`je hebt vietnam vergeten’

De jury - Yves van Kempen, Marc Reugebrink, Xandra Schutte, Jacq Vogelaar - koos dit keer Tim O'Brien In het Meer van de Wouden tot Groene Boek van de Maand.
De overige drie mededingers waren:
John Berger, Een ander antwoord: Verhalen en beschouwingen (samengesteld door K. Michel, vertaling Sjaak Commandeur, De Bezige Bij, 248 blz., 339,90). Door K. Michel uit een vijftal bundels gekozen stukken van Berger, waarin de auteur via beschouwingen over beeldende kunst en verhalen over het landleven zijn manier van kijken en vertellen uitlegt.
Ben Okri, Een gevaarlijke liefde (Vertaling Tinke Davids, uitg. Van Gennep-Novib, 399 blz. 345,90). Okri geeft een zinderend en bedwelmend beeld van de menselijke mierenhoop in een Nigeriaanse sloppenwijk. Het boek is tegelijkertijd een ontwikkelingsroman over een kunstenaar uit het duistere continent.
John Arbuthnot, Alexander Pope e.a., Herinneringen aan het buitengewone in leven, werken en ontdekkingen van Martinus Scriblerus (Vertaling door Atte Jongstra. Uitg. De Bezige Bij, 180 blz., 339,50). Achttien-karaats satire waarin de spot wordt gedreven met wanen en dwaze theorieën uit de achttiende eeuw.
Tim O'Brien, In het Meer van de Wouden. Uit het Amerikaans vertaald door Maarten Elzinga. Uitg. De Prom, 280 blz., 335,-
IN DE LENTE van 1975, ten tijde van de val van Saigon, ontving de jonge Amerikaanse schrijver Tim O'Brien een lange verwarde brief van een vroegere vriend, Norman Bowker, waarin die vertelt dat hij sinds zijn terugkeer uit Vietnam nergens zijn draai meer heeft kunnen vinden. Hij heeft het gevoel in Vietnam gestorven te zijn, dat hij in de stront is verdwenen waarin hij zijn vriend Kiowa zag verdrinken, die hij misschien had kunnen redden als hij niet overweldigd was geweest door de stank. Op grond van O'Briens eerste boek vraagt hij of deze niet zijn verhaal zou kunnen schrijven, over een man die zou willen praten over wat hem is overkomen, maar het niet kan.

O'Brien, in die tijd bezig aan een nieuwe oorlogsroman, Going after Cacciato, die in 1978 zou verschijnen, werd geraakt door de brief, misschien wel te meer omdat hèm de terugkeer uit de oorlog in het gewone leven helemaal niet moeilijk was gevallen. Hij praatte er weliswaar nooit over, maar in wat hij schreef, bleef hij er voortdurend mee bezig. Eerst probeerde hij Bowkens verhaal in zijn lopende roman in te passen. Het hoofdstuk bleef echter wrikken; het technische probleem - hoe Bowdens belevenissen te vertalen in termen van het romanverhaal - bleek vooral een inhoudelijke kwestie. Zonder de stront waar Bowden zijn vriend in zag wegzakken, bleven de bespiegelingen van de dolende veteraan, tijdens een zich almaar herhalende autotocht rond een meer, in de lucht hangen. Maar, zo stelde O'Brien vast, het voornaamste wrikpunt zat ’m in het feit dat hij bezig was met een oorlogsroman en het ingevoegde hoofdstuk - ‘Over moed’ - een verhaal over na-de-oorlog was. Hij publiceerde het vervolgens als los verhaal. Toen Bowden het las, reageerde hij teleurgesteld; je hebt Vietnam vergeten, schreef hij aan O'Brien, waar is Kiowa, waar is de stront? In 1978 hing hij zichzelf op.
O'BRIEN herschreef zijn verhaal, dat voor een deel ook zijn eigen verhaal was. De poging om het verhaal in zijn roman onder te brengen was ook mislukt omdat hij ervoor terugschrok direct over die nacht in het Vietnamese dorp te schrijven of die zelfs maar in herinnering te roepen. Als er dan meer afstand nodig was, die kennelijk ook de romanvorm niet in voldoende mate bood, dan moest een truc een uitweg bieden, de omweg.
