Russische lessen uit de geschiedenis

Je kunt niet bouwen op een beerput

In Rusland bepaalt de staat hoe de nationale geschiedenis eruitziet. En dus moet Vladimir Poetin nu een draai geven aan de zwarte bladzijdes van Lenin en Stalin.

De herdenking vanhonderd jaar Russische revolutie, Moskou, 7 november 2017 © Sergei Bobylev / Tass / Getty Images

Op 4 november 2016 onthulde Vladimir Poetin pal naast de muren van het Kremlin een reusachtig standbeeld van Vladimir de Heilige, die volgens de legende in het jaar 988 in Kiev de Slaven tot het christelijk-orthodoxe geloof van Byzantium bekeerde. De scène was zwanger van de symboliek. ‘Hij legde de morele fundamenten waarop ons leven tot op de dag van vandaag is gebaseerd’, zei Poetin. ‘Een sterke morele instelling, solidariteit en eenheid hielpen onze voorouders moeilijkheden te trotseren en overwinningen te behalen voor de eer van het vaderland, door het met elke generatie sterker en groter te maken. Vandaag is het onze plicht ons te verenigen tegen hedendaagse uitdagingen en bedreigingen, door gebruikmakend van onze spirituele erfenis en onze onschatbare traditie van eenheid vooruitgang te boeken en onze duizendjarige geschiedenis voort te zetten.’ Daarop zegende patriarch Kirill, de witte leiderskap bekroond met het fiere orthodoxe kruis, het zeventien meter hoge beeld. Een leuk etymologisch detail: Vladimir betekent ‘wereldheerser’.

Niets was hier toevallig: datum, plek, naam, noch de omvang van het beeld. Het was na de inlijving van de Krim in maart 2014 een statement aan Rusland en de wereld: vorst Vladimir is onze oervader en Moskou is de plaats waar hij op niveau verheerlijkt dient te worden.

Maar eerst en vooral was de ceremonie een kat aan het adres van Oekraïne, dat in 2013 met Euromajdan het historisch nauw verwante Rusland de rug toekeerde. In Kiev werd de oprichting van het standbeeld in Moskou met leedvermaak ontvangen. Vladimir, in de rommelige Middeleeuwen met een ratjetoe aan Slavische stammen aanvankelijk vorst van Novgorod, was immers van 980 tot 1015 grootvorst van Kiev en heeft in de ogen van de Oekraïners met het huidige Rusland helemaal niets te maken. Vladimir heet op zijn Oekraïens Volodymyr, net als de nieuwe Oekraïense president Zelensky. Een bescheiden standbeeld van de grootvorst kijkt in de Oekraïense hoofdstad uit over de Dnjepr, waarin hij destijds zijn onderdanen liet dopen.

Historisch gesproken is de Russische naasting van de heilige inderdaad kwestieus: toen Kiev in de negende eeuw de hoofdstad werd van het vorstendom ‘Kiev-Roes’ was Moskou nog niet eens een houtoverslagplaats aan de Moskou-rivier. Moskou dateert van de twaalfde eeuw en is dus veel jonger dan Kiev en het groothertogdom Moskovië werd pas in 1283 als vazalstaat van het Mongoolse Rijk gesticht door Daniël I. Vladimir de Heilige heeft in Moskou nooit een voet gezet.

Voor Oekraïne is de zaak hiermee afgedaan, maar in Rusland is deze buitenlandse interventie als stichtingsverhaal niet populair. Overbodig te zeggen dat niet alleen politici, maar ook geleerden van beide landen het over de ontstaansmythes hartgrondig oneens zijn. Het verleden is immers in nevelen gehuld.

Welkom in het koloniale mijnenveld van het voormalige Sovjetimperium.

Poetin onthulde het beeld van Vladimir op 4 november, sinds 2005 de nieuwe Russische nationale feestdag. Deze Dag van de Nationale Eenheid vulde het gat dat was geslagen na de afschaffing van de vroegere herdenkingsdag van de Oktoberrevolutie, die de hele twintigste eeuw lang gevierd werd met militaire parades en verplicht ‘volkswandelen’ met fanfares, ballonnen en spandoeken met communistische leuzen als ‘Communisme is de partij plus de elektrificatie van het hele land’. Maar de Oktoberrevolutie is in Rusland allang niet meer iets om trots op te zijn. Het was immers de opmaat naar een eeuw van oorlog en terreur.

