Frank Ankersmit over het liberalisme

‘Je hoopt dat er weer een Franse Revolutie komt’

Historicus Frank Ankersmit, die onlangs zijn lidmaatschap van de VVD opzegde, had al langer onvrede met de neoliberale koers van de partij. Hij pleit voor een terugkeer naar het klassieke liberalisme, waarbij, zoals John Stuart Mill het wilde, de nadruk ligt op goed bestuur.

OPTIMISTISCH is hij niet. De toekomst is zéér ongewis vanwege de beroerde situatie waarin de economie en, al langer, de staat zich bevinden. Maar, zegt hij, ‘de crisis is ook de ultieme testcase voor de politiek om te zien wat je waard bent. Met het faillissement van het dogma van de markt en de Amerikaanse denkwijze staan nieuwe wegen open. Dat biedt hoop.’
Frank Ankersmit, hoogleraar intellectuele en theoretische geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen én voormalig lid van de VVD en medeauteur van het Liberaal Manifest 2004, reflecteert op het rampjaar 2008: ‘Dat jaar betekent een kentering in de tijd van historische orde, vergelijkbaar met het jaar 1989. Politieke partijen móeten zich herpositioneren en met name de liberalen moeten dat doen. Wat er is misgegaan wordt voortdurend – en terecht – geassocieerd met het neoliberalisme. Ik vind het jammer dat de VVD tot nu nog geen inhoudelijk antwoord op de crisis heeft bedacht, behalve bezuinigen. Een liberale partij is voor mij oninteressant als die niet in staat blijkt tot een fundamentele discussie over het liberalisme.’
Zijn bezorgdheid zette hij vorige maand om in een gebaar: hij zegde uit onvrede met de koers van de VVD onder leiding van Mark Rutte na zo’n twintig jaar zijn partijlidmaatschap op. Het optreden van Rutte bij het debat over de kredietcrisis betitelde hij als ‘onvoldoende doordacht’. Maar het kwam niet uit de lucht vallen, zegt hij vanaf de chesterfield canapé in zijn huis in Glimmen, een landelijk villadorp onder de rook van Groningen. ‘Als lid van het curatorium van de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD, was ik al een tijd niet zo gelukkig met de rapporten die er uitkwamen. Ik bracht steeds bezwaren in, maar op den duur ga je jezelf dan een beetje een querulant voelen. Je bent voortdurend een stoorzender. Ik ben geen Don Quichot, dus dan moet je wegwezen. Toen ik een artikel voor Trouw schreef, zette ik daar in een regeltje onder dat ik voormalig lid van de VVD was. Dat had onverwacht veel effect. Dat was niet mijn bedoeling, dat had de VVD ook niet aan mij verdiend, hoewel ik vind dat men daar eens wat meer aan nadenken zou moeten doen.’
FRANK ANKERSMIT noemt zichzelf een liberaal in hart en nieren. Maar hij is er een van de oude snit. Iemand die voor zijn idealen eerder put uit de negentiende eeuw dan uit de naoorlogse tijd, toen de VVD, die werd opgericht in 1948, het ideologisch erfgoed van het liberalisme ging beheren. Zijn grote voorbeeld is de liberale staatsman Johan Rudolf Thorbecke, die de nieuwe grondwet van 1848 schreef, waarmee de basis werd gelegd voor de parlementaire democratie en de moderne staat. Of Gijsbert van Hogendorp, de opsteller van de liberale grondwet van 1813. Beide wegbereiders van de moderne democratie vertegenwoordigen voor Ankersmit het ware liberalisme, waarin de vrijheid van het individu voorop staat, maar met een sterke staat die zorg draagt voor de vrije markteconomie.
