De moeizame strijd tegen mensensmokkelaars

‘Je betaalt gewoon’

In de jacht op de bendes die achter de mensensmokkel tussen Afrika en Europa zitten, wordt mondjesmaat succes geboekt. In Nederland zijn al celstraffen opgelegd en ook op Sicilië zit justitie er bovenop. Maar de grote boeven blijven buiten schot.

Medium beeldunie 00112103

Aan een grote vierkante tafel zitten 25 jonge Eritrese mannen met een serieuze blik in hun ogen en hun armen over elkaar te vergaderen. Er liggen geen mobieltjes op tafel, het is de hele vergadering muisstil. Een jonge man staat op en draagt een zelf geschreven gedicht voor. ‘Ik mis vrijheid.’ Tijdens de bijeenkomsten in Rotterdam van de vereniging esmns (Eritrean Solidarity Movement for National Salvation) komt mensensmokkel regelmatig ter sprake.

De esmns is een oppositiebeweging die zich verzet tegen het dictatoriale regime van president Isaias Afewerki in Eritrea, de leden zijn afkomstig uit de sterk groeiende diaspora in Europa. ‘We komen samen om de situatie in ons land te verbeteren. Dat is de wortel van het mensensmokkelprobleem, het regime is immers de reden dat mensen vertrekken uit Eritrea’, legt de voorzitter uit. De laatste twaalf maanden vroegen al ruim 4500 Eritreeërs asiel aan in Nederland. De enige manier om het repressieve bewind te ontvluchten is op clandestiene wijze en bijna altijd via mensensmokkelaars.

Daniel Grum Tekle, een magere man met een wit trainingsjasje over zijn nette zwarte bloes, woont sinds 2009 in Rotterdam. Via het Italiaanse eiland Lampedusa kwam hij Europa binnen. Zoals veel jonge Eritrese mannen die asiel zoeken in Nederland zat ook Grum Tekle acht jaar gedwongen in militaire dienst zonder uitzicht op vrijlating. De enige uitweg was Eritrea te ontvluchten. In hakkelend Engels, afgewisseld met Italiaans, vertelt hij dat zijn vijftienjarige broertje Alex dit jaar in zijn voetsporen probeerde te treden. Maar tijdens de vlucht door de Sahara is hij in handen van mensensmokkelaars gevallen. Zij houden hem gevangen tot er vijfduizend dollar is betaald. ‘Hij zit al twee maanden in een soort kelder in Tripoli, beesten worden nog beter verzorgd.’

Een oudere broer van Grum Tekle woont al jaren in Soedan sinds hij Eritrea ontvluchtte. Via de chat legt hij gedetailleerd uit wat er met hun jongste broertje is gebeurd: ‘Na een dag reizen kwam Alex bij de grens van Libië met Soedan. Hier werd hij overvallen door gewapende mensenhandelaren van de Tuba-stam die hem na een maand gevangenschap voor zeventienhonderd dollar verkochten aan Eritrese mensensmokkelaars in Tripoli.’

Volgens Grum Tekle zijn er in Soedan vele smokkelnetwerken actief die lijntjes hebben met vier of vijf grote criminele organisaties in Libië. Ze beheren huizen of garages waar vluchtelingen worden opgesloten tot er nog meer geld is betaald. ‘Ze slaan mijn broertje en er is nauwelijks eten. Hij zit daar met achttien anderen.’ Volgens verschillende berichten folteren mensensmokkelaars hun gevangenen als deze aan de telefoon zitten met familieleden. Zo voeren ze de druk op. ‘Hij belt soms huilend naar onze oudere broer in Soedan en vraagt om geld.’

Grum Tekle wil niet dat de smokkelaars erachter komen dat Alex een broer in Nederland heeft. ‘Ze denken dan dat er een rijk Europees familielid is en vragen om nog meer geld, maar meer dan tweeduizend euro heb ik zelf niet eens.’ Hij hoopt met hulp van de Eritrese gemeenschap in Nederland het benodigde bedrag bij elkaar te schrapen. Nu de zomer bijna voorbij is en het moeilijker wordt om de Middellandse Zee over te steken, wordt er meer druk uitgeoefend op de familieleden om te betalen. ‘De mensensmokkelaars willen zo snel mogelijk van de mensen af.’