Toen ik eind jaren zeventig in Leningrad studeerde was de Oktoberrevolutie nog gewoon veilig heilig, en deelname aan de parade op 7 november was ook voor studenten verplicht (verwarrend genoeg werd de Oktoberrevolutie, die begon op 25 oktober 1917, in november herdacht. Dat had te maken met de postrevolutionaire switch van de kerkelijke juliaanse naar de gregoriaanse kalender, een verschil van dertien dagen).

Volgens de legende werd de Hermitage, het Winterpaleis van Catharina de Grote aan de rivier de Neva, op 25 oktober 1917 bestormd door de bolsjewieken, maar in werkelijkheid heeft die bestorming nooit plaatsgevonden. Hij is gecanoniseerd in de film Oktober van regisseur Sergej Eisenstein, die ook met Pantserkruiser Potjomkin krachtig bijdroeg aan de mythevorming. Zoals alle revoluties was ook die van oktober 1917 in Rusland gewoon een rommelige machtsovername, die van toevalligheden aan elkaar hing.

De Russische soldaten waren na jaren vechten de Eerste Wereldoorlog zat en drosten massaal van het front. Het volk wilde brood en vrede. De wankelmoedige tsaar Nicolaas II zat liever met vrouw en vier beeldschone dochters in zijn Livadiapaleis op de Krim dan op het slagveld en zijn vrouw Aleksandra was uit verdriet over de bloedziekte van haar enige zoon en kroonprins Aleksej in de ban van de charlatan en gebedsgenezer Raspoetin geraakt. In februari 1917 kwam met de Februarirevolutie een einde aan de disfunctionele monarchie. De socialist Aleksandr Kerenski werd premier van een regering die gedomineerd werd door de liberale partij van de Constitutioneel-Democraten (de Kadetten).

Uit solidariteit met onze medestudenten wandelden ook wij Nederlandse studenten in 1979 mee in de Oktoberdemonstratie, en riepen braaf ‘hoera!’ toen we het podium bij de Hermitage passeerden, waar grijze communistenleiders met hoeden en bontmutsen op urenlang verkleumd en machinaal naar de massa zwaaiden. Uit het zicht van de macht loste de demonstratie zich snel op, waarna iedereen een goed heenkomen zocht met tassen vol wodka, wobla (Siberische karper), borsjtsj (bietensoep) en bier. Zo werd de verplichte deelname alsnog een gezellige bende. Iedereen speelde zijn rol in het toneelstuk, en daarna had je een vrije dag. Zo ging het vaak in de Sovjet-Unie. Wij dachten destijds mét de Russen dat deze wereldmacht het eeuwige leven had.

Eind jaren zeventig was de wil van de Communistische Partij nog steeds wet, al geloofde bijna niemand nog in de heilsleer. Wij Nederlanders veroorzaakten onbedoeld een kleine rel in ons studentenhuis toen we de van een gebouw gevallen rode bordkartonnen slogan ‘Een hoge kwaliteit van de arbeid van eenieder leidt tot een hoge kwaliteit van de arbeid van het collectief’ ter opvrolijking in onze studentenkamer hadden opgehangen. Het werd als blasfemie beschouwd, en we werden door de partijkaders van het Theaterinstituut gesommeerd het plakkaat onverwijld te verwijderen.

In de Stalin-tijd kon een grap over Lenin je in een strafkamp doen belanden, maar zelfs in de slome Tijd van de Stagnatie, zoals de Brezjnev-era werd genoemd, werden politieke grappen nog steeds alleen binnenskamers gemaakt. Een Lenin-grap-met-een-baard die in mijn studietijd in Leningrad gniffelend werd gemaakt ging over een badzeep met de poëtische naam Po Leninskim mestam (Langs Lenins plekjes). Welke geheime holten hiermee bedoeld werden laat zich raden, maar in werkelijkheid was het de vaste omschrijving voor de excursie die elke zichzelf respecterende stad waar Lenin ooit een voet had gezet aan toeristen aanbood.

Poetins opvatting over Lenin is hard. In een rede in 2014, ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van het begin van de Eerste Wereldoorlog, noemde hij de Oktoberrevolutie ‘een revolutionaire omwenteling’ en ‘een broedermoordend schisma’. Poetin is allergisch voor ‘kleurenrevoluties’, gewelddadige regime changes, die volgens de Russen altijd gestuurd worden vanuit het buitenland. Recente voorbeelden van buitenlandse inmenging zijn in hun ogen de Rozenrevolutie in Georgië (2003), die de in de VS opgeleide Michail Saakasjvili aan de macht bracht, de Oranjerevolutie (2004) en de Euromajdanrevolutie (2013) in Oekraïne, maar ook de regeringswisselingen na de Arabische lente van 2010/2011 worden op het conto van het Westen geschreven.