In het Meer van de Wouden uit 1994 is eveneens een naoorlogsroman en in zekere zin een uitgewerkte versie van het verhaal 'Over moed’. Een oorlogsverhaal gaat in de eerste plaats over feiten en directe belevenissen, in welke vorm en met welke bedoelingen dan ook. Wat Vietnam betreft waren de feiten door televisie en schrijvende pers al meteen bekend, vandaar dat de literatuur erover veel sneller dan bijvoorbeeld die over de Tweede Wereldoorlog uit verhalen bestond over de beleving en de interpretatie van de gebeurtenissen, over de (opspelende, haperende) herinnering, over het doorzieken van de oorlog in het leven van de direct betrokkenen die hun vroegere bestaan moeten vervolgen.
Als de hoofdpersoon van O'Briens nieuwe roman, John Wade, in september 1986 door het verleden wordt ingehaald - wanneer namelijk op het moment dat hij in de afdeling Minnesota van de Democratische Partij vrijwel zeker de voorverkiezingen gaat winnen, kranten zijn betrokkenheid bij het bloedbad van My Lai, op 16 maart 1968, onthullen - denkt hij ook zelf in termen van ziekte: 'Zo lang als hij zich kon herinneren had hij ernaar gestreefd het goede te doen - voor zichzelf en voor de wereld - en toch had hij op een gegeven moment een vreselijke infectie opgelopen die niet meer genezen of ontsmet kon worden. Hij wist er geen naam voor. Pure verbijstering misschien. Morele desintegratie. Een verloren ziel.’
Na de nederlaag heeft hij zich met zijn vrouw Kathy teruggetrokken in een bungalow bij het Meer van de Wouden, een meer dat diep in Canada dringt, een wirwar van verborgen kreken en baaien, haventjes, bossen en eilanden. Op 20 september 1986 verdwijnt zijn vrouw, waarschijnlijk is zij verdwaald met hun boot. De zoektocht heeft na weken niets opgeleverd, allerlei hypothesen zijn de revue gepasseerd, onder meer dat Wade haar zelf heeft omgebracht, en nu trekt hij zelf per boot het merengebied in om vervolgens ook zelf van de aardbodem te verdwijnen. Het einde blijft in de roman volkomen open - zelfs wordt de mogelijkheid niet uitgesloten dat het tweetal dit alles gepland heeft om elders een nieuw leven te beginnen.
Die onzekerheid inzake de beweegredenen van in dit geval de twee hoofdpersonen, is uitgangspunt, onderwerp en leidraad van de roman. Acht hoofdstukken dragen als titel 'Hypothese’ en dobberen op 'misschiens’ alle kanten uit. Vier jaar onderzoek hebben de schrijver niet meer opgeleverd dan vermoedens en hypothesen, aldus een voetnoot bij een hoofdstuk 'Getuigstukken’, waarvan er ook zo'n stuk of zeven zijn, bestaande uit verklaringen van diverse betrokkenen over de massamoord van My Lai en over de hoofdpersonen nu.
In die voetnoten brengt de schrijver op beslissende punten zichzelf in het geding. 'Heel veel dingen die in dit verslag op het eerste gezicht feiten lijken te zijn - daden, woorden, gedachten - moeten uiteindelijk worden gezien als nauwkeurige maar desondanks denkbeeldige reconstructies van de gebeurtenissen.’
Hiermee verklaart O'Brien niet zomaar alles tot produkt van de verbeelding, integendeel, hij laat zien hoe complex gebeurtenissen in elkaar steken zodra men de moeite neemt er nader op in te gaan; al naar gelang de invalshoek ziet men andere of meer facetten. Dat blijft bij O'Brien niet zomaar een stelling, hij laat het ook daadwerkelijk zien. Hij moet ook telkens achteruit in zijn vertelling, aangezien het gedrag van zijn hoofdpersoon pas verklaarbaar wordt door na te gaan wat hem ertoe gebracht heeft. Ook dan blijven bepaalde gedragingen en reacties mysterieus, omdat er achter elk verhaal weer een ander verhaal schuilgaat; niet in een volgorde van oorzaak en gevolg maar in een pas achteraf bij benadering te herkennen patroon. De in de tijd pendelende beweging van de hoofdstukken volgt de fluctuaties van het onderzoek - er wordt een verleden opgehaald.
