‘je doet maar’ bordewijks ‘karakter’

Bordewijks ‘Karakter’ werd al eerder verfilmd. In 1971, door Walter van der Kamp voor de Avro-televisie. Er gaapt een wereld van verschil tussen die ingetogen tv-film en het spektakel van Mike van Diem. En Ko van Dijk wint met groot gemak van Jan Decleir.
HET BEELD IS ROOD. Een luchtig deuntje in majeur uit een elektronisch huisorgeltje begeleidt de geschreven tekst. ‘Lex van Delden en Andrea Domburg in Karakter, een tv-spel van Walter van der Kamp. Met Bob de Lange, Coen Flink, Anne-Wil Blankers, Rudi Falkenhagen, en Ko van Dijk als Dreverhaven.’

De componist (Jan Blok) geeft meer gas. In beeld komt een sobere kamer met een kast, een tafel, een lamp, een spiegel. Andrea Domburg haalt routineus een doekje over die objecten als Lex van Delden binnenkomt met de woorden: ‘Moeder, ik ben weer ontslagen.’ Moeder en zoon Katadreuffe draaien in het benauwde interieur om elkaar heen als in een modern ballet, hoekig en ogenschijnlijk emotieloos. In afgemeten zinnen testen ze elkaars reactie uit, met de grote spiegel als getuige. Dan meldt Van Delden quasi-nonchalant, op de toon van een jongetje dat iets stouts opbiecht, dat hij een sigarenwinkel heeft overgenomen, met een lening tegen hoge rente van de Maatschappij voor Volkscrediet. Hoe zal zij hierop reageren? Hij loert naar haar vanuit zijn ooghoeken. En dan spreekt Domburg de magische woorden: 'Je doet maar.’
'Je doet maar’ - een antwoord dat nog erger is dan helemaal geen antwoord, zo constateert ook haar zoon Jacob Katadreuffe, door Van Delden met grote wanhopige kinderogen gespeeld. Domburg zal de bezwerende zin nog vele malen herhalen in de 207 minuten die de miniserie Karakter duurt. Het is niet te vaak.
DE JACOB KATADREUFFE van 1997, Fedja van Huêt, richt zijn eerste filmwoorden niet tot zijn moeder maar tot zijn vader, de deurwaarder: 'Ik kom u zeggen dat ik vandaag tot advocaat ben beëdigd. Het zal u wel spijten, maar ik ben beëdigd en dit is de allerlaatste keer dat ik hier kom.’
We glijden onder de woorden 'Laurens Geels & Dick Maas presenteren’ over het water van een smalle gracht. De muziek (van Het Paleis van Boem) wordt heftig ingezet door een symfonieorkest. Muziek die zwanger gaat van drama, muziek die een grote film belooft. Loodsen, een enkele schuit, een oud stalen bruggetje. 'Een film van Mike van Diem.’ We varen een haven binnen, losarbeiders sjouwen zakken de kade op. Acteursnamen, te beginnen met Jan Decleir. Bereden politie passeert havengebouwen in grauw baksteen.
Dan komt Fedja van Huêt als Jacob in beeld, met vlinderdasje en bolhoed. Hij heeft haast, net als het werkvolk op de kade. Hij kijkt gespannen naar boven, naar een angstaanjagend pakhuis. Net als Lex van Delden heeft Van Huêt van die grote, naïeve jongensogen, maar zijn uitstraling is wat beteuterder dan die van zijn voorganger.
Van Huêt loopt zonder dralen een lange, donkere hal in. Aan het eind is een getralied venster, licht valt op een bureau en op een schim met hoed. De muziek culmineert in een ijselijke toon, gecombineerd met paardegehinnik. Hij plant in volle vaart een mes op het bureau. Donder klinkt ter inleiding van zijn eerste woorden, die hij half buiten adem uitspreekt. Het gezicht van de man tegen wie hij spreekt, blijft in duister gehuld. De jongen praat door, op dreigende toon. De man achter het bureau draait zijn stoel weg, het onweer zwelt aan. Dan loopt de jongen weg, totdat uit de verte resoluut klinkt: 'Gefeliciteerd.’ De man steekt zijn hand uit. De jongen blijft staan. 'U feliciteert mij? Ik kan uw hand niet aannemen. Niet van iemand die me mijn hele leven heeft tegengewerkt.’ Hij loopt verder.
'Of meegewerkt’, fluistert de mannenstem hem achterna.