In Nederland staat mensensmokkel sinds kort hoog op de agenda. Er is een breed samenwerkingsverband opgezet met verschillende partijen die mensensmokkelaars moeten opsporen. Er is in kaart gebracht welke signalen horen bij mensensmokkel, waarna hier strenger op wordt gecontroleerd.

Zo houdt de Koninklijke Marechaussee controles langs de Nederlands-Belgische grens. De marechaussees selecteren ‘verdachte’ auto’s op de A76 en leiden die naar een controleplek. Daar checken ze of alle inzittenden hun identiteitsbewijs hebben. Er wordt bijvoorbeeld gelet op de samenstelling en afkomst van de passagiers in de auto, of gekeken naar de kentekenplaat. Tijdens eventuele ondervragingen wordt nagegaan of er sprake kan zijn van mensensmokkel. Vorig jaar werden er zo 336 mensen aangehouden op verdenking van smokkel, een stijging van 25 procent ten opzichte van het jaar daarvoor. Staatssecretaris Klaas Dijkhoff van Justitie kondigde maandag aan dat deze grenscontroles geïntensiveerd zullen worden.

Veel verdachten van mensensmokkel zijn ‘woonachtig’ in het grootste opvangcentrum van Sicilië

Ook informatie die uit ind-verhoren naar boven komt wordt doorgespeeld naar het Informatieknooppunt voor Fraudesignalen, dat is opgericht om migratiecriminaliteit tegen te gaan. Het knooppunt deelt relevante gegevens met het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel (emm). Het Openbaar Ministerie wil niet veel kwijt over lopende onderzoeken, maar verwijst wel naar een paar zaken die dit jaar inderdaad voor de rechter kwamen. Het gaat om Syriërs en Eritreeërs die uiteindelijk zijn veroordeeld tot maanden celstraf. Ze zijn opgepakt bij een treinstation of gepakt toen ze tickets kochten voor de gesmokkelden. Van een grote criminele organisatie is vooralsnog geen sprake; zij bleken individueel te opereren.

Omdat mensensmokkel een grensoverschrijdend probleem is, bracht de Europese Commissie dit jaar het actieplan 2015-2020 uit tegen de smokkel van migranten, waarin de samenwerking tussen de landen wordt benadrukt. Nu al komen diverse Europese landen regelmatig samen om de mensensmokkelproblematiek te bespreken. Zo vond er in juli op aandringen van Italië een bijeenkomst plaats bij Eurojust in Den Haag. Onderzoeksrechters, officieren van justitie en politie wisselden hier informatie uit. >

‘Komen jullie mee?’ De 32-jarige Eritreeër Abdel Fetah heeft net een telefoontje gekregen dat er weer boten zijn aangekomen. Ik ben een paar weken op Sicilië om verslag te doen van de bootvluchtelingenproblematiek en trek dagelijks op met Fetah, die vier jaar geleden in zijn eentje met de boot naar Catania kwam. Hij werkt inmiddels als vertaler voor verschillende hulporganisaties en in zijn vrije tijd vangt hij migranten op die net zijn aangekomen. In het plantsoen bij het centraal station van Catania zitten groepjes Eritrese en Soedanese mannen. Twintigers met rode ogen van het zeewater en de felle zon. Enkelen hebben wondjes op hun gezicht en armen. Iemand zegt dat dat schurft is.

De bootvluchtelingen lopen mee naar Centro Astalli, een door de Jezuïeten opgericht opvanghuis voor vluchtelingen in een zijstraat bij het station. Er klinkt douchegekletter. Magere jongens in grote witte badjassen krijgen schone kleren en schoenen. Fetah is druk in de weer met mobiele telefoons. Het woord ‘Facebook’ komt steeds terug in hun gesprekken. De jongens halen verfrommelde briefjes met telefoonnummers uit hun zakken. Er staan nauwelijks namen op, vooral veel nummers. ‘Er is geld betaald aan tussenpersonen om hen vanuit Sicilië naar het noorden te brengen. Die proberen ze te bereiken’, legt Fetah uit. Het betreft stromannen op het vasteland in Europa, meestal zelf ook migranten die al wat langer in Europa zijn en die zo geld proberen te verdienen. Ze regelen tegen veel geld buskaartjes naar het noorden van Europa – de vluchtelingen zelf durven geen kaartje te kopen uit angst opgepakt te worden – of rijden met de auto de grens over.

