Anne Vegter over Dirk van Bastelaere

Je krijgt het sublieme niet op een koopje

[beginfragment van het meterslange gedicht

‘wwwhhooosshhh’]

Op een buitensporig moment zie je

als laatste gast in de filmcabine,

wanneer je de zin bijster bent

door een oorschelp in een onttoverde

wereld of overweldigd door zwak sentiment,

terwijl je adem hapt en ter

abdicatie grimmig je hoofd in de

volstromende badkuip houdt waarbij water opwolkt

als losbarstend onweer boven de stad

of in een droom die huilt

als het metronet of bij de

studie van heilgymnastiek, onthutst door nog

een catalogus van catalogi, tijdens een

autocrash, in de immense dauw van

Florida die hymne na hymne aan

de renner ontlokt of roemloos in

het voorbeeld van een bruidsvlucht wanneer

het geweld zich verheft als een

fataal, eenzaam gonzen boven Los Alamos

de hitte die optrilt uit een

verdampte binnenzee ten westen van Salt

Lake City vernielend, een mogelijkheid om

te overleven en vreugde vervult je.

Als dichter zou ik dubbelliggen wanneer anderen over mijn poëzie zouden zeggen dat de woorden die ik daarin gebruik elkaar opvreten. Over Dirk van Bastelaeres werk las ik zoiets. De woorden waarmee een regel begint, eten alvast de slotwoorden op. Men schreef heel geleerd dat zijn poëzie zichzelf probeert op te heffen. En niet alleen zichzelf maar ook nog eens de werkelijkheid waarin die poëzie verankerd ligt. Knap toch! Leve de woorden! Alles mag gedacht. Zo zou Van Bastelaere regels schrijven die zichzelf in de staart bijten. Als je ogen niet snel genoeg waren, zou er al een stuk van de lekkere zinstaart op zijn voordat je die gesavoureerd had. Misschien werd het gezegd door iemand die zulke woorden zelf om op te vreten vond. Die hoopte op een piepklein kruimeltje woord of een uitgeperst druppeltje van een letter om zijn eigen lekkere taalworst mee te marineren. Een milligram Van Bastelaere verleent je gedicht al gauw een maximaal dramatisch aroma.

Ik kan me met een parcifaleske onnozelheid in een gedicht smijten. Ik laat me graag door zo’n gedicht besturen. Bij de volgende regel rechtsaf. Na vijf centmeter schuin de strofe af rijden. Na de volgende twee woorden ontbreken de volgende twee woorden. U hebt uw bestemming bereikt. Een gedicht van Van Bastelaere is de TomTom van mijn bewustzijn. Al stuurt het me dwars door het rode licht op een kruispunt, dan nog zal ik braaf doorgassen. Zolang de navigator Van Bastelaere me beveelt te rijden, rijd ik. Waarom bang zijn voor een beetje leiding? Ik ben een vreemdeling in zijn taalland. Desnoods stuurt hij me het ravijn in. Parcifal stelt zich zijn vragen achteraf. Dat is misschien een beetje onverstandig, maar wel effectief. Zo maak je iets ten volle mee wat anders buiten je altijd te beperkte gezichtsveld bleef.

Op het omslag van De voorbode van iets groots is een stoplicht te zien. Het licht hangt aan een soort vishengel, alsof een onzichtbare hand het snel voor je voorruit heeft gehangen. Het licht staat op rood. Verboden te lezen? Of moet je op de rem staan om het volgende fragmentje uit de slotafdeling Wwwhhooosshhh te kunnen savoureren:

Lange tijd ging ik vroeg naar

bed, verborgen in rottend hout terwijl

de stad, in Amerikaanse nacht gedompeld,

wakkerzat in angst voor afwezigheid en

het soort peulen dat peesdunne tentakels

door je neus boort, tot in

je gehavende droom. Durf je ogen

te sluiten en een tastende dood

stort zijn zaad over je uit.

De ogen stijf dicht werd ik

vet, wit als visaas. Nam niet

de tijd voor het uithozen van

mijn nest. Als wespen verliet ik

de kruimige aarde. Als gewonderde vogels.

