#14: Assmaa Kammite

‘Je hebt een ik, naast religie’

Mounir Samuel blogt de komende tijd over kritische denkers, recalcitrante rebellen en gepassioneerde gelovigen die de islam van binnenuit proberen te hervormen. In aflevering 14: psychologe Assmaa Kammite (29).

Witte cliënten schrikken nogal eens als de Marokkaans-Nederlandse Assmaa Kammite (29) de wachtkamer binnenloopt. ‘Jaa, nee ik wacht op Esmé Komité’, krijgt de psychologe regelmatig te horen. ‘Ja, dat ben ik dus.’

Kammite is met haar hoofddoek, korte bouw en pittige hakjes inderdaad geen typische Esmé. Ook niet qua stijl. Kammite is namelijk geen zachte ingetogen psycholoog. Geboren in een klein dorpje in Noord-Marokko maar als baby verhuisd naar het Utrechtse Ondiep waar haar volledige familie inclusief opa, ooms en tantes zich hadden gesetteld, is ze een echte volkse ‘trechter’ – met idem accent. Ze woont nog steeds in de Domstad.

Tijdens de vele gesprekken die ik met haar voer, val ik van de ene verbazing in de andere. Over haar onomwonden taalgebruik bijvoorbeeld. Haar ondeugende humor en hartelijke lach, eigenzinnige kijk op religie en spiritualiteit – een van haar lievelingsboeken is de bijbel en dan wel de Engelse King James-vertaling – en vooral haar nuchtere advies. ‘Mounir, wat belet je eigenlijk om vrijelijk seksueel te experimenteren?’ vraagt ze me zonder omhaal in een eerste telefoongesprek waarin ik ongewild een stuk opener ben dan ik eigenlijk wil.

Ik slik. Stamel nog iets over God en geen seks voor het huwelijk. Ze hoort me rustig aan. Stelt een volgende vraag. Ik praat me binnen luttele seconden klem en word op pijnlijke wijze geconfronteerd met mijn eigen vooroordelen. ‘Je bent geschrokken hè, dat ik je zoiets vraag terwijl ik een hoofddoek draag’, merkt Kammite fijntjes op.

‘Ja’, stamel ik ongemakkelijk om vervolgens te vragen of ze er niet doodmoe van wordt.

‘Nee, gelukkig niet. Het is soms vermoeiend maar niet pijnlijk, eerder mooi. Met ieder psychologisch traject help ik niet alleen een cliënt verder, ik breek ook een maatschappelijk vooroordeel af. Eigenlijk is dit therapie voor ons beiden.’

Ramadan en Eerste Pinksterdag vallen samen. Nadat ik de kerkdienst heb bezocht haalt de vastende Kammite me op om braaf langs Sloterplas te wandelen. Hoewel, op haar hakjes en in dergelijke tropische temperaturen wordt wandelen lastig. Een bankje dan. We trekken nogal bekijks. Ik in mijn short en hemd en zij een stuk bedekter. Alsof we een date hebben, zo aan het water. Kammite lacht erom, houdt wel van een beetje provocatie. Op een gegeven moment ga ik zelfs semi-amoureus met mijn hoofd op haar schoot liggen. Gewoon om de boel wat te sarren. Een minuutje, niet meer. Daarna neem ik weer braaf op de punt van de bank plaats om haar wervelende woordenstroom vooral zo goed mogelijk te volgen.

‘Ik groeide letterlijk op tussen de tokkies, zoals de Hollanders dat noemen. Het was een bijzondere context. “Wat mot dat?”, “Ha je wat?”’, doet Kammite haar buurtbewoners lachend na.

Ik hoor het aan je accent.
‘O hoor je dat? Wat leuk’, reageert ze met een dikke L. ‘Ja dat is toch leuk, dat je me zo kan plaatsen?’ zegt Kammite, die overigens prima ABN spreekt.

Ze zat als kind op een witte protestantse school met flink wat religieus onderwijs. Ze groeide op met de bijbel en het psalmboek in de hand en vond het prachtig. ‘We waren een van de weinige Marokkaanse gezinnen in Pijlsweerd en Ondiep. Later werden het er wel wat meer. In groep acht was ik met twee anderen de enige “allochtonen”. Wel ironisch dat ik dan als enige naar het gymnasium mocht.’