De jongen is buiten. Nog meer acteursnamen rollen voorbij onder dreigende akkoorden, en het echoot na in zijn hoofd: 'Of meegewerkt.’ Dan loopt hij terug de loods in en stort zich in slow-motion op de man. Nog meer onweersgeluid. 'Karakter’, lezen we. De afloop van deze confrontatie blijft nog geheim voor de kijker, maar daarna zit het jongensgezicht in elk geval onder het bloed. Hij loopt buiten in de regen, door naargeestige steegjes. De titels vermelden de crew en, tot slot, 'gebaseerd op Dreverhaven en Katadreuffe en Karakter van F. Bordewijk.’
Mike van Diem koos voor zijn Karakter de vorm van de flashback. Het kader van de film wordt gevormd door het verhoor waar zoon Katadreuffe aan onderworpen wordt nadat het lijk van vader Dreverhaven is gevonden. Het levensverhaal van vader, moeder en zoon, het grootste deel van de twee uur film, is hier in flashbacks doorheen gesneden. Het geheel is omlijst door de fatale laatste ontmoeting tussen vader en zoon.
Begint de film met deze confrontatie vanuit het perspectief van de zoon, hij eindigt met dezelfde scène vanuit het perspectief van de vader. In plaats van een machtige schim zien we nu Jan Decleir als Dreverhaven in het volle licht, een mens van vlees en bloed, oud en bijna op. Jacobs duikvlucht op zijn vader gaat met veel misbaar gepaard, waarbij meubilair en geschreeuw, bloed en onweer om voorrang strijden. Jacob verlaat Dreverhaven en tijdens zijn verhoor wordt gereconstrueerd wat erna gebeurde: Dreverhaven sterft een spectaculaire eenzame dood. Aldus Mike van Diem.
'Of meegewerkt.’ Het is die andere magische zin uit Karakter, de zin van de vader. De Dreverhaven van Mike van Diem probeert zijn zoon te bereiken, hij gromt in de strijd zelfs 'Jacob, help me!’ En in het laatste beeld van de film, wanneer Jacob weer op vrije voeten is, laat Van Diem Dreverhaven postuum nog eens omkijken naar zijn zoon. Jacob heeft dan juist de afscheidsbrief gelezen die is ondertekend met 'Hoogachtend, Vader’. Eindelijk erkenning. De wederzijdse liefde overwint - zij het wat laat. En de musici blazen hun laatste, hoge, ijle toon.
Hoe anders heeft Walter van der Kamp zijn Karakter vormgegeven. Ook hier spreekt het slot boekdelen. We zien een opeenvolging van close-ups, elk tegen een effen, felgekleurde achtergrond. De hoofdpersonen spreken beurtelings flarden tekst die we eerder hebben gehoord. Een recapitulatie die in Jacobs hoofd plaatsvindt en die begint met zijn eigen woorden: 'Mijn vader heeft me altijd tegengewerkt - of heeft hij meegewerkt?’ Joba: 'Misschien wel’. Jacob: 'Meegewerkt…’ Joba: 'Meegewerkt.’ Dreverhaven: 'Méégewerkt!’ Ko van Dijk is in dit laatste shot van de film haast te groot voor het beeld, hij barst uit het kader.
Het televisiespel is chronologisch opgebouwd vanaf de bovenbeschreven 'Je doet maar’-scène. Het verhaal wordt af en toe doorbroken door zo'n koor van stemmen en gezichten als aan het einde, en door flashbacks die door hun terloopse verschijnen surrealistisch aandoen. Bijvoorbeeld als Joba tegen een huwelijkskandidaat zegt: 'Ik ben nooit getrouwd, ik heb zijn vader voor het laatst gezien toen ik nog een jong meisje was.’ Dan volgt een korte scène waarin Ko van Dijk voor het eerst in beeld is, in close-up. Hij slaat op tafel: 'Verdomme nog an toe!’ Joba, Dreverhavens dienstbode met een sloofje voor haar buik, kijkt onbewogen op: 'U moet niet vloeken.’ Van Dijk buldert 'wááát!’, neemt haar bewonderend op, duwt zijn wellustige onderlip naar voren en gromt bronstig: 'Jij bent niet bang hè. Jij hebt karakter.’ En hij pakt haar. Deze verleidingsscène typeert haar en Dreverhaven in een fractie.
Walter van der Kamp verbeeldt alleen het meest noodzakelijke. Het maakt van de beperkingen van de televisiestudio in 1971 een deugd. Zijn Dreverhaven hoeft niet dood, er vloeit zelfs geen druppel bloed. Aan het slot van zijn Karakter rijden we niet met de camera door een spectaculair interieur van een havenloods. Maar Van der Kamp kiest zijn ontknoping wel degelijk filmisch: een beeldmontage op psychologisch niveau.