Vanuit dat staatskundige denkkader beschouwt hij de huidige crisis van de democratie. Het is ook deze tijd die in zijn huis hangt. Zijn woon- en werkkamer is ingericht als een Frans achttiende-eeuws stadspaleis met, behalve kasten vol boeken, borstbeelden op sokkels en tikkende klokken. Alleen de computer op zijn werktafel is modern. Dat wil niet zeggen dat hij niet vooruitstrevend denkt. Ankersmit is een man van voortdurende reflectie en vernieuwing. Zijn collega’s op de faculteit geschiedenis zeiden altijd al tegen hem: wat doe jij toch bij de VVD.
‘De academische wereld is sowieso nauwelijks pro-VVD. Maar dat heeft de VVD er zelf wel een beetje naar gemaakt, want men is altijd welbewust anti-intellectualistisch geweest. Ik kon me er, met enige tussenpozen, desondanks wel thuis voelen. Ik werd lid omdat de VVD tegenwicht bood aan de radicale plannen van Joop den Uyl, die economisch levensgevaarlijk waren. De VVD is daardoor sterk gevormd: de liberalen vonden de socialisten tegenover zich en richtten zich sterk op de economie en de markt. Er was weinig aandacht voor staatsrechtelijke zaken en daarom is D66, als eerste afsplitsing van de liberalen, opgericht.
De andere reden voor mijn partijkeuze was de kwestie van de kruisraketten, begin jaren tachtig. Het was kantje boord dat we ons niet lieten uitspelen aan Moskou. De VVD hield haar been stijf en de kruisraketten kwamen er gelukkig, wat mede bijdroeg aan de val van het sovjetcommunisme. Daarnaast heb ik groot respect voor de moed van Frits Bolkestein om het integratievraagstuk aan te kaarten. Dat kon begin jaren negentig nog absoluut niet. Ik ben nooit rechts geweest en ik geloof wel dat ik nu iets linkser ben geworden, althans als je dat in die termen kunt uitdrukken.’
In de periode dat Jozias van Aartsen de VVD leidde, kreeg Ankersmit de kans zich bezig te houden met het herijken van de liberale beginselen. Hij was een van de auteurs van het Liberaal Manifest, met als ondertitel Om de vrijheid, dat verscheen in 2004. Het ongebreidelde marktdenken was nog volop in zwang, maar vertoonde wel al grove scheuren. Net als het staatsbestel zelf. Als hét probleem werd aangemerkt het gebrek aan vertrouwen van de burger in de staat. In het manifest wordt onder meer gepleit voor een gekozen minister-president en een gekozen burgemeester als een manier om het dualisme terug te krijgen en zo de democratie weer nieuw leven in te blazen. Meer algemeen is de strekking dat je moet durven om veranderingen in het bestel te entameren. Het manifest eindigt met: ‘Uiteindelijk gaat het om de vraag: willen we een defensief liberalisme of gaan we in de aanval? De keuze is snel gemaakt.’
De keuze is volgens Ankersmit na het vertrek van Van Aartsen – die van de VVD een debatpartij wilde maken en de ramen wijd openzette – niet gemaakt. Alle energie werd opgeslorpt door het gedoe met Rutte en Verdonk. De richting die het manifest aangaf van een ‘scheppend liberalisme’ – met als kern een sterke staat – werd losgelaten. Ankersmit: ‘Het verdween in de kast. Rutte heeft eens gezegd dat hij het manifest “staatsrechtelijk gegoochel” vond. Voor mij persoonlijk was toen de keuze, helaas, wél duidelijk: ik wilde niet meer horen bij dit soort liberalisme.’

WAT ANKERSMIT stoort is dat het klassieke liberalisme in de afgelopen decennia, en vooral na de val van de Muur, volledig is weggesmolten ten gunste van het neoliberalisme: ‘Ja, het werd soms terecht gezien als de partij van de graaiers, althans de partij die het grote graaien in de bedrijfstop en ook in het bestuurlijke systeem vleugels heeft gegeven. Hoewel dat natuurlijk niet op de VVD alleen is terug te voeren – het zat verweven in het denken van álle partijen tijdens Paars I en Paars II – is het neoliberalisme wél de hoofdoorzaak van de crisis waarin we nu zitten.’