Van de hele klas?
‘Ja, van de hele klas’, lacht ze. ‘Van de rest gingen een aantal naar de havo maar het merendeel naar de kaderberoepsopleidingen.’

Het Gerrit Rietveld-gymnasium, dat destijds nog College Blaucapel heette, was misschien wel witter dan de basisschool waar ze eerder op zat, maar evengoed ervoer Kammite het als een warm bad. ‘Het bijzondere is dat ik me pas nadat van die school af was gegaan realiseerde wat een fijne omgeving het was om mezelf te zijn en leren kennen. Des te groter was het contrast toen ik vervolgens naar de universiteit ging. Ik voelde me echt gerespecteerd op mijn middelbare school. De docenten stelden zich heel fijn op. Je zit zes jaar in dezelfde klas. Dat gaf een bepaalde bescherming. Je leerde elkaar kennen en aan elkaar wennen. Ik ben aan het eind van m’n schooltijd uit mezelf een hoofddoek gaan dragen en dat werd zo mooi omarmd. Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik daardoor anders werd bejegend.’

Tegelijk trokken Kammite en de spaarzame andere biculturele leerlingen wel naar elkaar toe. ‘We waren met een groep van vijf “allochtone” jongeren op het hele gymnasium. Een Bosnisch-Joegoslavisch-Nederlandse. Een Afghaans-Nederlandse. Een Turkse Nederlandse en twee Marokkaanse Nederlanders. Ik ben nog steeds goed bevriend met hen. We waren misschien een gang, maar er was zoveel diversiteit tussen ons. De Bosnische was van huis uit wel moslim, maar praktiseerde weinig. De Afghaan had een heel andere cultuur. En de Turkse en de Marokkanen waren ook weer verschillend.’

‘Maar jullie deelden in ieder geval wel in naam de islamitische identiteit’, merk ik op.
‘Er was ook een Nederlands vriendinnetje in de groep dat nu in Spanje woont. Zij was atheïst. Maar ja, we trokken als biculturele leerlingen wel naar elkaar toe. Het is toch een kwestie van herkenning. Op de universiteit moest die veiligheid helemaal opnieuw worden verworven en opgebouwd. Toen ik daar kwam dacht ik wel: “O wow, wat ben ik blij dat ik in een witte omgeving ben grootgebracht die wel wat kleur kende.”’

Vraag je je wel eens af wat er gebeurd was als je in een zwarte wijk was opgegroeid zoals Overvecht, Slotermeer of de Schilderswijk en een van de vele ondergewaardeerde stapelleerlingen was geweest die van het vmbo naar de universiteit op moet klimmen?
‘Jazeker, ik trek hem zelfs verder door: wat als ik nog steeds in dat dorpje in Marokko had gewoond en daar nog steeds had geleefd? Kijk, wat men niet kent, mist men niet. En hoewel het een eenvoudig bestaan was, hadden we daar wel een goed bestaan. Een boerenbestaan. Hard werken. Dus dan was ik waarschijnlijk begin jaren twintig getrouwd, was er een goede echtgenoot voor me gezocht. En had ik nu een stuk of drie, vier kindjes.’

Kun je het je voorstellen?
‘Nee!’ Ze lacht luid. ‘Hoewel er ergens wel iets van die heel conservatieve boerin in mij zit, zelfs al noemt iedereen mij progressief en open minded.’

Assmaa Kammite vertelt over haar liefde voor de Rif. Ze is een trotse Amazigh, beter bekend als Berber. ‘Veel mensen zien cultuur als iets dat naar beneden trekt maar ik vind er juist mooie elementen in die mij optillen. In de Riffijnse cultuur heeft de vrouw een heel sterke positie. Mijn vader was de enige zoon en had zeven zussen. Ik ben opgegroeid met die tantes in hetzelfde huishouden. We woonden zowel in Marokko als hier in Nederland lang samen. Ik had zoveel sterke vrouwen om mij heen. Op mijn oma werd vroeger wel een beetje neergekeken omdat ze maar één zoon had. Zo van ”wie gaat al dat harde werk op het land doen?” Haar antwoord? “Een van mijn dochters is gelijk aan tien van jullie zonen.” En zo heeft ze ze ook altijd opgevoed.’