Een jongen blijft wanhopig achter elkaar door bellen. Hij lijkt niet veel ouder dan zestien jaar. ‘Olanda’ zegt hij een paar keer. Hij probeert zijn broer in Nederland te bellen. Geld dat zijn broer naar een mensensmokkelaar heeft gestuurd is nooit aangekomen, wordt er gezegd, en dus is er geen ritje naar het noorden. Zelf heeft hij geen geld, waardoor de jonge Eritreeër voorlopig vast zit op het eiland.

Medium beeldunie 00112088

Later die week tref ik in het uitgestorven justitiepaleis in Palermo – de zomer is begonnen – de openbaar aanklager Maurizio Scalia. Hij is betrokken bij grootschalige onderzoeken naar mensenhandelaren, trafficanti, die vanuit Libië opereren. Hij ontmaskerde een grote criminele organisatie die reizen organiseert naar Noord-Europa en waarvan Ermias G. (Ethiopië) en Medhane M. (Eritrea) worden aangewezen als de capi. De onderzoeken Glauco 1 en Glauco 2 die Scalia me later geeft, wijden ruim zevenhonderd pagina’s aan dit internationale netwerk.

Hierin heeft Scalia ook in kaart gebracht welke route de migranten volgen. ‘Allereerst komen de vluchtelingen vanuit hun land naar Libië. Dat kost al gauw tweeduizend dollar.’ Dit traject is al levensgevaarlijk. Uit verklaringen blijkt dat vluchtelingen op hun reis vaak blootgesteld worden aan mishandeling, verkrachting en mensenhandel. ‘Dan worden ze vastgehouden in een huis, samen met andere migranten, totdat de wind gunstig staat en er een boot klaar is om naar Sicilië te varen. Dat is zo’n vijftienhonderd dollar. Daar aangekomen ontsnappen de migranten na enkele dagen uit gevangeniscentra en worden ze opgevangen door de mensenhandelaren. Die vragen nogmaals geld om hen van het eiland naar Noord-Italië te krijgen. Ten slotte staan daar smokkelaars klaar om hen met gehuurde auto’s of in een bus de grens over naar noordelijke landen van Europa te smokkelen. Ook naar Nederland.’

‘We hebben geen idee aan wie we het geld hebben gegeven. Je belt met iemand, je wordt ­opgehaald door een ander...’

Bijna twintig stromannen en radartjes van dit grote netwerk zijn opgepakt. De twee hoofden van de organisatie zitten, samen met hun miljoenen dollars, veilig ondergedoken in Libië. Een uitleveringsverdrag is er niet.

De onderzoeken Glauco 1 en 2 zijn gestart na een scheepsramp bij Lampedusa in oktober 2013 waarbij 366 doden vielen en die wereldwijd geschokte reacties ontlokte. In de onderzoeksverslagen valt te lezen dat de mensenhandelaren zelfs in grote opvangcentra op Sicilië actief zijn. Een kwart van de 24 genoemde verdachten is ‘woonachtig’ in Cara di Mineo, het grootste opvangcentrum van Sicilië. Van hieruit ronselen zij migranten die willen doortrekken naar het noorden. De mensenhandelaren hebben dus vrij spel.

Scalia brengt me in contact met politiecommissaris Nino De Santis in Palermo, die me vertelt hoe hij dankzij afgetapte telefoongesprekken een groot deel van het netwerk kon oprollen. In het verslag staan pagina’s samengevatte tapgesprekken. ‘M zegt dat hij A een telefoonnummer zal geven van een man die in Palermo zit. A. zegt dat hij zich over de migranten zal ontfermen en naar hem zal leiden. De migranten hebben nu geen geld, maar via iemand anders zal dat aan hem gegeven worden.’ In Glauco 2 is te lezen hoe op 30 mei 2014 een telefoontje is getraceerd van een mensensmokkelaar in Nederland naar Medhane, het kopstuk van de smokkelorganisatie. En hoe drie maanden later vanuit Bari in Zuid-Italië een reis naar Nederland wordt bekokstoofd.