Dat het neoliberalisme na 1989 vrij spel kreeg, komt volgens Ankersmit in essentie neer op ‘de inval’ van de private in de publieke sector: ‘De verzelfstandiging en privatisering van publieke taken ging gepaard met een focus op de markt van groei en winst en ging voorbij aan het algemene belang. In de bankwereld werden de publieke bevoegdheden ook niet meer gescheiden van de zakelijke, commerciële belangen. Staat en markt zijn te ver met elkaar verstrengeld geraakt, waarmee het bankroet van de financiële markten tevens het falen van staten betekent. De vermenging van publiek en privaat was de kern van het middeleeuwse feodalisme. En dáár was de Franse Revolutie tegen gericht. In de negentiende eeuw heeft Thorbecke in ons land het publieke en private uit elkaar getrokken. Wat we nu zien is dus in feite een nieuwe vorm van middeleeuws feodalisme, met de staat als de vorst die niets kan en de markt die altijd gelijk heeft. Wat overblijft is een nachtwakerstaat met als voornaamste publiekstaak het geweldsmonopolie. Waar de grens ligt tussen publiek en privaat zou nu de inzet moeten zijn van het politieke debat. Ik ben voorstander om verzelfstandiging die slecht uit is gepakt terug te draaien. Dat moeten we onder ogen zien en net zo snel als het werd ingevoerd weer afschaffen.’
Ankersmit spreekt in dit verband van de ‘oligarchisering van onze samenleving’: ‘De representatieve vertegenwoordiging is eigenlijk een electieve aristocratie, en als dat systeem degenereert, dan wordt het een oligarchie. Dat zie je aan hoe het openbaar bestuur functioneert. In Rotterdam bijvoorbeeld heeft onlangs wethouder Jantine Kriens de oorlog verklaard aan huiselijk geweld. Iedereen wordt verplicht middels een meldcode huiselijk geweld te melden. De burger werd er zijn oordeel nooit over gevraagd; en zoals zo vaak tegenwoordig maakte men meteen de sprong naar de uitvoering. Omdat natuurlijk iedereen tegen huiselijk geweld is, draafde mevrouw Kriens meteen ook geweldig door, door het verklikken van huiselijk geweld algemeen verplicht te stellen en door de zwijgplicht van mensen in de zorg als verachtelijk terzijde te schuiven. Zo kun je met een politiek van de beste bedoelingen heel vlug naar despotisme afglijden. Dat vind ik echt heel zorgelijk. Het bestuur krijgt autocratische trekken. En dat is weer het gevolg van dat streven naar zogenaamde efficiency van het neoliberalisme: liever efficiency dan democratie. De neoliberale staat is trouwens helemaal niet efficiënt. De “Washington consensus” werd onder Paars vooral doorgezet: de gedachte dat de staat een achterhaald instituut is en dat je wat overblijft aan de krachten van de markt moet overlaten. Maar de alfa en omega van goed bestuur is dat verantwoordelijkheden met bevoegdheden corresponderen. Dat is langzamerhand uit elkaar gegroeid door het op afstand plaatsen van delen van de overheid. Zo is nu weer bij de AWBZ elf miljard zoek en niemand weet waar het is gebleven. Of denk aan het wanbeleid bij woningcorporatie Philadelphia. Men belegde in kastelen en er werd zelfs een sleepboot gekocht – wat was men met die sleepboot wel niet van plan?’
De overheid is zelf debet aan deze bestuurlijke ontwikkeling, stelt Ankersmit: ‘De taken zijn uit handen gegeven en de regering hoeft geen verantwoordelijkheid meer te nemen. Het aantal ambtenaren is toegenomen, maar tweederde zit bij semi-publieke instanties, de zogeheten quango’s: quasi-autonomous non governmental organization – een begrip dat is overgewaaid uit de Angelsaksische wereld. Ze functioneren als private instanties, maar hebben niet de daarbij behorende verplichting om verantwoording af te leggen. Dat leidt tot autocratie. Met privatisering op zichzelf is niets mis, maar je moet eerst goed kijken of het kan, of het wel opportuun is en niet tot monopolievorming leidt.’