Zelf had Kammite twee broers, twee jongere zusjes en was ze als middelste kind de oudste dochter. ‘Het zijn van een middelste kind is nooit makkelijk’, zegt ze erover. ‘Je gaat heel erg je best doen om zichtbaar te blijven. Bij mij heeft dat zich geuit in mijn prestatiedrang als kind. In het altijd alles goed willen doen. Ik denk dat het ook nog wel resoneert in mijn huidige bestaan en mijn ambitie het onderste uit de kan te halen. Als ik wat doe leg ik de lat hoog.’

Zus-loos voelde Kammite zich echter niet met al die (jonge) tantes. ‘De leeftijdsverschillen waren niet huge. Dus ze maakten ook wel de weg vrij en waren voor mij sterke rolmodellen als jong meisje. Zo had ik een jonge tante die eind twintig was en op zichzelf ging wonen. Nou dat was in die tijd een unicum. Als meisje dacht ik: “Dat wil ik ook! ik wil ook mijn baantje, mijn huisje en van niemand afhankelijk hoeven zijn.” Die onafhankelijkheid was wel iets dat we via mijn grootmoeder en in ons gezin meekregen. Ik vind nog steeds dat ik heel sterke tantes heb. Ze zijn heel sterke vrouwen met een eigen identiteit.’

Kammite omschrijft haar jonge zelf als een echte tomboy. ‘Ik was van het sporten, het voetballen, ik trok altijd met mijn broers op. Het jongensachtige meisje, dat was ik. Mijn haar strak in een vlecht, want anders was het maar lastig.’ Het is moeilijk voor te stellen bij de lady die ik nu voor me zie.

Was in jouw thuissituatie cultuur belangrijk of religie?
Kammite moet even nadenken. ‘Mmm, ik vind dat een lastige vraag. Die twee zaken lopen vaak door elkaar heen. Islam was bij ons thuis zeker een ding. We gingen ook naar de koranschool op zaterdag of zondag om verzen en de geloofsleer te leren. Maar mijn ouders vonden het belangrijk dat we vooral in deze cultuur kunnen functioneren.’

‘Eigenlijk groeide je op met twee religies’, merk ik op. ‘Als je zelfs psalmen moest zingen op school…’
‘Weet je wat het mooie daaraan was? Het christendom bracht me juist dichter bij de religie thuis. Als ik dan het verhaal van Jozef en zijn mantel hoorde, of we zongen met juffrouw Hanneke en haar gitaar “Lees de bijbel, bid elke dag opdat je groeien mag” ging ik thuis vragen stellen, van: “Pa, wat betekent dat dan?” en: “Kijk, we moesten vandaag een tekening maken bij Genesis maar wat is dat?” Dit gaf mijn ouders een ingang om over geloof te praten. Dan zei mijn vader bijvoorbeeld: “Dat is mooi dat je dat hebt geleerd, want dit verhaal kennen we ook in de islam en dat gaat zo.” Hierdoor heb ik een enorme voorsprong gekregen in religieuze kennis.’

Kammite zou als ze zelf kinderen zou hebben ze zonder twijfel naar een christelijke basisschool sturen. ‘Dit klinkt krom, maar ik prefereer christelijk onderwijs omdat ik daar zoveel baat bij heb gehad. Heel veel mensen vrezen dat het een wig creëert tussen de islam en het kind, terwijl het ons juist heel dicht bij elkaar heeft gebracht en ik leerde gelijk die “joods-christelijke-cultuur” en traditie kennen en makkelijk meepraten met mensen met andere culturele en religieuze achtergronden, daar waar moslims met islamitisch onderwijs die verhalen ook wel kennen maar niet de vertaalslag kunnen maken naar bijvoorbeeld het christendom.’
‘Wel een groot verschil, het christelijk onderwijs met juffrouw Hanneke en haar gitaar en de madrassa of zogeheten koranschool. In de madrassa draait alles om het eigen maken van de koran.’