De Rode Oktober is in Poetins ogen eigenlijk de eerste ‘kleurenrevolutie’ uit de Russische geschiedenis. Die is immers ook uit het buitenland geïmporteerd, met de aan Rusland wezensvreemde ideologie van de Duitser Karl Marx en Duitse financiële steun voor Lenin, die midden in de oorlog door de vuurlinies naar Rusland werd gesmokkeld om de zittende macht omver te werpen. En wat heeft het opgeleverd? Een eeuw vol ellende.

In oktober 2017 zei Poetin tijdens de Valdaiconferentie (een jaarlijkse internationale ontmoeting van zakenlui en politici met het staatshoofd) in Sotsji: ‘Als we nu terugkijken naar de lessen van een eeuw geleden, naar de revolutie van 1917, zien we hoe dubbelzinnig haar resultaten waren, hoe nauw verweven de negatieve en, dat moet je ook erkennen, positieve gevolgen van die gebeurtenissen zijn geweest.’

Dan maakt hij een wonderlijke tournure: de Russen hebben van de revolutie eigenlijk alleen maar ellende ondervonden, terwijl de positieve effecten vooral het Westen ten goede zijn gekomen, dat zich als het ware heeft ontwikkeld door het communistische Rusland als afschrikwekkend voorbeeld te nemen. Veel westerse verworvenheden, zoals de inrichting van de verzorgingsstaat, waren een reactie op de uitdaging van de ussr, aldus de president. ‘Ik doel op de verhoging van het levenspeil, de vorming van een machtige middenklasse, de hervormingen van de arbeidsmarkt en de sociale sfeer, de ontwikkeling van het onderwijs, garanties voor de mensenrechten, met inbegrip van de rechten voor minderheden en vrouwen, het overwinnen van de rassenscheiding, die, ik herinner er maar even aan, in veel landen, waaronder de VS, nog de beschamende praktijk was.’

Het is of de president zeggen wil: opnieuw zijn het die dekselse westerlingen die geprofiteerd hebben van de wrange vruchten die wij na de Oktoberrevolutie hebben moeten plukken. Het lijkt een eeuwig Russisch gezelschapsspel: de eigen fouten afwentelen op een ander. Dat niemand Poetin een strobreed in de weg heeft gelegd om tijdens de bijna twee decennia van zijn bewind de middenklasse ruim baan te geven, de economie te hervormen en de mensenrechten in ere te herstellen past niet in dat verhaal. Het is een simplistische geschiedopvatting en talloze uitmuntende Russische historici zijn het met het staatshoofd dan ook niet eens.

Van Michail Zygar verscheen aan de vooravond van het eeuwfeest van het revolutiejaar het boek The Empire Must Die, over de aanloop naar 1917. In een interview zei hij daarover: ‘Het Russische imperium is niet opgehouden te bestaan omdat er een revolutie plaatsvond, maar omdat het uit elkaar viel. Het is gewoon op eigen kracht tot stof vergaan.’

Dat Lenin honderd jaar na de Oktoberrevolutie nog steeds in het mausoleum ligt, is zo langzamerhand een pijnlijk anachronisme geworden

‘Het was geen samenzwering die tsaar Nicolaas II in februari 1917 omver heeft geworpen, er waren geen immense voorbereidingen, er was geen gewapende opstand’, zei Zygar. ‘In februari is alles gewoon uiteengevallen omdat het niet levensvatbaar meer was, omdat de laatste twintig jaar van dat imperium tegennatuurlijk waren, vooral na 1911, na de dood van (hervormer en premier) Stolypin. Het staatsapparaat hield feitelijk op te functioneren, dat wil zeggen: de mensen deden minder en minder. En er waren geen instituties die dat konden voorkomen. Alles was zo ingericht dat het wel ineen móest klappen.’

Het land is kortom geïmplodeerd en Lenin heeft daar handig gebruik van gemaakt. Dat de tsaar een totaal niet tegen zijn taak opgewassen alleenheerser was, is in Rusland, waar de monarchie tegenwoordig weer wordt verheerlijkt, op dit moment juist weer lastiger uit te leggen.

