Je hebt me waar je me hebben wilt

Yves Petry
De achterblijver
De Bezige Bij, 286 blz., € 18,90

Yves Petry beheerst als geen ander de kunst van de scheefpraat. In zijn vorige roman De laatste woorden van Leo Wekeman (2003) trakteerde hij ons via de hoofdpersoon op een niet te remmen reeks uit de hand lopende betogen over seksualiteit, relaties en identiteit waarbij zijn ‘held’ een bijna wellustig verlangen demonstreerde alles recht te praten wat krom is. Ook in zijn nieuwste roman laat hij de hoofdfiguur de ene na de andere redenering ten beste geven die alleen de bedoeling heeft eigen onmacht, frustratie en dwangmatig gedrag weg te rationaliseren. Om het verhaal gaat het Petry ook nu niet echt, er zijn geen dramatische wendingen of opgewonden gebeurtenissen, al zit het ook deze keer allemaal weer ingenieus in elkaar. Ene Gram Goetleven, wiskundige, is in dienst van het bedrijf Carnitec, waar men aan een supercomputer werkt. Hij is uitgenodigd om er in Los Angeles een lezing over te houden. Een paar dagen daarvoor heeft hij zijn vader begraven, die zich in de laatste jaren van zijn leven overgaf aan stuitend gedrag: hoerenbezoek, dwangmatig koken en nog meer nietsnutterij waar hij zich geweldig aan ergerde.

Goetleven probeert de hele roman zijn lezing in elkaar te zetten. Hij spreekt de lezer regelmatig aan met ‘dames en heren’ en laat in zijn betoog ook het gedrag van zijn vader, zijn eigen positie binnen het bedrijf en het leven in het algemeen de revue passeren. Het is overigens de bedoeling dat de supercomputer, die men in het bedrijf ‘Baby’ noemt, ieder menselijk denken en handelen uiteindelijk overbodig maakt. De held is hier enorm enthousiast over en houdt bevlogen pleidooien voor dit geweldige apparaat waardoor eindelijk zelfs domheid geëlimineerd kan worden: ‘Totale en sekseloze intelligentie, tot voor kort nog maar een onzuiver droombeeld, zal kraakheldere realiteit worden. Het zou om te huilen of te huiveren zijn, dames en heren, ware het niet dat een gelukkig toeval juist ons heeft geselecteerd om aan de basis van deze ontwikkeling te liggen, waardoor we ze ook een beetje de onze mogen noemen.’

Petry krijgt het voor elkaar een van de onsympathiekste romanfiguren van de laatste dertig, veertig jaar aan het woord te laten zonder dat je als lezer het gevoel hebt naar een merkwaardig aapje te kijken. Zonder je te vervelen. Die Goetleven redeneert en oreert zo indringend dat je je langzamerhand in een roes voelt opgenomen waaruit geen ontsnappen meer mogelijk is. Ja, begin je te denken, hij heeft nog gelijk ook, waarom altijd die angst voor machines? En die vader is een stakker, de moeder een zacht eitje en die vriend van haar een rare onbetrouwbare kwibus. Goetleven doorziet het toch maar, hij weet precies hoe een koe een haas vangt en laat zich niet flessen door allerlei halfzacht gepsychologiseer. Tussen neus en lippen door levert hij vernietigende en oergeestige commentaren op allerlei actuele hang-ups, zoals _Star Wars-_films. Zelfs de romankunst moet eraan geloven, waarna hij opmerkt: ‘Blijkbaar had ik toch iets overgehouden aan het terloopse doorbladeren van het literaire supplement.’ Hij slaagt erin overal een voor hem gunstige draai aan te geven. Natuurlijk heeft de held af en toe nog wat verwarrende herinneringen aan iets als kerstvieringen, maar dan staat er: ‘Ik had geen helder beeld voor ogen van een welbepaalde kerstboom en mijn herinnering gold geen welbepaalde scène die zich op een welbepaald ogenblik zou hebben voorgedaan.’ Af en toe gaat hij overigens op het fabrieksterrein van Carnitec naar een bordeel dat Anybody heet en waar personeelsleden zich op stuitende manieren seksueel kunnen laten misbruiken, zodat ze zich daarna weer normaal kunnen voelen: ‘Soms glijdt er eentje van zijn kruk, soepel als een krokodil die te water gaat.’

Waarom vond ik dit zo’n goed boek dat ik ademloos las? Het bevat geen leuke avonturen op een mooi vakantie-eiland, de seks is stuitend of vergeefs, en je krijgt er geen ‘fijn gevoel’ van. Ook merk je snel genoeg dat Petry met een omkering werkt. Dit is een anti-utopische roman, die technologische vooruitgangsprietpraat wil doorprikken door er een pleidooi voor te houden. Die Goetleven prijst zo ongeveer alles het graf in. De kracht van dit boek zit ’m in de overtuigende, schitterende stijl. Petry toont zich een groot kenner van ambtelijke en wetenschappelijke taal, ook al in zijn vorige roman. Hierboven gaf ik een paar voorbeelden van zijn wonderlijke, meeslepende, af en aan golvende zinnen die uit dat jargon afkomstig zijn. ‘En dan, plots, even snel als ze was opgekomen en nog voor de andere zich had kunnen omdraaien en op de vlucht slaan, kwam er een einde aan deze misplaatste eruptie van jovialiteit en staarde mijn partner, intussen net zo verlegen geworden als ik – staarden wij beiden in een diepe krater van stilte.’ Deze zinnen moeten het hebben van tussenstukjes, bijzinnen, relativeringen en verbijzonderingen. De schrijver parodieert deze taaljargons zonder dat het er allemaal te dik bovenop ligt, hij houdt ervan en heeft er tegelijkertijd een gloeiende hekel aan. Zoals ook Marcel Proust ooit het taaljargon van zijn milieu zowel liefhad als parodieerde. Op een gegeven moment zat ik er breed bij te grijnzen en dat hield niet meer op. Verdomme Petry, dacht ik, je hebt me waar je me hebben wilt. Gaat het daar niet om in literatuur?