Eigen maken of memoriseren?
‘Beide. Zij zien het memoriseren als het eigen maken, want ze kunnen het reciteren. Mijn vader heeft als jonge man ooit de hele koran uit zijn hoofd moeten leren.’ Kammite wil niet te streng zijn, maar heeft wel kritiek op de didactiek op de koranscholen van de jaren negentig. ‘Vaak was het iemand die dan buiten Nederland wel de koran had bestudeerd, maar geen pedagogische skills had. Ik geloof best in de goede intenties, maar ik begrijp wel waarom de koranscholen bij zoveel kinderen weerstand oproepen. Als ik er als volwassene op terugkijk denk ik wel: goh, wat ontbrak er veel zoals goede uitleg van de context. Ik weet nog dat ik als kind van acht, negen, met termen als de hel werd geconfronteerd en de straffen in de hel en Gods oordeel en echt doodsbang was en ook sommige onderwijzers daardoor heel eng vond. Een kind is helemaal niet bekwaam om met zulke concepten om te gaan.’

‘Wat zij probeerden te doen was moraal aanleren over goed en slecht, wat in principe fantastisch is, maar de manier waarop ze dat deden, daar heb ik zeker wel commentaar op, nu terugkijkend. En in principe waren er niet veel opties destijds. Je was als ouder al blij als je kind ergens op koranles kon. Wel had je het OALT, dat je op de basisschool zelf met overheidssubsidie Marokkaans-Arabische of Turkse taallessen kreeg op woensdagmiddag vanuit de gedachte dat de moedertaal ook heel belangrijk was en je die moest stimuleren.’

O God, dat kun je je nu toch niet meer voorstellen?
‘Nee, dat is nu onvoorstelbaar, maar toen was dat normaal en was er ook geld voor. We hadden meester Mohammed, van alle namen, en dan leerden we het alfabet en Darija, het Marokkaans-Arabische dialect.

Maar om terug te komen op je eerdere vraag: ik ben heel blij met de mix die we hebben gehad. Ook als het om cultuur gaat. We gingen ieder jaar terug naar Marokko om feeling te houden met het dorp. We kwamen daar dan ook de hele vakantie niet meer uit. Afgesloten van de buitenwereld. We hadden niet veel dieren meer. Maar we gingen wel andere mensen helpen. En we gingen natuurlijk heel idyllisch naar de waterput, want stromend water was er niet. En daar ontmoette je dan de andere kinderen van het dorp.’

‘Je leest mijn favoriete bijbelvertaling, de King James’, zeg ik.
‘Prachtig boek. Heel goed voor mij om Christus beter te begrijpen. Dat is ook waarom ik voor deze vertaling heb gekozen. Ik kende de bijbel al van mijn basisschooltijd en ook van mijn middelbare school. We kregen zo’n mooie blauwe schoolbijbel, zo’n pocketversie, weet je wel? Daar heb ik altijd heel veel in gebladerd, niet alleen in de lessen maar ook buiten de lessen om. Voor mij kwamen op zulke jonge leeftijd christendom en islam al heel natuurlijk samen en vloeiden ze ook wel in elkaar over. Dat is waarom ik altijd al bezig was met christendom en het verhaal van Christus.’

Er zullen moslims zijn die heel ongemakkelijk worden als je zo over Jezus praat.
‘Dat klopt. Kijk, als ik het over Isa heb – vrede zij met hem – dan is het allemaal mooi. Maar als ik Jezus Christus zeg, roept dat associaties op met de kerk en het christendom en dat is dan vaak allemaal fout. Maar ik heb daar lak aan. Laat die haren maar overeind staan, of laat ze die afscheren, maakt mij ook niets uit. Ik vind het mijn plicht me in alle religies en levensbeschouwingen te verdiepen. Ik verwijt mensen die kiezen voor de islam vaak dat ze zich heel bewust moslim noemen, maar niet weten wat ze geloven. Dat vind ik heel kwalijk. Want op het moment dat je dan zegt: “Ik mag geen vrienden zijn met een christen of jood”, gaat dat nogal botsen met deze samenleving. Ik zie het als mijn levenstaak deze samenleving wat mooier en leefbaarder te maken. Dat moeten we samen doen.’

