THEATER

Je kunt eraan doodgaan

Fugu

De manier waarop de Japanse danser in de bewegingsvoorstelling Fugu te voorschijn komt is een belevenis op zich. Schokkend en bevend, met een hortende drang, zoals de bomen uit het Vasalis-gedicht ‘die zich uit de aarde wrongen/ terwijl ze hees en hortend zongen’ perst Kenzo Kusuda zich uit een opening in de uit joyeus witte springverenstof gemaakte speelvloer. Vanaf onze binnenkomst hebben we gekeken naar de gestalte van Karina Holla, borstelig gesteven kapsel boven die in het niets starende en alles ziende ogen. Na een klein kwartier voegt Kusuda zich bij haar met zijn merkwaardig hoekige motoriek en die machtige gebaren waarmee hij uit een theepot een zwanenhals tovert en van een beker een reuzenschelp maakt.
Daar zitten ze dan, middenvoor, zij de frêle, zwierige en hekserige grande dame van het westerse uit de mime corporel geboren bewegingstheater, hij de vleesgeworden concentratie van de Japanse dans, waarbij de voeten zich afwisselend spier voor spier in de vloer klauwen en de geprononceerde tenen dan weer plotseling enkele centimeters in de ijle lucht lijken te zweven. En dan die handen, die prachtige handen, die een eigen verhaal lijken te vertellen. 'Theater, dat ís het Oosten’, schreef Antonin Artaud, de godfather van de fysieke ontregeling in het West-Europese toneel, toen hij voor het eerst van zijn leven Balinese hofdansers had gezien.
In Fugu komen de Hollandse trollenhoedster en de Japanse apendanser samen voor een cruciaal duet. Thema, onderwerp, Leitmotiv? Misschien dit: als sterven is als terugvloeien in de natuur, wordt het daardoor zachter? En hoe doe je dat eigenlijk, sterven, als sneeuw voor de zon verdwijnen, oplossen als een druppel bloed in een schaal helder water? Nee, nee, dit is geen esoterische zwatelvoorstelling over de laatste dingen voor het weggaan, dit is eerder het in beweging vertaalde, denkbare relaas over het harde ploeteren onderweg naar de laatste deur, het laatste gat. Behalve wat kristallijnen zinnen van Rob de Graaf, op tape gesproken aan het begin van Fugu, komt er geen tekst aan te pas. De dame in wit doodskleed suggereert er helemaal klaar voor te zijn, maar als haar engel des doods in maatkostuum zijn verleidingswapens inzet begint het verzet, ze wil nog wel even, maar ze wordt met krachtige hand en onverzettelijke voet tot de orde der onverbiddelijkheid geroepen. En als hij haar over de rand heeft geholpen voor de ultieme zucht, haar heeft klaargemaakt voor het doodsbed en het graf, dan mag er daarna, in een wild contrast met de verstilling, nog even ruig worden gedanst en genoten. Waarna de rollen worden omgedraaid en zij hém over de Styx naar de Hades vaart.
Het kan ook allemaal geheel anders worden geduid, de ondertitels worden ons godzijdank bespaard. Karina Holla creëert om zich heen een dampkring die met haar vingertoppen groter dan wel kleiner kan worden gemaakt. Kenzo Kusuda kan met zijn spiedende ogen, tastende gestiek en intensief voetenwerk de ruimte opeens oneindig veel groter maken dan die in werkelijkheid is. De muziek, met flarden Cage, is van Rikard Borggârd en hallucinogeen, betoverend, ruw. Rob Ligthert zat ervoor en erbij en verzorgde de eindregie.
Ik heb geen begin van een idee hoe lang het heeft geduurd, tijd wist zichzelf tijdens Fugu uit, speelt geen rol van betekenis meer. O ja, die titel: Fugu is een giftige kogelvis, je kunt eraan doodgaan. Het wordt ook wel uitgesproken als Fuku, en dat betekent: geluk. Ergens tussen een doodskus en gelukkig makende schoonheid bewegen ze, Karina Holla en Kenzo Kusuda. Prachtig!

Fugu is nog te zien op 3 november in Drachten, op 8 en 9 november in Amsterdam, in januari in Doetinchem en in april in Rotterdam. Inlichtingen www.karinaholla.nl.