Dat Lenin honderd jaar na de Oktoberrevolutie nog steeds in het mausoleum ligt, is zo langzamerhand een pijnlijk anachronisme geworden. Een keer per jaar, op 9 mei, de Dag van de Overwinning, vindt er op het Rode Plein nog een militaire parade plaats, maar het gebalsemde lijk is inmiddels voornamelijk een decorstuk voor winterse schaatspret op een grote kunstijsbaan, de vrolijke kerstmarkt of de hossende voetbalfans van het wereldkampioenschap van 2018.

Gevangenen in de Vorkoeta-Goelag, een van de grootste werkkampen van de Sovjet-Unie, 1945 © Laski Diffusion / Getty Images

Terwijl Gorbatsjov, anders dan Poetin, Lenin en de Oktoberrevolutie nog goeddeels ongemoeid liet, was hij de eerste sovjetleider die Stalin hard aanpakte. Het Politbureau stelde een commissie in om de terreur van de jaren dertig en veertig te onderzoeken. In de loop van 1988 rehabiliteerde het Hooggerechtshof duizenden slachtoffers van het stalinisme, te beginnen met de door de terreur verzwolgen communistische kopstukken.

Daarover sprak ik destijds met Anna Larina, de weduwe van de geëxecuteerde medestrijder van Lenin, Nikolaj Boecharin. Hij was een van de prominentste slachtoffers van de stalinistische showprocessen. Zij kreeg de nietigverklaring van het vonnis tegen haar man gewoon over de post, ergens in februari 1988, en ze liet me het document zien. ‘Het vonnis van het militair college van het Hooggerechtshof van de ussr van 13 maart 1938 met betrekking tot Boecharin, N.I., is herroepen en de zaak gesloten wegens het ontbreken van een corpus delicti. Boecharin N.I. is postuum gerehabiliteerd.’

Twee velletjes papier voor een mensenleven. Geen uitleg, geen rechtvaardiging, geen excuses, laat staan smartengeld. Anna Larina, toen ik haar sprak nog steeds een koninklijke verschijning van 72 jaar oud, glimlachte toen ze mijn vragende gezicht zag. Ze had niet anders verwacht, al was het aardig geweest als ze er een telefoontje aan hadden gespendeerd. Anna was 24 toen ze in een strafkamp te horen kreeg dat haar man was geëxecuteerd. Achttien jaar van haar leven bracht ze door een kortstondige verbintenis met de veel oudere revolutionair door in kampen en ballingschap. Ze is hem altijd trouw gebleven.

Boecharin was een revolutionair van het eerste uur en dus medeverantwoordelijk voor de excessen van de omwenteling, maar de meeste slachtoffers van Stalin waren onschuldige boeren, burgers en intellectuelen. Tijdens de perestrojka kregen zij een gezicht en een stem.

De onverwachte vrijheid van meningsuiting onder Gorbatsjov leidde tot een lawine aan onthullingen. Memoires, kampdagboeken, Stalin-films, ontdekkingen van massagraven, publicatie van verboden literatuur, openstelling van archieven, bekentenissen van beulen of apparatsjiks… het was allemaal aan de orde van de dag.

In de jaren dat zelfs de archieven van de geheime dienst (op een kiertje) opengingen nam een historicus me eens mee naar het archief van de Moskouse afdeling van de kgb. We liepen door kelders, waar metalen stellingkasten uitpuilden van de grauwe kartonnen mappen vol verpulverde mensen. Map na map met aangiftes, verhoorverslagen en vonnissen van zeeën van mensen die niets op hun geweten hadden. Verbannen, doodgehongerd in strafkampen, geëxecuteerd om niks. Verbijsterd dwaalde ik er rond. Ik trok willekeurige mappen met mensenlevens uit de kast. Ik herinner me de zaak tegen een Armeense werknemer op een kolchoz (collectieve boerderij) waar marters werden gekweekt om hun bont. De arbeider werd ervan beschuldigd dat hij met opzet had voorkomen dat de mannetjesmarters de wijfjes bevruchtten om daarmee de socialistische sovjeteconomie schade toe te brengen. In goed stalinistisch jargon heette dat vreditelsvo (‘sabotage’) en het was een halsmisdaad. In deze duistere jaren ontstond de paranoia die in Rusland nog steeds gemakkelijk de kop opsteekt.

De Armeense boer verdween in een kamp en de marters leefden op. Ik verzin het niet, het stond er zwart op wit. Mijn doorgewinterde Russische vriend keek hier totaal niet van op, maar ik verliet volslagen daas het pand.