Het was een katholieke Argentijnse collega die Kammite twee jaar geleden in een theologische discussie op de King James Bijbel wees. ‘Hij vond een bepaalde herkenning in de islam en hoe hij zijn geloof belijdt. Hij komt ook regelmatig heel trots vertellen dat hij weer een soera heeft geleerd. Zodoende hebben we een heel leuke werkrelatie en vriendschap opgebouwd, waarin we vaak theologische gesprekken hebben. En hij zei: “Weet jij wat je eens een keer moet proberen? The King James.” En toen kreeg ik hem van hem cadeau.’

Maar Christus dus, mijn grote vriend.
‘Wat ik mooi vind aan Christus en wat ik meer in mijn islamitische gemeenschap terug zou willen zien, is de focus op liefde te leggen. Ik ben in het verleden wel bij kerkdiensten geweest en heb veel christelijke vrienden en wat ik daar altijd zo mooi aan vond en waar ik zoveel energie uithaalde, was hoe zij over liefde praatten.’ Kamitte refereert in haar praten over die liefde aan 1 Korinthiërs 13, met de befaamde passage: ‘Love is patient, love is kind. It does not envy, it does not boast, it is not proud. It does not dishonor others, it is not self-seeking, it is not easily angered, it keeps no record of wrongs. Love does not delight in evil but rejoices with the truth. It always protects, always trusts, always hopes, always perseveres.

Love just is’, zegt Kammite hierover. ‘It just is. And you can feel it. Het is, je voelt het en het geeft en het neemt.’

Maar, zonder nu in al te theologisch geharrewar te willen belanden, hoe kijk je dan naar soera 5:18 waarin expliciet staat: ‘En de joden en de christenen zeggen: “Wij zijn de zonen van Allah en Zijn geliefden.” Zeg: “Waarom straft Hij jullie dan voor jullie zonden?” “Nee! Jullie zijn (slechts) mensen die Hij geschapen heeft”’?
‘Wow, nee dat is niet hoe ik de strekking interpreteer. Het strookt niet met hoe ik God ervaar, of liefde binnen de islam ervaar. Wat ik wel merk is dat binnen de islam zoals deze praktisch wordt vormgegeven erg vanuit halal en haram en een heel binair stelsel wordt geredeneerd, het is nog net geen computer maar het zijn een hoop nul-ééntjes.’

‘Hoe gaat het met jouw nul-ééntjes?’ wil ik weten.
‘Ik geloof niet in nul-ééntjes en dat maakt het leven een stuk aangenamer. Minder gestresst. Heel veel van die regeltjes moeten vanuit hun doelmatigheid worden bekeken en dat vergeten heel veel mensen. Al die harams en halals worden ook niet op een spectrum geplaatst, want dat kan natuurlijk niet.’ Kammite lacht.

‘Nou officieel heb je natuurlijk nog afkeurenswaardig en aanbevelenswaardig en dat soort dingen. Hier met mij zitten is waarschijnlijk niet aanbevolen maar wel toegestaan’, grap ik.
‘Ligt eraan wie je het vraagt. Misschien is het niet eens toegestaan. Die blote benen, boven de knieën ook nog eens! Oeeeehoee… Ik zie je aura, zoals dat in de islam wordt genoemd… Dat wil zeggen: de gedeelten die je eigenlijk niet mag zien.’

We lachen luid. ‘Schat, ik weet dat ik je heel wild maak nu’, reageer ik zwoel.
‘Oe, ik word helemaal gek. Daarom dat snelle gepraat van mij.’

‘Precies’, antwoord ik.
Ahoedoe bilah wa sjatan wa radjim’, (ik zoek mijn toevlucht bij Alalah tegen het kwade van satan de vervloekte) mompelen we tegelijk. Kammite slaat haastig een kruis. Er volgt een lachsalvo. De overwegend gesluierde omstanders zijn onderhand de meewarigheid voorbij.

Assmaa Kammite deed eigenlijk gymnasium om medicijnen te studeren. Het werd rechten. Ze hield het twee jaar vol. Toen stopte ze met haar studie om na een sabbatical van een half jaar de studie psychologie te beginnen. ‘Mijn ouders waren daar absoluut niet blij mee. Er is een reden waarom je bij Turkse of Marokkaanse Nederlanders eigenlijk nooit zal horen: “Ja, pa en ma, ik ga na m’n school even een jaartje niets doen”, zoals voor zoveel witte kids wel normaal is. Allereerst is er vaak het geld niet en kun je – zeker als vrouw – niet zomaar een jaar naar Thailand vertrekken. Maar je kunt ook niet zeggen: “Ik ga even mezelf vinden.” Want wat moet er te vinden zijn? Je kunt alleen haram vinden. Tijd is geld. Er moet worden gewerkt. In heel veel gezinnen zie ik die boerenmentaliteit terug. Er moet altijd worden gewerkt.’