Terug in Catania wacht ik met Abdel Fetah in de kleine, klamme ticketbalie naast het centraal station. Het Siciliaanse transportbedrijf ast verkoopt hier buskaartjes naar plekken in heel Italië. Een man van Afrikaanse afkomst komt binnen en baant zich zelfverzekerd een weg naar de zijkant van de smalle balie. Hij staat vlak naast me en wacht geduldig tot hij wordt opgemerkt door een van de verkopers van ast. In een spijkerbroek en onopvallend shirt, op afgetrapte gympen, lijkt hij op de vele bootvluchtelingen die het straatbeeld rondom het station domineren. De man legt een stapel bankbiljetten op de balie. ‘Twintig kaartjes van Catania naar Milaan.’ Fetah kijkt me aan, zijn lippen vormen geluidloos het woord ‘trafficante’. De verkoper pakt het geld aan en met een stalen gezicht begint hij de biljetten te tellen. Achthonderd euro. ‘Vanavond nog?’

Hoofdofficier van justitie Giovanni Salvi heeft geprobeerd het betalingssysteem van de mensensmokkelaars in kaart te brengen, in de hoop zo dichter bij de kopstukken te komen. Hij vertelt dat de smokkelaars werken met het zogenoemde hawala-_systeem. Dit betekent ‘vertrouwen’ in het Arabisch. Het is nauwelijks na te gaan waar deze _cash flows naartoe gaan en waar ze vandaan komen.

’s Avonds op Piazza della Repubblica, een busstation in Catania, verzamelt een groep Eritrese jongens zich voor de door buurtbewoners uitgedeelde pasta. ‘We hebben geen idee aan wie we het geld hebben gegeven. Niemand weet dat. Je belt met iemand, je wordt opgehaald door een ander, het geld gaat weer via een kennis naar degene die de boot regelt. Je betaalt gewoon.’

Het geld wordt ook vaak door een rijker familielid in Noord-Europa overgemaakt naar de mensensmokkelaars, op goed vertrouwen dat de vluchteling vervolgens de oversteek mag maken en veilig Europa in komt. Na het eten – een jongen veegt zo goed en zo kwaad als het gaat de gemorste pasta bij elkaar en maakt de grond schoon – worden kartonnen dozen en dekens neergelegd bij wijze van een bed. Het is comfortabel in vergelijking met de boot waarop ze vier dagen sliepen en die niet eens bestuurd werd. ‘Er was geen kapitein. We werden zo, hup, de zee opgestuurd.’

De mensensmokkelaars sturen de boten steeds vaker zonder kapitein de zee op, wetende dat de Europese reddingsmissie Frontex boten in nood komt redden. Of ze geven een migrant zonder ook maar enige ervaring de leiding over het schip, in ruil voor een gratis overtocht. Vaak wordt deze migrant na aankomst in de haven door de overige bootvluchtelingen aangewezen als de kapitein. In de ogen van de autoriteiten is hij een mensensmokkelaar.

De smokkelaars sturen de boten vaak zonder kapitein de zee op, wetende dat Frontex boten in nood komt redden

Hoe de ontmaskering van deze mannen plaatsvindt, wordt duidelijk op een avond in de kleine haven van Pozzallo aan de Siciliaanse zuidkust. Zo’n duizend migranten zijn op zee gered en worden tegen zonsondergang de haven ingebracht. Jonge mannen stellen zich na uren wachten op de boot op in een lange rij voor een tent van het Rode Kruis om gecontroleerd te worden op besmettelijke ziektes. De carabinieri nemen enkele magere en vermoeid uitziende jongens geboeid mee naar de politiewagens achter de Dixi-toiletten. Deze stromannen worden in Italië de scafisti genoemd. Het zijn niet de opperbazen, maar ze worden streng aangepakt.