Bij het doorbladeren van oude tijdschriften uit die jaren trof ik in de Ogonjok (‘Het Vuurtje’) van 6 februari 1989 opeens een foto van mezelf aan, tijdens de oprichtingsconferentie van Memorial in Moskou. Memorial was een van de eerste postcommunistische ngo’s van Rusland en weinigen kunnen zich nu nog voorstellen hoe revolutionair het was dat het in de ussr werd toegestaan om organisaties te vormen die onafhankelijk waren van de staat. Die hadden zeventig jaar niet bestaan en niemand had enig idee hoe je die onafhankelijkheid überhaupt vorm moest geven.

Op de foto sta ik in een kluwen journalisten rondom oprichter Andrej Sacharov, die een verklaring voorleest. Ik ben net zo slonzig gekleed als de Russische vakgenoten om me heen, opschrijfboekje paraat, een en al aandacht voor het zoveelste ‘historische moment’ in die jaren. In het stukje in Ogonjok wordt verteld hoe de overheid vergeefs getracht had de conferentie te dwarsbomen (zelfs voor de initiatiefnemers van de perestrojka gingen de ontwikkelingen veel te snel), maar het was de afgevaardigden gelukt bijeen te komen in het Cultuurhuis van een wetenschappelijk instituut.

‘Van elke tijd blijven sporen achter, monumenten, voorstellingen die worden overgedragen aan het nageslacht. Zonder hen kun je de afgelopen periode niet begrijpen en in het geheugen van het volk de helden, tirannen en slachtoffers niet tot leven wekken’, schreef Semjon Janovski in zijn verslag over de bijeenkomst. ‘Maar wij hebben niet alleen tot taak om monumenten voor de slachtoffers van het stalinisme op te richten, verklaarden de deelnemers aan de conferentie. Wij moeten ervoor zorgen dat zelfs de lucht rond die monumenten anders aanvoelt, opdat het verleden zich niet kan herhalen.’

Memorial deed voor het eerst van zich spreken in oktober 1988 met de organisatie van de expositie De Week van het Geweten. Een week lang zochten ex-gevangenen en belangstellenden elkaar op in het buurthuis van de Gloeilampenfabriek in Moskou om te praten, te luisteren, te klagen en uit het oog verloren familieleden of kampgenoten te zoeken. Een hele muur was bedekt met een enorme landkaart, waarop alle bekende Goelagkampen waren aangegeven: Oestlag, Bamlag, Kolyma, Norilsk, Soesoeman, Vorkoeta.

Een andere muur hing vol foto’s van verdwenen mensen en verzoeken om opheldering. Boven een foto van een man van middelbare leeftijd stond de tekst: ‘Wie heeft mijn vader Sergej Zajtsev gekend?’ En onder de foto stond de hartenkreet: ‘Vader, ik heb je niet verraden!’ Volksvijanden aangeven werd in die jaren krachtig gepropageerd in de Sovjet-Unie. Een jeugdheld uit de schoolboekjes was Pavlik Morozov, beroemd geworden omdat hij zijn bloedeigen vader had verlinkt.

Zo begon Memorial systematisch materiaal te verzamelen over de Stalin-terreur. Geholpen door een stroom aan perspublicaties met de verhalen van geëxecuteerde, verdwenen of in kampen gestorven familieleden lukte het de initiatiefnemers geleidelijk aan het vertrouwen te winnen van de bevolking. Mensen hadden eindelijk een instelling waar ze hun brieven, foto’s, dagboeken en herinneringen veilig aan konden overdragen. Ze brachten zelfs gebruiksvoorwerpen en kledingstukken uit de kampen: zelfgemaakte lepels, de beroemde gewatteerde kampjekkers die moesten beschermen tegen de Siberische kou, tekeningen van kampgenoten, een kam, een koffertje met schaarse bezittingen, beenwindsels en galosjen (vilten laarzen); Memorial richtte er een klein museum mee in.

Voor het eerst was er een archiefinstelling die onafhankelijk was van de staat. Deze archieven zouden niet achter slot en grendel verdwijnen met het stempel ‘topgeheim’. Zo werkte Memorial gestaag aan de opbouw van een indrukwekkende collectie volksverleden.