In die denkbeelden zwermde ik over

de wereld (…)

De Vlaamse Dirk van Bastelaere brengt in een bijna oudtestamentisch humeurige taal een ik-loze oertoestand in beeld waarvan het bovenstaande ongedefinieerde ik, ten faveure van iets wat nadert, spoedig opfladdert naar hoogten van een nieuwe ervaring. Iedere lezer wordt uitgenodigd tot een volgende aflevering van een grootse gedachtenshift. Oude stellingen dienen te worden verlaten, prettige condities moeten worden afgebroken. Voorafgaand aan het verpletterende taalgeweld wwwhhooosshhh brokkelt de herkenbare wereld beetje bij beetje af. De techniek van de dichter is het overbelichten van werkelijkheidsmanifestaties. ‘(…) maar wat, in godsnaam,/ zijn die door de zon gelooide Lederen dingen in de kofferbak,/ (…)’ Ten laatste kan nog een minifilmfestival bezocht worden. Namen van sterren dansen van het papier. Je wordt gedoopt in een varia aan films. Het lijkt de wassing vooraf, de voorbereiding op een inwijding. Je eigen werkelijkheid wordt verdrongen door de sentimentele manipulaties van die werkelijkheid. Illusie als springplank voor de grote aftrap. Nu moet je er klaar voor zijn.

Bij het volle bewustzijn van de lezer leidt Van Bastelaere deze in het gedicht wwwhhooosshhh een verwarrend heldere denktoestand binnen. Ene Ariel, nimf of maantje, neemt het verbaasde ik aan de hand en trekt het mee in een grootse overview van hemelse sferen door middel van een panoramisch totaaltje. Overigens wordt de lange bewustzijnstrip bij voortduring onderbroken door de verwende monotonie van een goebbelse oorlogsretoriek. Het fascistisch idioom houdt je bij de les. Van Bastelaere lijkt te willen zeggen dat het niet al te makkelijk mag zijn om te ontsnappen aan de catastrofale geschiedenissen van onze wereld. Je krijgt het sublieme niet op een koopje.

Steekproef. Wat krijg je ter verklaring van de titel van de bundel wanneer je het titelgedicht aandurft?

‘de voorbode van iets groots’

‘duistere profetieën’

‘De storm op het Meer van Galilea’

‘een onverhoeds gebaar’

De vier regels preluderen op de big shift. Ter hoogte van het montere rijtje citaten vormen op de tegenoverliggende pagina acht woorden prompt de wereldse conditie daartoe: ‘Het tijdperk van het diorama loopt ten einde’. Geen citaat deze keer maar een ferm statement. Is het een boodschap aan de mensheid? Het is in ieder geval een waarschuwing aan het adres van huisvlijtigen die al jaren hun kabouterlevens in luciferhoutjes proberen na te bouwen: het diorama raakt uit de tijd. Past de nagebouwde werkelijkheid niet meer? Zoiets? Het past Van Bastelaere in ieder geval zich van bekende beelden te onthechten. Wie die Willy trouwens is in bijgeleverd fragment mag Joost weten. Nu is het tijd voor iets nieuws.

De reis door die extrazintuiglijke wereld waarheen Van Bastelaere de lezer ten slotte leidt, heeft alle aspecten van een wereld voor en na een schepping. Het is er ruw, zanderig en stenig. Het is alsof de psalmist persoonlijk bij Van Bastelaere een nieuwe bewerking van de psalmen heeft aangevraagd. Eentje zonder het smartelijke verlangen naar de grootsheid van een God. Het is een oerzang geworden op een nieuwe werkelijkheid van het individu. De titel fluistert erover. De slotafdeling verwijst naar een onzegbare wereld in taal. Maar ook voor onzegbaarheid zijn een hoop woorden nodig. Mind you. Wroet niet te veel in die hoop. Explosiegevaar. Het bevredigt op magistrale wijze de culturele nood aan nieuwe mythen. Whhhham.