‘En tegelijk leven ze met de dag. Er is geen tienjarenplan. Het geld is nu. Dan geven we het nu uit. Er is veel kortetermijndenken. Ook met problemen. Er wordt altijd een kortetermijnoplossing bedacht. In plaats van dat er wordt gedacht: “Goh, hoe pakt dit uit op de lange termijn? Is er een structurele oplossing mogelijk?” Ik wilde heel graag psychologie studeren omdat ik de link wilde kunnen leggen tussen wat we denken en wat we doen. Hoe kan het dat mensen hetzelfde denken en toch zo anders doen? Of hetzelfde doen terwijl ze zo verschillend denken? En wat is daar de wijsheid achter?’

Kammite heeft een eigen praktijk waarin ze vooral groepssessies doet en daarnaast werkt ze voor een externe zorginstelling ook één op één. ‘Ik doe veel groepstrainingen met mogelijke cliënten, maar ook business to business waarin ik bijvoorbeeld professionele hulpverleners train.’

Kammite werkt nu al zes jaar als psycholoog. In eerste instantie onderscheidde ze zich met haar meertaligheid en deed ze veel interculturele hulpverlening, maar langzaam verschoof dit. ‘Ik vond het enorm dankbaar werk en vond het fantastisch om in het Tamazight de oudere generatie te kunnen helpen en problemen inzichtelijk te maken die anders niet gezien zouden worden en dat doe ik nog steeds. In eigen taal behandelen en benaderen. Maar ik ben me er ook van bewust dat Nederland niet alleen bestaat uit migranten en de mens is niet alleen een migrant. De mens is veel breder. En die wil ik ook begrijpen en daar wil ik ook in groeien. Daarom zie ik nu een breed scala aan cliënten, waaronder veel met een LHBTIQ-achtergrond. Ook veel transgender-personen. Al hebben die vaak wel een biculturele achtergrond.’

Waar komt je interesse in die laatste groep vandaan?
‘Omdat het een groep is die er heel vaak ongewild voor kiest om hun spiritualiteit en hun band met God – die er misschien in eerste instantie wel was – overboord te gooien. Kijk, als die band met God er nooit is geweest en er is geen behoefte aan, prima, dan gaan we er ook niet aan zitten. Maar ik zie dat er een hele grote groep is die spiritualiteit kende, maar zich genoodzaakt voelt dat los te laten vanuit de gedachte: wie ik ben en wat ik geloof gaan niet samen.’

‘Ze kunnen God niet los zien van het godsbeeld dat ze hebben meegekregen waarin geaardheid en genderoriëntatie nooit samen kunnen aan met wie ze zijn’, merk ik op.
‘Precies. En daarmee ontbreekt er ook acceptatie van het zelf. Ik vind – en hier verschil ik misschien van veel moslims – dat de islam, als mijn religie en mijn spiritualiteit, niets zegt over het zelf. Ik heb een persoonlijkheid. Ik heb persoonlijke eigenschappen. Ik ben misschien verlegen van mezelf, of heel avontuurlijk. Dat zijn allemaal persoonlijke eigenschappen. Maar de islam vervangt de persoonlijkheid niet. En dat gebeurt wel heel veel. Want wat ik dan zie zijn bijvoorbeeld meiden die eerst heel outgoing waren en avontuurlijk en fantastisch, en dan hun hele persoonlijkheid wegzetten en inruilen voor de kuise moslimvrouw. Ze laten zichzelf los. En volgen opeens een beeld in navolging van Amina, een van de vrouwen van de Profeet bijvoorbeeld, of een van de andere grote vrouwelijke figuren binnen de islam, die niet hardop zouden lachen waar mannen bij zijn en die hun stem niet zouden verheffen. Ik vind dat zo jammer.’