Natuurkundige, dissident en Nobelprijswinnaar Andrej Sacharov stierf nog in datzelfde revolutionaire jaar 1989. Zijn begrafenis, op 14 december, was een van de ontroerendste gebeurtenissen die ik in die jaren in Moskou heb meegemaakt: een onafzienbare stoet mensen trok langs de baar in het Huis van de Geleerden om afscheid van hem te nemen. Iedereen was in tranen, ik ook. Sacharov was een voorbeeld van moed en integriteit in een land waar zulke mensen met een lampje te zoeken waren. Hij heeft Gorbatsjov fel bekritiseerd, maar op zijn begrafenis kwam de president hem persoonlijk de laatste eer bewijzen.

In de nieuwe schoolboeken wordt gewezen op de verdiensten van Stalin voor de snelle industrialisatie van het land

Ik was het vaak niet met hem eens, zei Gorbatsjov bij de baar, maar Andrej Dmitrijevitsj (Sacharov) was een groot man. Hij condoleerde Sacharovs weduwe Jelena Bonner en vroeg haar waarmee hij haar van dienst kon zijn. ‘Registreer Memorial’, zei de weduwe. De volgende dag maakte Gorbatsjov dat wettelijk mogelijk. Opnieuw een doorbraak.

Ter vergelijking: het is moeilijk voorstelbaar dat Poetin ook maar een moment heeft overwogen te verschijnen op de begrafenis van zíjn felste criticus, de oppositiepoliticus Boris Nemtsov, die in 2015 op een brug vlak bij het Kremlin werd vermoord. De hele intellectuele elite van Moskou was daar wel. De miezerige wraakzucht van het huidige regime blijkt uit de routineuze schoonveegactie van de plantsoenendienst van Moskou, die elke week als een dief in de nacht de nog dagelijks ververste bloemenhulde aan Nemtsov op de moordplek komt weghalen. Moskou heeft inmiddels een Sacharov-laan, maar de Nemtsov-brug bestaat alleen in de volksmond.

Herdenking nabij Sint-Petersburg, op de plek waar slachtoffers van het ­Stalin-regime begraven liggen, 30 oktober 2019 © Olga Maltseva / AFP / ANP

De onthullingen over Stalins misdaden speelden zich in de jaren negentig af tegen de achtergrond van politieke ontwikkelingen die de gewone Rus aanvankelijk verblijdden maar ten slotte verwarden en schrik aanjoegen. Men verwachtte bevrijding van het communistische juk, maar kreeg daar anarchie voor in de plaats. De voortdurende stroom aan narigheid over het recente verleden werd onverdraaglijk. Een wereldbeeld stortte ineen, een wereldmacht wankelde en als Russen door hun geschiedenis ergens bevreesd voor zijn, dan is het voor revolutionaire schokken.

Poetin was de eerste postcommunistische leider die probeerde het accent te verleggen van de excessen naar de successen. Lessen uit het verleden zijn belangrijk, maar een land moet ergens zijn zelfrespect aan ontlenen. Stabiliteit kun je niet bouwen op een beerput, en zo begon geleidelijk aan de restauratie.

‘Men moet Stalin niet demoniseren’, zei Poetin in 2017. Historicus Michail Zygar vond dat een opmerkelijke uitspraak. Nooit eerder had Poetin zich in die waarschuwende termen uitgelaten. Volgens Zygar bewijst het hoe cruciaal Stalin is voor de hedendaagse ideologie. ‘Trots op het imperium heeft de overhand. Het imperium is onze grootste verworvenheid, omdat heel veel mensen er respect aan ontlenen dat wij een wereldrijk zijn en allen kunnen onderdrukken. Stalin is het belangrijkste symbool hiervan.’

Zygar noemt het een kortzichtige ideologie, omdat de exploitatie van de figuur Stalin alle oude psychologische trauma’s doet herleven. ‘Dat jaagt een deel van de mensen het land uit, die beginnen te vrezen dat 1937 weer voor de deur staat, dat straks de grenzen weer dicht gaan en dat het dan te laat is om te vluchten. Dit beleid verjaagt de intellectuele elite van het land, die volgens mij niet trots wil zijn op een imperium dat alles en iedereen wil onderdrukken. Honderd jaar geleden was Rusland geen keizerrijk dat iedereen wilde vertrappen. Het was een van de populairste landen van de wereld, met Tsjechov, Tolstoj, Djagiljev, Stanislavski, Anna Pavlova, Malevitsj, Kandinski en zo kan ik nog wel even doorgaan. Rusland was toen een modern en cultureel invloedrijk land en dat is reden genoeg voor trots.’