'Of meegewerkt.’ Mike van Diem noemt in een interview deze laatste woorden van Bordewijks roman 'een anticlimax die zeker vandaag de dag een lachertje is’. Van der Kamp vond dat niet en zocht er beelden bij.
VAN DIEM, die tevens het scenario voor zijn Karakter schreef, gebruikt van Bordewijk wat hem uitkomt. Dat is zijn goed recht. Hij voegt veel toe, voor oog en oor. Wint de film uit 1997 het daarmee van het televisiespel uit 1971?
Walter van der Kamp gebruikt ook van Bordewijk wat hem belieft. Hij laat heel veel weg, zijn film oogt kaal. Van der Kamp verstaat de kunst van het weglaten. Zijn film, die tweemaal zo lang is als die van Van Diem, beperkt zich tot het volwassen leven van Jacob Katadreuffe. Van Diem verbeeldt diens hele leven. Waarom? De motor van het verhaal start pas echt wanneer Dreverhaven zijn zoon met zijn sigarenwinkel failliet laat gaan. Misschien wil Van Diem de beslommeringen van ongehuwde moeder Joba uit de verf laten komen?
Zijn Joba is Betty Schuurman. Joba Katadreuffe is een moeilijke rol. Zij is de vrouw van de eenzaamheid en de leegte. Zij is van een bijna allegorische tijdloosheid, elk decorum voorbij. Joba komt het best tot haar recht in de sobere, tijdloze kamer van Van der Kamp. Maar een Kammerspiel is voor Van Diem filmisch niet interessant. Bij hem moet Joba het afleggen tegen prachtige exterieurs en tegen massascènes. Schuurmans tragiek is dat haar psychologische ruimte zo beperkt is dat haar 'Je doet maar’ heel wat minder magie heeft dan bij Andrea Domburg. De kijker wordt voortdurend afgeleid door de vele filmische franje. Schuurman moet een gewone vrouw spelen in een realistisch Hollands decor. Eerder een bijrol dan de Maatstaf der Dingen. Ze kan dat heel goed, maar de kijker wordt niet betoverd.
TONEN OF niet tonen. Beide regisseurs willen Dreverhaven laten zien als de Onverschrokkene, de Man van Graniet. De situatie die zich daar het meest voor leent, is het moment dat Dreverhaven zich midden in het arbeidersoproer waagt om een paar arme wanbetalers in naam der wet uit hun huis te zetten. Bij Mike van Diem heeft deze scène een lange aanloop. We zien het ontluikend communisme in een rokerig cafézaaltje, dienders met knuppels, het proletariaat met fakkels… Vul maar in, het is al zo vaak in beeld gebracht. Dreverhaven heeft net in zijn rijdende auto een confrontatie met zijn zoon gepareerd. Dus is hij nu extra hard van ziel, net zo hard als het gekletter van de regen. Hij wordt gewaarschuwd door de politie: 'Dit is zelfmoord, Dreverhaven. Dreverhaven, kom terug!’ Maar hij gaat optreden, en hoe. Hij waagt zich midden in het geweervuur der opstandigen. Met zijn blik trotseert hij de kogels, hij is zelfs ontzet als hij hulp krijgt. De vijand wordt afgeschoten. En Jacob heeft zijn vaders heldhaftigheid stiekem aanschouwd.
Bij Walter van der Kamp zien we geen massa’s. Slechts een lantarenpaal is in beeld, en een diender die Dreverhaven waarschuwt. Hij loopt door, begeleid door de inmiddels steeds dissonanter klinkende tonen uit het orgeltje. Einde scène. Wij weten genoeg.
Mike van Diem moet een groot dilemma hebben gehad. Hij was, zoals hij zegt, bang voor te mooie plaatjes. Maar hij wil wel alles tonen. Wat hij vooral wil tonen, is zijn filmische vakmanschap. Want die kon hij bij het regisseren van de onvolprezen televisieserie Pleidooi niet echt kwijt, zegt hij. Het produktiekantoor van First Floor Features van Dick Maas en Laurens Geels (Flodder, Amsterdamned) heeft hem in de watten gelegd. Prachtige locaties in Nederland, België, Duitsland en Polen, met de bedrijvige sfeer van de Hanzehavens van het interbellum. Realisme is het devies: het tot leven roepen van het vooroorlogse Rotterdam met alle filmische middelen.