‘Wat ik zo belangrijk vind bij de LHBTIQ-groep – en deze problematiek botst het meest bij hen, merk ik – is dat zij voor zichzelf geen enkele plek zien in het geloof en hunzelf niet werkelijk kunnen accepteren.’

‘Ik herken dit’, zeg ik. ‘Mensen zijn vaak verbijsterd dat ik geloof. Religie, geaardheid en mijn genderoriëntatie zouden simpelweg niet samengaan. Het zijn niet alleen gelovigen die dat vinden, maar ook ongelovigen. Het lijkt een universeel idee van complete uitsluiting.’
‘Ja en heel veel mensen kiezen er dan maar voor het ene ten koste van het andere te omarmen. Maar je geaardheid is een onderdeel van je diepere zijn en individualiteit. Dat zou los moeten worden gezien van religie en spiritualiteit. Je hebt een ik, naast de religie. En als je er daarna voor kiest iets met die religie te doen, fantastisch, hoeft niet, mag, maar het kan. Geaardheid an sich is onderdeel van de individualiteit, van het eigen ik. Hoe zou mijn geaardheid of gender mijn band met God in de weg staan?’

Hoe kijk je naar de christelijke gedachte die je nu steeds vaker ook binnen de islamitische gemeenschap ziet waarin je wel ‘homofiel’ zou mogen zijn, maar niet ‘homoseksueel’. Ergo: dat die geaardheid er is, is dan zo, maar je mag er niet naar handelen.
‘Complete zelfverloochening. En ik zie ook de andere kant, hè? Ik heb heel veel vrouwen in behandeling gehad die dan ontdekken dat hun man homoseksueel is. En laten we eerlijk zijn: die mannen handelen er wel naar. Dat vind ik ook het bijzondere van die gedachte: je mag het wel zijn, maar je mag er niets mee – het is gewoon marteling.’

Kammite gaat het gesprek hierover niet uit de weg. Waar witte hulpverleners vaak alle pijlen op de moeder richten, probeert ze onder andere via systeemgesprekken juist vaders en mannelijke rolfiguren bij gesprekken te betrekken. Hoewel dat lastig is in een gemeenschap waar zoveel wordt gescheiden en vaders vaak de grote afwezigen zijn. ‘De vader heeft een veel prominentere rol in het gezin dan ze denken, met name voor de dochters. Dat wordt echt onderschat. Dochters horen bij de moeders, de moeders hebben hun praatjes met hen. De bevestiging die ze hun dochters geven. Of de latere relatiepatronen die bij heteroseksuele vrouwen ontstaan.’

Ze zoekt soms actief oudere Marokkaanse mannengroepen op om juist dit soort onderwerpen bespreekbaar te maken en hun denken open te breken. ‘Ik probeer juist ook in voor het oog homogene groepen de diversiteit aan ideeën en opvattingen bloot te leggen.’ Daar staat ze dan, als enige vrouw, vooraan te praten over ‘die homo’s’. Ze is in die hoedanigheid een van de weinigen die dat doet en durft in Nederland. ‘Ook al word ik daar weggefloten of kijken ze me vies aan, ik vind het belangrijk dat ze zich er bewust van zijn dat het een actueel probleem is vandaag de dag. En dan wordt er vaak gezegd: “Ja, maar dat bestond vroeger in ons dorp niet.” Nou… wow… je wil niet weten wat voor verhalen ik hoor, van mannen die zijn misbruikt, vrouwen die zijn misbruikt, op heel jonge leeftijd, juist in dat dorp. Dat hele seksueel misbruik juist van jongens is een enorm groot probleem, juist in Marokko. Homofobie kan ook voortkomen vanuit dat trauma van het eigen misbruik.’

Het helpt dat ze een bepaald aanzien heeft als ‘doktora nafsiyya’ (psycholoog), hoewel ze door de meeste mensen gewoon ‘dokter’ wordt genoemd en dat verschil niet helemaal wordt gezien. Hierdoor krijgt ze een bepaald basisrespect. ‘Maar het is voor hen ook wel even wennen om bepaalde dingen uit de mond van een vrouw te horen.’ De hoofddoek geeft misschien meer gezag en geloofwaardigheid in dergelijke situaties, maar kan ook vooroordelen met zich mee brengen. ‘Zo geven sommigen geen hand’, merkt Kammite op. ‘En denken ze: ze zal niet met mij in een ruimte willen zitten of ze kan niet praten over seksualiteit in deze man-vrouwverhouding.’