Poetin maakt dus voorzichtige kanttekeningen bij de figuur Stalin, maar hij gaat niet zover dat hij de generalissimus op het paard hijst bij de jaarlijkse Overwinningsparade op 9 mei op het Rode Plein. Toch is de viering van de overwinning met militair vertoon niet anders op te vatten dan als steun voor de opperbevelhebber van de strijdkrachten die die zege mogelijk heeft gemaakt. In de nieuwe schoolboeken wordt gewezen op de verdiensten van Stalin voor de snelle industrialisatie van het land, dat dankzij zijn inspanningen een wereldmacht van formaat is geworden. De (sporadische) lokale initiatieven voor Stalin-standbeelden worden in Rusland van hogerhand ook niet tegengewerkt.

Dat deze accentverschuiving effect heeft bleek in het voorjaar van 2019, toen het onafhankelijke opinieonderzoeksbureau Levada Centrum constateerde dat 71 procent van de ondervraagden ‘enthousiasme’, ‘respect’ of ‘sympathie’ voor Stalin voelde. Dat is het hoogste percentage sinds zijn populariteit vanaf het eind van de jaren tachtig wordt gemeten. Maar liefst 46 procent van de ondervraagden vond dat de misdaden in de Stalin-tijd te rechtvaardigen waren ‘door de doelstellingen en resultaten’.

De uitslag leidde tot een fel debat onder sociologen en historici over de objectiviteit van de werkwijze van Levada, waarbij de jongere generatie zich niet leek te kunnen neerleggen bij de sensationele uitkomst. Waar de oude garde van mening is dat de homo sovieticus springlevend is, zeggen jongeren dat dat een door russofobie ingegeven ideologisch standpunt is, dat niet overeenkomt met de werkelijkheid.

In zijn eindejaarstoespraak tot het parlement zei Poetin in 2016 dat de lessen van de geschiedenis het hardst nodig zijn ‘voor verzoening, voor versterking van de maatschappelijke, politieke en burgerlijke consensus’. Het mag niet zo zijn dat aparte ‘politieke belangen speculeren op tragedies waardoor bijna iedere familie in Rusland is geraakt’, zei Poetin. ‘Schisma’s, wrok, gekwetstheid en verbittering over het verleden zijn ontoelaatbaar. We zijn een verenigd volk, één volk.’

Hier heeft Poetin gelijk, maar het blijft een moeilijk verhaal in een land waar een op de vijf inwoners op een of andere manier getroffen is door het stalinisme, terwijl de daders nooit zijn gestraft. Het is bovendien tegelijkertijd bedoeld als een waarschuwing aan het adres van de eigen burgers of buitenlanders die de twintigste-eeuwse Russische geschiedenis ‘misbruiken’ om Rusland te kleineren of schade te berokkenen.

Hiermee eigent de staat zich het recht toe te bepalen hoe geschiedenis verwerkt mag worden. Maar het toont ook dat Rusland meer dan een kwart eeuw na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in elke poging tot eerlijke Vergangenheitsbewältigung nog steeds de kwade opzet van buitenlandse vijanden vermoedt. Een sovjeterfenis.

Niemand heeft het probleem van de gespleten houding ten opzichte van de stalinistische dictatuur voor mij zo helder onder woorden gebracht als Arseni Roginski, de directeur van Memorial. Zo analyseerde hij de prijs die Rusland ook na het verdwijnen van het communisme voor het barre verleden bleef betalen: de staat, zei hij tegen me, heeft in Rusland nooit schuld bekend aan de Stalin-terreur. De staat erkent dat tallozen het slachtoffer zijn geworden van de moordmachine, maar heeft nooit toegegeven dat de verantwoordelijkheid uiteindelijk bij hém lag. De overheid doet net of de terreur een pestepidemie was die uit de lucht is komen vallen, en daarom staan de slachtoffers van Stalin nog steeds in de kou met hun verdriet. Omdat de schuldigen niet benoemd mogen worden, blijft de nazaten niets over dan kaarsjes branden in de kerk voor het zielenheil van hun geliefden.

Op 30 oktober 2017 sprak Poetin bij de officiële opening van de Stena Skorbi, de Muur van het Verdriet, aan de Sacharovlaan in Moskou. Het nationaal monument staat op een veel minder opvallende plek dan Vladimir de Heilige, op een verkeersknooppunt aan de voet van een lelijk verzekeringskantoor. Het is als winnaar uit de bus gekomen na een jarenlange competitie tussen beeldhouwers en architecten. Het winnende ontwerp is een dertig meter lang bronzen basreliëf van de beeldhouwer Georgi Frangoelian en bestaat uit twee halfrond lopende muren opgebouwd uit sombere schimmen, omgeven door donkere sparrenbomen.