Weer trekt hij de parallel met het feodalisme en de Franse Revolutie die daarop onvermijdelijk een reactie was: ‘We zitten nu in een Ancien Régime. Je hoopt dat er een “Franse Revolutie” komt om al die “bijgebouwen” van de staat weer af te breken. De staat lijkt op een middeleeuwse kathedraal met nissen, kapellen, bijgebouwen, kerkers en duistere spelonken. Goed bestuur is als een goed doordacht en overzichtelijk gebouw. We moeten de democratische rechtsstaat herdefiniëren en het parlementaire systeem weer aan de praat krijgen. Ik geef Wilders voor één keer groot gelijk: dat hij wegliep uit de Kamer bij de presentatie van de economische maatregelen door het kabinet. Het dualisme is al langer weg. De economie stagneert en er komen pijnlijke beslissingen op ons af. Als de staat dan rommelig en zwak is, ontstaat ruimte voor despotisme. De staat moet weer democratisch worden om de storm te doorstaan.’
Spinoza had daar volgens Ankersmit een heldere stelling over: naarmate een democratie sterker is, neemt het vertrouwen bij de burgers toe en gaan zij zich identificeren met de staat. Hoe meer mensen je erbij betrekt, hoe sterker je bent. De democratische staat is daarom sterker dan een monarchale of aristocratische staat.
Wat kan de VVD betekenen in dit pessimistische scenario? Zeker nu GroenLinks onder leiding van Femke Halsema het liberalisme ook heeft omarmd, D66 dat al langer doet en de PVDA zich bijna heeft ontwikkeld tot een soort klassieke progressieve liberalen. Ankersmit stelt er het ‘scheppend liberalisme’ tegenover: vrijheden voor het individu, maar met een corrigerend scheutje republicanisme. Dat is ontleend aan het begrip ‘res publica’, de publieke zaak, of het algemeen belang. Hij onderscheidt eerst twee zaken: ‘De burgerlijke vrijheden die zijn verankerd in de grondwet in de artikelen 1 tot en met 18. En politieke vrijheid: de vrijheid van het individu om deel te nemen aan de publieke besluitvorming. Wat het laatste betreft heb ik een zekere sympathie ontwikkeld voor het republicanisme waarin het actieve burgerschap centraal staat. De noodzaak dat de burger óók een besef voor het algemene en publieke belang koestert en niet alleen naar zichzelf kijkt. Als die brede buitenblik wegvalt, kweek je een corrupte staat, beheerst door eigenbelang. Greed is good wordt dan een algemeen geaccepteerde norm. Maar dat komt niet alleen door het neoliberalisme. De verzorgingsstaat heeft het private belang van het individu maximaal bediend en gestimuleerd. In het effect zijn het neoliberalisme en de verzorgingsstaat hetzelfde, hoewel ze tegengesteld aan elkaar lijken. De VVD moet terug naar wat de Engelse politieke filosoof Quentin Skinner aanduidde als “liberty before liberalism”, de vrije, en niet-corrupte staat, dat wil zeggen, de staat waar het algemene belang niet aan private belangen versjacherd wordt. Onze democratische rechtsstaat werd in de negentiende eeuw opgebouwd door de liberalen en werd eind twintigste eeuw ook weer afgebroken door de neoliberalen. Nu is het tijd dat de liberalen weer evenwicht brengen tussen de staat, de markt en burgerschap. Ik hoop zeer dat de VVD de bezieling zal hebben om mee te doen aan het debat daarover. En ik verwacht dat ook. Want één ding moet je zeggen van de VVD: aan moed heeft het ze nooit ontbroken!’