Kammite’s rode lijn in haar werk is wellicht wel zelfacceptatie en zelfontplooiing. ‘Mijn interesse voor het LHBTIQ-vraagstuk en überhaupt de mens ongeacht welke geaardheid ook, komt juist hier vandaan: je moet eerst jezelf staande hebben, het zelf, wie je gelooft te zijn en wat jij bent, en vanuit daar kun je parallel een band met God, een partner of je familie aangaan. Maar zolang dat zelf niet staat, ben je eigenlijk “set up for failure” in heel veel opzichten. En dat laatste zie ik zoveel. Daarom kunnen zoveel mensen zich nooit ontworstelen aan de verwachtingen van familie en gemeenschap. Het zelf is niet gekend. Zeker in een collectivistische cultuur waarin het zelf eigenlijk niet bestaat. Het zelf is wij, wij zijn ik.’

Is dit waarom bijvoorbeeld de Marokkaanse gemeenschap zo vaak op de buitenkant is gericht, zij het in de vorm van het zijn van de vrome moslim of de succesboy met dure auto en vijf telefoons?
‘Ja, ik denk dat het wel met elkaar samenhangt. Omdat je als gemeenschap een bepaald beeld hoog te houden hebt, dus word je door de gemeenschap ook op externe factoren beoordeeld. Want het zelf, daar praten we niet over, het is niet ik, het is wij.’

Kammite vindt het kwalijk dat de gemeenschapsdruk mensen belet om tot ‘hun volste potentieel’ te komen. ‘Het is niet eens zozeer dat mensen klein worden gehouden omdat ze dit niet mogen of dat niet. Maar in het individu, in het zelf, het nooit kunnen volgroeien van het zelf ligt het probleem, die eigen ik echt op individueel vlak. Dat vind ik jammer. Omdat ik denk dat mensen daardoor heel veel voldoening missen en tevredenheid met zichzelf. En mensen heel lang en onnodig in ontevredenheid leven.’

Of een stil lijden?
‘Ja, ik zie heel veel stil lijden. Nu ben ik natuurlijk biased, want ik zie heel veel lijders in mijn werk’ – Kammite lacht gepijnigd – ‘er komt niemand een leuk bakje koffie doen en een gezellige conversatie houden.’

Behalve ik.
‘Ja, behalve jij. En dan wordt het nog complex. Maar ik zie los van mijn werk, ook op andere vlakken, heel veel mensen struggelen. Als we het hebben over gemeenschap, “ik ben eigenlijk het collectief maar ik wil ook een individu zijn, maar in het collectief willen ze niet dat ik het individu ben”, is het vaak of-of, een voortdurend kiezen. Tussen de familie en de liefde, jezelf of God, je ambitie of je echtgenoot, het is altijd of-of.’

Kammite zoekt altijd naar common grounds met haar cliënten. ‘Ik begrijp die angst wel en dat initiële ongemak van veel mensen wanneer ze mijn hoofddoek zien. Ik benoem dat dan ook en zoek naar dat wat verbindt. Laatst had ik een heel volkse cliënt bijvoorbeeld. Dan vertel ik over mijn opgroeien in Ondiep en de grote feesten voor de deur’, vertelt ze in plat Utrechts. ‘We kregen direct een klik. Daarbij: ook ik heb vooroordelen die vaak ontkracht worden in dat soort sessies. Daarom vind ik het ook zo leuk om met groepen te werken. Je bereik is dan groter, je voelt de groepsenergie. Ik heb heel vaak voor witte groepen gestaan en dan reageren ze toch heel verrast. En dan heb ik het gevoel dat ik dat proces van het aankaarten en afbreken van vooroordelen in één keer met een groter publiek en een breder bereik heb. Zeker voor mij is dit ook een vorm van leren en groeien.’


Op 11 mei verscheen Mounir Samuels nieuwste boek *God is groot: Eten, bidden en beminnen met moslims (uitgeverij Jurgen Maas)*