DAARBIJ PAST ook de manier waarop O'Brien zich in zijn personages verplaatst: niet door zich in hen in te leven, maar door zich in te denken - vandaar het trefwoord 'hypothese’: hij denkt in het hoofd van John en Kathy Wade, hij kijkt in hun hoofd en hart, zonder zich met hen te vereenzelvigen, eerder bij benadering, bij elke nieuwe mogelijkheid opnieuw proberend wat ze in dit of dat geval gedacht en gevoeld kunnen hebben. Bijvoorbeeld: hoe zou het geweest zijn als John nadat hij midden in de nacht de planten met kokend water overgoten heeft ook een ketel over het gezicht van Kathy heeft uitgegoten? Of hoe was het toen op 16 maart 1968 in My Lai luitenant Calley het bevel gaf alles wat leefde in het Vietnamese dorp af te maken en John toezag hoe er honderden mensen werden afgeslacht, hoofdzakelijk vrouwen en kinderen; en hij op een gegeven moment zelf per ongeluk een oude boer doodschoot en daarna verblind door woede een lachende moordenaar uit zijn eigen compagnie?
In een voetnoot aan het eind van het boek bekent O'Brien dat hij, die op dezelfde plaatsen in Vietnam is geweest als zijn hoofdpersoon, zij het iets later, van die afschuwelijke oorlog niet meer dan wat losse beelden heeft overgehouden. De roman laat alle stadia van vergeten, verzwijgen, verdringen en verdraaien zien, alle verdwijntrucs - John Wade, als jongen een verwoed goochelaar, heeft in zijn legeronderdeel niet toevallig de bijnaam Tovenaar. Wanneer hij in 1968 voor nog een jaar bijtekent en op het laatst een kantoorfunctie krijgt, weet hij zijn naam uit allerlei stukken te verwijderen, rapporten te corrigeren, zichzelf in een andere compagnie te plaatsen en decoraties toe te schrijven, daarbij speculerend op de tijd die de laatste herinneringen zal uitwissen. Na terugkomst gaat hij de politiek in om zichzelf een nieuwe gedaante te geven en de werkelijkheid naar zijn hand te zetten, zonder ooit over My Lai te praten, zelfs niet met zijn vrouw. 'Misschien is dit uitwissen een noodzaak,’ geeft de auteur als commentaar. 'Misschien verdedigt de menselijke geest zich tegen infecties, net als het lichaam, en omsingelt en vernietigt het de kwaadaardige tumoren die ons anders zouden verteren. En toch is het vreemd. Soms, vooral als ik alleen ben, vraag ik me af of die oude, versleten herinneringen niet afkomstig zijn uit het leven van iemand anders. (…) Mijn eigen oorlog is niet van mij. Op een of andere rare manier staat de lijdensweg van John Wade - die lange jaren van stilte en leugen en verheimelijking - me op dit moment voor ogen met een levendigheid en een helderheid die oneindig veel authentieker aandoet dan mijn eigen verzonken ervaringen.’
Dit is een sterke getuigenis tegen alle platte, rechtlijnige ideeën over literatuur en werkelijkheid, die authenticiteit terugbrengen tot het feit dat iemand er zelf bij geweest is en zo meer. Die voetnoot geeft met terugwerkende kracht een extra lading aan de hele roman, waarbij het er niet eens toe doet òf O'Brien echt zelf in Vietnam heeft gevochten. De oorlog na de oorlog als een ziekte in het hoofd, die alles aantast wat de betroffen persoon doet en laat - O'Brien is niet de eerste in de literatuur die dat ziektecomplex aanpakt, maar hij doet het voor een oorlog waarover zoveel bekend is dat er nog alleen maar een wand van feiten en beelden over is, en hij doet het zorgvuldig, slim in dosering en compositie en vooral met veel gevoel voor de ingewikkeldheid van de geschiedenis waarover hij vertelt.