Advocate Paola Ottaviano staat deze in Sicilië opgepakte migranten regelmatig bij en vindt de straffen van vijf tot vijftien jaar die hun boven het hoofd hangen disproportioneel. ‘Ze houden een oogje in het zeil op die boot in ruil voor een gratis overtocht. Maar het zijn niet de grote boeven die in Libië hun zakken vullen met miljarden dollars en veilig op het vasteland blijven.’

Het Openbaar Ministerie in Catania en Palermo heeft de afgelopen paar jaar al honderden van deze jonge mannen opgepakt. Het belangrijkste bewijs tegen hen zijn de getuigenissen van de overige bootvluchtelingen. ‘Maar de politie aan de kust heeft meerdere trucjes. Zo voelen ze aan de handen van de mannen; warme handen betekent dat diegene net een stuur heeft vastgehouden.’

Binnenkort begint een grote rechtszaak. De twee scafisti Mohammed Alì Malek (27) uit Tunesië en Mahmud Bikhit (25) uit Syrië worden verantwoordelijk gehouden voor de verdrinkingsdood van ruim achthonderd bootvluchtelingen op 18 april in het Kanaal van Sicilië nadat hun boot zonk. Volgens openbaar aanklager Giovanni Salvi werden Malek en Bikhit door de overlevenden van de schipbreuk, slechts 26 migranten, aangewezen als de kapitein en zijn assistent. Als bewezen wordt dat er sprake is van opzettelijk doden, hangt de mensensmokkelaars een levenslange gevangenisstraf boven het hoofd.

In Rotterdam wijst Daniel Grum Tekle naar een jongen in een grijs vest. ‘Hij is net nieuw bij de vereniging en sinds een jaar in Nederland.’ Hij legt uit dat nieuwkomers cruciale recente informatie verschaffen over hoe ze naar Europa zijn gekomen en via welke mensensmokkelaars. Deze informatie wordt vervolgens uitgewisseld op onder andere de Facebook-pagina van esmns. ‘Hier plaatsen we foto’s van smokkelaars. Hun gezichten zijn binnen Eritrese gemeenschappen door heel Europa bekend.’

De Eritrese gemeenschap kijkt dus in heel Europa uit naar de mensensmokkelaars waar veelal Eritrese vluchtelingen het slachtoffer van zijn. Zo weet Grum Tekle dat in garages en kelders in Tripoli soms wel vierhonderd mensen vastgehouden worden, zoals zijn broertje Alex nu. Hij begrijpt van onlangs gevluchte Eritreeërs dat Alex in handen is gevallen van ene Welid, het hoofd van een actieve criminele organisatie in Libië. Ook kent Grum Tekle Eritreeërs die door de organisatie van de eerder genoemde Ermias (uit het Siciliaanse onderzoek Glauco) Europa in zijn gesmokkeld, tegen veel geld en onder erbarmelijke omstandigheden.

Mensensmokkel van Afrika naar Europa is van alle tijden, maar de situatie is veranderd ten opzichte van tien jaar geleden, toen Daniel Grum Tekle zelf naar Nederland kwam. ‘Je kocht zelf een buskaartje, de buschauffeur zorgde dat je bij de juiste personen met boten terechtkwam. Je betaalde misschien zevenhonderd euro.’ De handel in vluchtelingen is echt iets van het laatste jaar.

Grum Tekle voelt zich hulpeloos omdat de Nederlandse politie niets kan doen tegen deze smokkelaars en de Eritrese esmns weinig aandacht genereert. Hij is ervan overtuigd dat de smokkelaars zelf uiteindelijk ook naar Noord-Europa komen. ‘Nu kunnen we niks doen, maar uiteindelijk komen ze vast eens naar Nederland en dan geven we ze aan bij de politie.’


Beeld: (1) Libië, 3 mei. Een boot van de Libische kustwacht is terug in de haven van Misrata met vierhonderd vluchtelingen. Ze waren in vijf rubberboten op weg naar Italië. Foto Jeroen Oerlemans / De Beeldunie; (2) Libië, 3 mei. Een van de migranten die in Misrata wachten op bussen die ze naar een detentiecentrum bij Tripoli brengen. Jeroen Oerlemans / De Beeldunie.