Poetin noemde bij de onthulling de repressie onder Stalin een ‘tragedie voor het hele volk’ en een ‘klap voor de cultuur’. ‘Tegen iedereen konden fictieve en absoluut absurde beschuldigingen in stelling worden gebracht, miljoenen mensen werden tot volksvijanden verklaard, geëxecuteerd of verwond, ze doorstonden de kwellingen van gevangenissen of kampen of ballingschap’, zei Poetin. De repressie mag niet vergeten en ‘met geen enkel heil van het volk’ vergoelijkt worden. Maar het was geen toeval dat de president Stalin niet met naam en toenaam noemde als de architect van die massaterreur.

Net als bij de onthulling van Vladimir de Heilige was ook hier patriarch Kirill weer van de partij, maar er was nog een functionaris aanwezig. Senator Vladimir Loekin, voorzitter van het Fonds ter herdenking van slachtoffers van politieke repressie, was uitgesprokener dan Poetin. Ik beschreef de oude diplomaat eerder als een van mijn goede kennissen. Loekin is een voorzichtig man, die binnen de marges van wat mogelijk is zijn best doet de overheid te wijzen op mensenrechtenschendingen.

‘Over de belangrijkste grote tragedie – de massale repressie, de vreselijke terreur, die verbonden is met de revolutie, de burgeroorlog en de stalinistische totalitaire dictatuur – weet de jonge generatie weinig’, zei Loekin bij de Muur. ‘En dat is een slechte zaak. Onwetendheid is nooit een excuus, zei Spinoza al. Uit onwetendheid kun je geen wijze lessen trekken. Sommige van onze burgers denken dat het onpatriottisch is om ons bloedige verleden op te rakelen. Ik ben ervan overtuigd dat die mening onjuist is. Moederland en Waarheid zijn even grote begrippen. Je kunt niet van je moederland houden zonder de waarheid te beminnen. Zonder goed en kwaad van elkaar te onderscheiden en wreedheid van menselijkheid. (…) Alleen een vrij mens kan een echte patriot zijn!’

Op de officiële opening van de Muur van het Verdriet, die een uurtje duurde, kwamen een kleine honderd mensen af. Het was donker en het miezerde in Moskou. Poetin oogde, zoals wel vaker, onzeker, dit soort publieke optredens gaat hem niet gemakkelijk af. Kwetsbaarheid tonen is niet zijn sterkste kant. Op tv-beelden hoor je hoe hij onhandig tegen een oud vrouwtje mompelt: ‘Heeft u het niet koud?’ Groot was het contrast met de herdenking bij de Solovki-steen op het Loebjankaplein, een dag eerder, waar duizenden mensen in lange rijen hun geëxecuteerde stadgenoten en familieleden uit de vergetelheid kwamen halen.

Vladimir Loekin had me gewezen op een derde monument voor de slachtoffers van het stalinisme, op een militair terrein in Boetovo net buiten Moskou. Hier zijn minstens twintigduizend mensen geëxecuteerd en in massagraven gedumpt. Het terrein is nu eigendom van de Russisch-orthodoxe kerk, die het initiatief nam tot het gedenkteken, dat in 2007 in het bijzijn van Poetin werd geopend. Ik ben er gaan kijken. Op een eindeloos lange als een loopgraaf verzonken muur staan in chronologische volgorde de namen van alle doden die hier ergens onder de grond moeten liggen. Ik sprak er met een monnik die me de geschiedenis van de plek uitlegde. Dit gedenkteken is veel indrukwekkender dan de licht kitscherige Muur van het Verdriet met zijn donkere sparrenbomen aan de Sacharovlaan.

Poetin raakte destijds in verwarring bij de bezichtiging van het monument, vertelde Loekin me. Hij dacht serieus dat de meeste slachtoffers van het stalinisme partijleden en partijkaders waren, maar zag in het museumpje de namen van willekeurige boeren, metaalbewerkers, artsen, ingenieurs, schrijvers. ‘Wacht even, wat hebben die er nu mee te maken?’ zei hij verbaasd.


Dit is een ingekorte bewerking van een hoofdstuk uit Post uit Rusland, 1972-2020: Over de macht en de eenling van Laura Starink, dat deze week verschijnt. Atlas Contact, 368 blz., € 22,99