Je kunt me niet verlaten

Ik was zestien en S. maakte het uit. Ze had een andere vriend met wie ze lekkerder kon zoenen en met wie ze ook naar bed durfde te gaan. Ik huilde m'n ogen uit m'n kop, wat mijn broer de opmerking uitlokte: ‘Heb je weer Zeeland 1953?’

Ik wachtte tot alle familieleden weg waren, liep naar de boekenkast waarin ook de pick-up van mijn ouders stond, pakte de plaat ‘Blonde on Blonde’ van Bob Dylan, zette het nummer 'Sad Eyed Lady Of The Lowlands’ op dat elf minuten duurde, nam een sigaret, stak die aan en rookte die op, terwijl ik in de spiegeling van het raam dat uitkeek op onze tuin Zeeland 1953 uit mijn ogen zag rollen.
Soms was dat huilen niet genoeg en moest er nog iets bij. Dat kreeg ik als ik, nog steeds begeleid door Bob Dylan (ik meen het nummer 'Just Like a Woman’) mijn lievelingsbundel van Hans Lodeizen opsloeg en ik langzaam bladerde naar het gedicht dat begon met de woorden: 'Je hebt me alleen gelaten/ maar ik heb het je al vergeven.’
Dat gedicht was het mooiste dat ik kende - steeds weer las ik het, steeds weer, terwijl woede en verdriet en eenzaamheid om de eerste plaats vochten. Er waren een paar zinnen in dat gedicht die ik zo mooi vond dat ik niet dacht dat er iets mooiers kon bestaan. Het waren de zinnen:
'Laatst reed je me voorbij met vier/ andere mensen in een oude auto/ en ofschoon jij de enige was die/ niet omkeek, wist ik toch dat jij/ de enige was die mij herkende de enige/ die zonder mij niet kan leven// en ik heb geglimlacht/ ik was zeker dat je me niet verlaten zou/ morgen misschien zul je terugkomen/ of anders overmorgen of wie weet wel nooit// maar je kunt me niet verlaten.’
Nu, na al die jaren, schrijf ik het nog steeds uit mijn hoofd op - hoewel er ook momenten zijn dat ik het gedicht ben vergeten.
Wat ik wil weten is: hoe kan het nu dat dit gedicht en de muziek die ik hoorde toen ik diep en diep treurig was, me nu een loom gevoel van geluk kunnen geven, terwijl ik aan de andere kant weer zo Zeeland 1953 kan krijgen. Poezie en muziek roepen de emoties aan de oppervlakte. Dat zijn treurige emoties die zijn gevormd uit treurige herinneringen, en toch voel ik me, als ik de regels citeer en de muziek hoor, op een eigenaardige manier gelukkig. Is dat omdat ik nu niet het verdriet van toen heb?
Nee, dat verdriet heb ik ergens nog steeds.
Ik weet niet wat het is. Als ik terugdenk aan die eerste liefde is er geen haar op mijn hoofd die S. terug wil hebben. Ik heb haar onlangs gezien en we zijn beiden zo'n verschillende kant opgegaan - er zit ook 25 jaar tussen - dat we twee vreemden zijn geworden; als we elkaar niet zouden kennen, zouden we elkaar voorbijlopen. Maar toch, een maand geleden, droomde ik dat ik S. tegenkwam op een school waar ik ondergedoken zat omdat het oorlog was. Er werden overal om ons heen mensen opgepakt en meteen neergeschoten. En toen zag ik S. Ze knoopte haar bloes open zodat ik haar borsten zag, en ze zei: 'Ik heb je niet verlaten.’ En terwijl er op de deur werd gebonsd door de politie die ons wilde executeren, besefte ik dat ik heel erg verliefd op haar was - en dat ik naar haar toe wilde gaan, maar dat kon ik niet.
Ik werd wakker en voelde heel duidelijk hoe m'n geilheid en m'n hartstocht, of zeg maar liefde, langzaam oplosten en niet meer terug te halen bleken, hoe ik me ook de scenes uit mijn droom weer voor de geest probeerde te halen.
'Ik was zeker dat je me niet verlaten zou/ morgen misschien zul je terugkomen/ of anders overmorgen of wie weet wel nooit//maar je kunt me niet verlaten.’