkingsgroep’ of 'spreekbuis van een minderheid’ en vervolgens worden doodgeknuffeld door alle Sonja’s en Karels van Nederland. Bouazza is namelijk schrijver, en wil als schrijver worden gewaardeerd.
Graaft hij daarmee zijn eigen graf? Is het niet gemakkelijker wel mee te gaan in die hype? Een goede sessie bij Sonja Barend staat garant voor een herdruk of twee. Maar wie ben je dan?
De afgelopen twee jaar nam het aantal hype-pogingen krankzinnig toe. Snel scoren of helemaal niet scoren, dacht men en kopieerde nog een persmapje in elkaar, waarbij een prikkelende auteursfoto als uithangbord fungeerde. Alsof grote borsten beter proza produceren, alsof een mysterieuze glimlach al de helft van een spannend verhaal betekent, zo lonkten die portretten naar pers en boekhandelaar. Koop mij, want ik ben mooi, want ik ben raar, want ik ben jong, want ik ben nieuw, want ik ben exotisch…
Een uur in de boekhandel is een brainwash. Tussen de buikbandjes, posters, kassakrakers en ander promotiemateriaal zijn de boeken moeilijk te vinden. Een boek verkoopt of het verkoopt niet. Niets verkoopt 'redelijk’. En als debutant ben je of hot of niks. Je slaagt of je faalt.
Een elegante vorm van exposure was nog Hendrickje Spoor. Met een knipoog, vol ironie liet zij zich fotograferen met boa en parelketting en hielp op die manier bewust mee aan de creatie van een imago. De manier waarop zij dat deed, met stijl, met reden ook, kon je alleen maar met een glimlach goedkeuren. Jammer genoeg is de vorm ervan wel overgenomen, maar vrijwel altijd zonder enige inhoud. Het afgelopen jaar hebben we meermalen auteurs als een soort centerfolds kunnen bewonderen, mannen zowel als vrouwen. Het wachten is op de schrijverskalender.
HOE MEER de uitgever een manager wordt en de redacteur zijn assistent, hoe meer de boekwinkel zich aansluit bij een keten om met andere ketens te kunnen concurreren, des te kleiner de kans dat de schrijver volledige vrijheid blijft genieten bij het schrijven. De inhoud van zijn boek wordt niet langer alleen door hemzelf bepaald. Er zijn nu eenmaal thema’s die het lekker doen en er zijn nu eenmaal onderwerpen die je beter niet kunt kiezen als je meer dan zesentachtig exemplaren wil verkopen. Dit is de tijd waarin alles jong, snel en wild moet zijn, waarin oppervlakkigheid meer wordt gewaardeerd dan diepgang, waarin lekker lachen boven het intellectuele debat gaat, waarin alles amusement moet zijn wil het worden gevreten door de cultuurconsument.
Wat doe je als schrijver? Beetje seks, beetje spanning, beetje sensatie? Beetje rassendiscriminatie, beetje milieu, beetje homoseksualiteit? Beetje skinheads, beetje voetbal, beetje dierenwinkel? Beetje illegalen, beetje televisie, beetje drugs? Beetje humor, beetje computers, beetje misdaad? Beetje reality, beetje SM, beetje house? Beetje blind dating, beetje incest, beetje joods-zijn? Beetje historie, beetje drank, beetje oorlog?
Wat doe je als schrijver? Misschien kom je er opeens tot je grote schrik en schande achter dat je op een goede dag in een zwarte pyjama hebt geposeerd voor een hip tijdschrift. Zoals ik.
IS DIT ALLES ANGST voor de toekomst? Hoezo toekomst? Uitgevers redeneren al op die manier: 'Sorry, dit is veel te somber, de mensen willen kunnen lachen.’ Of op deze manier: 'De verkoopcijfers zijn te laag, over je volgende boek moeten we nog even denken.’ Of zo: 'Mooie borsten, we doen het.’
En wie moeten we nou de schuld geven van dit alles? De directeur van de Ako, omdat hij de uitgevers zo zwaar onder druk zet dat ze niet anders kunnen dan hun literaire normen verleggen om hun omzet te garanderen? De lezer, die zo stupide is blindelings te gehoorzamen aan de bevelen van de media? De commercie, die de 'echte’ literatuur in een wurggreep heeft genomen en alleen nog maar ruimte biedt aan korte-termijnbevrediging en oppervlakkig vermaak? Of de vertegenwoordigers, die moeten zorgen voor een goede afzet van de boeken en knielen voor de boekhandel? Of de redacteur die van elk boek een lekker toegankelijk produkt wil maken? Of de redacteur die dat erbarmelijke manuscript voor de helft herschrijft om dat sensationele boek van die sensationele puber maar op de markt te krijgen? Of gewoon de schrijver zelf, die meedoet aan de spelletjes, die zich laat gebruiken, die misschien zelfs anders gaat schrijven dan hij eigenlijk zou willen? ('Marktgericht Schrijven’ heet dat waarschijnlijk - volgend jaar een richting op de schrijversvakschool.) Of de media, die alles kapot nivelleren waar je langer dan een seconde over moet (kan) nadenken?
Of is het allemaal gewoon de schuld van het Kapitalisme, omdat dat uiteindelijk de schuld is van alles?