Historisch realisme met een korreltje zout, dat wel. Het resultaat van alle produktionele overdaad is een mengelmoesje geworden van een grauwe crisissfeer, verbeeld met de architectuur der Nieuwe Zakelijkheid, en de barokke chic van de gay twenties. De produktie breekt zijn nek over jaartallen. Jacob leent geld bij zijn vader in 1923, horen we hem zeggen, terwijl we volgens het persbericht van de film dan in de jaren dertig zitten. Dat persbericht baseert zich blijkbaar op Bordewijks roman.
Het zal de kijker worst wezen, zolang de verschillende sferen maar effectief worden opgeroepen: de treurige gebouwen van Dreverhaven versus het elegante advocatenkantoor waarin zijn zoon hogerop wenst te komen.
MIKE VAN DIEM is een vakman, zoals blijkt uit de scène waarin hij het advocatenkantoor introduceert. Het raderwerk draait op volle toeren, een mierenhoop van mensen die zich bewegen tussen trap en kast, bureau en deur. Jacob treedt er binnen, we zien beurtelings hem en wat hij ziet, we voelen wat hij voelt. Een ijzersterke scène, misschien juist doordat er geen dialoog is. Maar Van Diem vertrouwt zij eigen filmische kracht niet. Hij toont niet alleen elke emotie in zijn vetste volledigheid zodat wij onze fantasie niet nodig hebben, maar maakt van Jacob ook nog eens de verteller buiten beeld. Wat uitgespeeld is, wordt telkens ervóór of erna nog eens uitgelegd. 'Hij (Dreverhaven) is bij ons thuis geweest.’ Wat we vervolgens ook zien. 'De naam Arend Barend Dreverhaven klinkt als naderend onweer’, zo wordt ons medegedeeld. Wanneer Jan Decleir in beeld komt, gaat dat dan ook steevast gepaard met onweer. Van Diem moet wel erg getwijfeld hebben of Decleir boosaardig genoeg kon zijn. De effecten helpen niet echt. Decleir blijft ook met Hitlerachtig kapsel een Vlaamse Lamme Goedzak die een potje zuur heeft leeggedronken. Hij oogt sneu en vertwijfeld, sprekend die vaderfiguur uit Dennis Potters The Singing Detective.
Hans Kesting speelt de communist uit het verhaal. Hij heeft roodgeverfd haar dat uitgroeit, als een punker uit de jaren tachtig. Hij probeert volks te doen, zoals dat vereist is in een realistische film, en dat wil maar niet echt lijken.
De mooiste rol uit Van Diems Karakter is die van curator De Gankelaar. Met zijn rare mombakkes en onhandig geuite Weltschmerz steelt Jacobs adellijke beschermheer de show. Hij blijkt de door een kunstmatige vervorming van zijn mond onherkenbaar geworden Victor Löw te zijn. Löw oogt het minst naturel van allen, maar is de enige die tragiek weet uit te stralen.
VAN DER KAMP heeft voor zijn verfilming de Avro-studio’s zelden verlaten. Hij streeft geen historisch realisme na. We zien in de buitenscènes enkel een tijdloos stuk strand of haven waar zich een gesprek afspeelt. Zelfs een autoritje toont slechts twee hoofden, de rijweg en enkele graspollen. De vier cameramensen, onder wie Hans Keller, zijn zich niet te buiten gegaan aan baksteen maar aan zielkunde. De camerastandpunten typeren de verhoudingen tussen de hoofdpersonen. Ze lijken om elkaar heen te dansen, in een haast tijdloos decor. De rest verzon de kijker er wel bij. Die was immers nog met het geschreven woord groot geworden.
In zijn acteursregie ontzenuwt Van der Kamp het vooroordeel dat in het televisiedrama van de jaren zeventig over-acting de gewoonte was. Van Dijk, Domburg en Van Delden staan niet voor een zaal te preken. Ko van Dijk moet de mastodont spelen die hij was. Lex van Delden is een abstractie van een jongen met enkel lagere school. Hij gedraagt zich dandy-achtig en praat keurig. Het stoort niet, het is de aankondiging van zijn ambitie om hogerop te komen.
Het tv-spel Karakter uit 1971 boeit nog steeds. Het is tijdloos en heeft door zijn eenvoud grote emotionele kracht. De eigentijdse Nederlandse publieksfilm is veel korter, maar ook veel saaier, want hij bevat veel overtollig vet. Het weinige blijkt dus weldadig, terwijl het vele vervelend wordt. Maar dat hoeft Van Diems succes niet in de weg te staan. Zijn Karakter heeft misschien zelfs Oscar-potenties, net zoals De aanslag die had. Het zou Van Diems tweede worden, na de Student Academy Award voor Alaska, waar hij ook al een Gouden Kalf voor kreeg.